De grote gewesten verschuiven
in dienst van de Boedoeners
de deelgenoot makers, de zandschuivers, de poedersuiker-stuivers
de oliebollenkwekers, de dennebomenschudders, de stoeihaspels van het westen
zij laten hun sporen na.
In de weg geslagen van de wanmoed, het hopeloze kleinrichterschap
de toeterende autoos op het plaveimatje
de regering zwenkt en wacht en zwenkt weer en gaat blurpend ten onder
het legendarische afvoerputje van Homerische vergeteldicht
krukopstoepje, landjepikkem, doe-eens-niet-meetje, hier ben ik.
Driemaster van het hooggebergte
je dalen laven zich aan de wind, afkomstig uit toornige hoogten, nu blazoen
nu palmboom, met banaan en aap en mensheid, gezellig gekeutel
grondsijpten vanderland, aargh!ensoog, dus de zwabber dekt
het gekreemkundig beherrschten, gelekkig, de redetwist makt toe.
Ja dit.
Karrespoor op opperland
de leliegunstige, dauwerlandse traan
de goedgewiekte lach in de blijspeerpuntige zelk-dicht
zilten randen van wonden, scherpe venijnen, kattige ogendoornen
hier is de helft, sta je toe te zijn, de wonderen, de dode.
