STOMMELINGEN!
POTSIERLIJKE HANSWORSTEN!
RADIKALE PEERVORMIGE ZURE-ZULTETERS!
KAPITULEERDERS!
RANSBAKKEN!
KLOOTVERDOEMENISLIJERS!
Niemendal was iemand die niet veel te zeggen had. Daarom is dit verhaal ook een stom verhaal. Het gaat heel lang door maar dat merkt niemand. Het geheim, maar niet doordat iemand het geheim houdt. Het speelt zich af in stilte, in de ultieme marge. Het is zogezegd KULT.
KUL met een T.
KUT met een L.
Zeg het maar. U kunt uw stem NIET uitbrengen, stelletje uitvreters. Patatgeneratiekloof-uitbuiters. Rans-kastelijnen. Snikkels. Zelfs niemendal zegt er iets van. Al is het maar met de uitdrukking van zijn gezicht. :(
Sunday, May 30, 2010
Saturday, May 29, 2010
2 3
Roger Charlie Alpha Delta Charlie Bravo Excellent
Never mind you touch that I get inside you like a tramphole couchnail cannot Bravo Charlie Hickup never yes sir.
Complete 2 o clock 2 clicks radical insurgent commando Charlie Bravo Palm Beach West
White Clothing
That's what it looks like to Us.
Never mind you touch that I get inside you like a tramphole couchnail cannot Bravo Charlie Hickup never yes sir.
Complete 2 o clock 2 clicks radical insurgent commando Charlie Bravo Palm Beach West
White Clothing
That's what it looks like to Us.
Kanarie Met Gesloten Vizier
Derhalve. Wat is er toch met dit woord? Weet u het? Waarom gebruik ik het, hier?
De Koningszoon zat in zijn ochtendgewaad aan het raampje van zijn torenkamer, waar hij tot diep in de nacht stratego had gespeeld met zijn kanarie die hem voortdurend op listige wijze wist te verslaan. De kanarie nu was al slapende, en de koningszoon was vroeg opgestaan (waarbij zijn pezen kraakten van ellende, en zijn longen blaasbalgden van walging) om zonder het gekscherende getoeter van zijn piepkleine vriendje nu eens de zetten van de vorige avond na te gaan. Het was toch donders vervelend, voortdurend te verliezen zonder dat hij er erg in had, dat hij aan het verliezen was. De nederlaag kwam altijd zo onverwacht, als zo'n vernederende verrassing, zijn balon van overwinningsroes (want hij was altijd zo goed bezig, zeker gisteren) werd altijd op zo'n geniepige manier doorgeprikt door het snaveltje van het gevleugelde maarschalkje dat hij toch liever niet als zijn strategische meerdere wilde erkennen. De koningszoon verzette de poppetjes, stuk voor stuk, stap voor stap, precies zoals het gegaan was de vorige avond - plok, plok, plok, kets, zo klonk het in het torenkamertje, en het zweet des aanschijns parelde in dikke droppen over het noblele gelaat van de koningszoon naar beneden, en viel dan ook weer op het bord - zo dat het ging van plok, drup, plok, kets, drup, plok, drup, plok plok, kets, drup - het was een klein wondertje dat het kanariepietje er niet wakker van werd.
Jeetje kreetje - daar had je het! De koningszoon was er zich plotselingerwijze bij zich van in de smiezen geraakt, wat hij den vorige avond aan misstappen had gedaan! Hij zag bliksemscherp in, dat zijn poppetjes heel anders gepositioneerd waren gestonden dan die van zijn miniscule tegenstander! Wat bleek nu, het kanariepietje had op geheel listige wijze, zijn poppekens met de plaatjes naar zichzelf toe gekeerd! Geen wonder dat diens strategie (ook de titel van het spel blonk nu ineens in de volle betekenis aan hem uit) voor de geheel eerlijk en met open vizier opererende Prins verborgen was gebleven! En geen wonder ook, dat de strategie van zijn piepkleine toeverwant door het diertje zelf begrepen en door-ontwikkeld kon worden! De koningszoon slaakte een snoodaardige triomfkreet (Iuuuaargllihee!) en positioneerde nu, als experiment, ook zijn eigen poppetjes (ploppetiepokplioppikletterketsplokplokkert) op Machiavelliaanse wijze met de gezichtjes naar hem zelf toe! En hij verbaasde zich, bij het tafereel dat zich toen voor zijn nobele ogen (die groen en goud waren, dat moet gezegd, zodat het opgenomen kan worden in de notulaties die bij de stamboom worden bijgeleverd als men de speciale, in beverhuid gebonden editie verkiest aan te schaffen en niet de paperback, waarbij de details in het ongewisse worden gelaten, en terecht, want paarlen gooit men niet voor de zwijnen, ik kan hier toch zo boos om worden, wie koopt er nou een paparback stamboom, verdomme, he, niet vloeken) openbaarde, en wachtte om te worden afgespeeld. Want nu, ja, slechts, nu, nobele lezer, nu pas begreep de Koningszoon, dat het spel der strategische krijgshaft "zich" niet slechts afspeelt, maar wordt gemanipuleerd door listige wezens, zoals kanaries, en in de toekomst ook, past u op uw tellen, door koningszonen.
De Koningszoon zat in zijn ochtendgewaad aan het raampje van zijn torenkamer, waar hij tot diep in de nacht stratego had gespeeld met zijn kanarie die hem voortdurend op listige wijze wist te verslaan. De kanarie nu was al slapende, en de koningszoon was vroeg opgestaan (waarbij zijn pezen kraakten van ellende, en zijn longen blaasbalgden van walging) om zonder het gekscherende getoeter van zijn piepkleine vriendje nu eens de zetten van de vorige avond na te gaan. Het was toch donders vervelend, voortdurend te verliezen zonder dat hij er erg in had, dat hij aan het verliezen was. De nederlaag kwam altijd zo onverwacht, als zo'n vernederende verrassing, zijn balon van overwinningsroes (want hij was altijd zo goed bezig, zeker gisteren) werd altijd op zo'n geniepige manier doorgeprikt door het snaveltje van het gevleugelde maarschalkje dat hij toch liever niet als zijn strategische meerdere wilde erkennen. De koningszoon verzette de poppetjes, stuk voor stuk, stap voor stap, precies zoals het gegaan was de vorige avond - plok, plok, plok, kets, zo klonk het in het torenkamertje, en het zweet des aanschijns parelde in dikke droppen over het noblele gelaat van de koningszoon naar beneden, en viel dan ook weer op het bord - zo dat het ging van plok, drup, plok, kets, drup, plok, drup, plok plok, kets, drup - het was een klein wondertje dat het kanariepietje er niet wakker van werd.
Jeetje kreetje - daar had je het! De koningszoon was er zich plotselingerwijze bij zich van in de smiezen geraakt, wat hij den vorige avond aan misstappen had gedaan! Hij zag bliksemscherp in, dat zijn poppetjes heel anders gepositioneerd waren gestonden dan die van zijn miniscule tegenstander! Wat bleek nu, het kanariepietje had op geheel listige wijze, zijn poppekens met de plaatjes naar zichzelf toe gekeerd! Geen wonder dat diens strategie (ook de titel van het spel blonk nu ineens in de volle betekenis aan hem uit) voor de geheel eerlijk en met open vizier opererende Prins verborgen was gebleven! En geen wonder ook, dat de strategie van zijn piepkleine toeverwant door het diertje zelf begrepen en door-ontwikkeld kon worden! De koningszoon slaakte een snoodaardige triomfkreet (Iuuuaargllihee!) en positioneerde nu, als experiment, ook zijn eigen poppetjes (ploppetiepokplioppikletterketsplokplokkert) op Machiavelliaanse wijze met de gezichtjes naar hem zelf toe! En hij verbaasde zich, bij het tafereel dat zich toen voor zijn nobele ogen (die groen en goud waren, dat moet gezegd, zodat het opgenomen kan worden in de notulaties die bij de stamboom worden bijgeleverd als men de speciale, in beverhuid gebonden editie verkiest aan te schaffen en niet de paperback, waarbij de details in het ongewisse worden gelaten, en terecht, want paarlen gooit men niet voor de zwijnen, ik kan hier toch zo boos om worden, wie koopt er nou een paparback stamboom, verdomme, he, niet vloeken) openbaarde, en wachtte om te worden afgespeeld. Want nu, ja, slechts, nu, nobele lezer, nu pas begreep de Koningszoon, dat het spel der strategische krijgshaft "zich" niet slechts afspeelt, maar wordt gemanipuleerd door listige wezens, zoals kanaries, en in de toekomst ook, past u op uw tellen, door koningszonen.
Friday, May 28, 2010
En toen Harrie aangekomen was bij de stekelige brug, zat hij even neer om de door hem afgelegde weg te overpeinzen. Hij kon immers wel direct doorsteken, maar om nu in de afgrond te tuimelen zonder bij de ontberingen die hij getrotseerd had, om bij diezelfde afgrond aan te landen te bespiegelen, en zichzelf erom nog even te prijzen voordat het noodlot hem in de verstikkend earmen sloot, dat leek hem toch een dwaasheid. En dwaasheden, daarvan had Harrie er al zoveel begaan in zijn leven, dat de lol er nu wel een beetje af was.
Maar wat viel er te overpeinzen? Harrie had met draken gevochten - draken die later, toen ze opengereten aan Harries voeten lagen, zijn vrienden bleken te zijn. Harrie had tunnels gegraven, onder brandende velden, en onder de grond had hij dieren ontmoet, die hem geheimen ingefluisterd hadden, die Harrie ter harte had genomen, maar die later leugens bleken te zijn geweest. Harrie hard kortom vriend voor vijand aangezien, en had volhardt in deze fout, en daarmee was hij bij deze brug aangeland. Geen wonder dus, dat hij zich even beraadde, voor hij de stap naar de overkant durfde te wagen.
Zo bezorgd en vertwijfeld was Harrie, dat hij aan de rand van de afgrond kamp opsloeg, een vuurtje maakte en zijn gangen nog eens naging, maar nu bij het licht van de knetterende vonkjes, en de fonkelende sterren boven hem. Dat de sterren nog boven hem stonden, dat was een geruststelling - hij, Harrie, mocht nog zoveel fouten hebben begaan - de Hemel was erdoor onveranderd. Dit besef stemde Harrie enigszins tot rust, en hij begon onwillekeurig een wijsje te fluiten, waarmee hij een klein diertje naar zich toe lokte - een diertje dat hem eens in een ver verleden terzijde had gestaan, bij het einde van een wereld, die Harrie al lang vergeten was.
Maar Harri eherkende het diertje wel degelijk, en hij was geroerd door het weerzien. En samen zaten Harrie en het diertje bij de vlammen, en dachten even aan niets, want het leek alsof de tijd niet bestond, en zij elkaars gezelschap tot in de eeuweigheid zouden genieten. Maar Harrie dommelde in, en toen hij wakker werd, was het diertje verdwenen, en het vuur gedoofd. Het smeulde niet eens meer, en evenmin brandden de sterren nog aan het firmament. Het enige dat nog hetzelfde was was de brug, de stekelige brug, die voor Harries ogen een pad trok naar de toekomst, onbekend, onbezongen en onvoorgesteld. De toekomst was duister, zelfs duisterder, dan de afgrond. Maar Harrie besefte dat hij verder moest - want teruggaan, daar zag hij niets in. Dus hij stond op, en zette voet op de brug.
Tot Harries verbazing stortte de brug niet onmiddelijk in. Voetje voor voetje schuifelde hij zich een pad over de afgrond, de stekels voorzichtig ontwijkend, en na verloop van tijd begon in de duisternis aan de overtoom een vaag schijsel de flakkeren. Een zucht wind trok door Harries hart en blies iets van het stof, waarmee het bedekt was, weg van zijn ziel. Voor een moment - toen was het lichtje weer weg, en de toekomst weer duister. Maar het was genoeg geweest - harrie besefte, dat hij zich een weg ploeterde door een donkere nacht, en dat als hij maar doorging, het licht weer door de duisternis verwekt zou worden - verwekt van duisternis en wanhoop - moeder en vader van de toekomst - zo mijmerde Harrie, zoekend naar een houvast voor zijn geest op deze penibele brug.
En nog een vonk verscheen, voor een moment, aan de overzijde. Wellicht was het een zwaard in de hand van ee rover, dacht Harrie. Wellicht het schijnsel in een boosaardig oog - maar er was licht. Er was iets. Harrie versnelde zijn pas, hij werd roekelozer, maar behendig dansde hij nu tussen de stekels door. En uiteindelijk begon nu echt de overkant te gloren, een paars-roze licht, en ook een geur drong door tot Harries brein, voor het eerst sinds het vuur van de afgelopen nacht. Een zoete geur was het, van een soort bloemen die we hier niet kennen - een geur als het gezang van meerminnen wellicht - en hoe Harrie het licht aanzag voor duister, hoe zijn hersens zich wreekten voor jarenlange teloorgang - dit alles deed niets af aan het feit dat de afgrond bijna overbrugd was, en dat Harrie zich voelde als een vreemde in zijn eigen ziel. Hij had zijn bestaan verlaten, de grens overschreden, en was nu niet langer een mens. Hij kwam aan op de oever, stapte op het vaste land, waar gras bleek te groeien, en geen rover hem opwachtte. Teleurgesteld dat er geen gevaar was, om mee te kampen, maar slechts een nieuwe ruimte om te doorkruisen, sprong Harrie alsnog in de afgrond. Hij viel en hij viel en hij viel, en het werd nog donkerder dan het al was geweest, en uiteindelijk sleog hij te pletter op de rotsen in de diepte. Bloed kroop waar het niet gaan kon, en voedde de bodem, die kreunde en openspleet, en Harries lijk nog verder deed zakken, tot hij aankwam in de Hel, diep onder de aarde, en aan Satans voeten kwam te liggen.
Zo werd hij wakker, in ketens, herboren doch dood, starend in fonkelend vuur, maar doof voor de pijn die hij zou moeten voelen. "Wat doe ik hier?"" vroeg hij aan niemand in het bijzonder. Het antwoord kwam van Satan: Je bent hier om te leren leven.
U ziet beste lezer, dat het verdomd lastig is voor een Harrie, om daadwerkelijk ten onder te gaan, en vergeten te worden. U heeft het hiermee te stellen.
Maar wat viel er te overpeinzen? Harrie had met draken gevochten - draken die later, toen ze opengereten aan Harries voeten lagen, zijn vrienden bleken te zijn. Harrie had tunnels gegraven, onder brandende velden, en onder de grond had hij dieren ontmoet, die hem geheimen ingefluisterd hadden, die Harrie ter harte had genomen, maar die later leugens bleken te zijn geweest. Harrie hard kortom vriend voor vijand aangezien, en had volhardt in deze fout, en daarmee was hij bij deze brug aangeland. Geen wonder dus, dat hij zich even beraadde, voor hij de stap naar de overkant durfde te wagen.
Zo bezorgd en vertwijfeld was Harrie, dat hij aan de rand van de afgrond kamp opsloeg, een vuurtje maakte en zijn gangen nog eens naging, maar nu bij het licht van de knetterende vonkjes, en de fonkelende sterren boven hem. Dat de sterren nog boven hem stonden, dat was een geruststelling - hij, Harrie, mocht nog zoveel fouten hebben begaan - de Hemel was erdoor onveranderd. Dit besef stemde Harrie enigszins tot rust, en hij begon onwillekeurig een wijsje te fluiten, waarmee hij een klein diertje naar zich toe lokte - een diertje dat hem eens in een ver verleden terzijde had gestaan, bij het einde van een wereld, die Harrie al lang vergeten was.
Maar Harri eherkende het diertje wel degelijk, en hij was geroerd door het weerzien. En samen zaten Harrie en het diertje bij de vlammen, en dachten even aan niets, want het leek alsof de tijd niet bestond, en zij elkaars gezelschap tot in de eeuweigheid zouden genieten. Maar Harrie dommelde in, en toen hij wakker werd, was het diertje verdwenen, en het vuur gedoofd. Het smeulde niet eens meer, en evenmin brandden de sterren nog aan het firmament. Het enige dat nog hetzelfde was was de brug, de stekelige brug, die voor Harries ogen een pad trok naar de toekomst, onbekend, onbezongen en onvoorgesteld. De toekomst was duister, zelfs duisterder, dan de afgrond. Maar Harrie besefte dat hij verder moest - want teruggaan, daar zag hij niets in. Dus hij stond op, en zette voet op de brug.
Tot Harries verbazing stortte de brug niet onmiddelijk in. Voetje voor voetje schuifelde hij zich een pad over de afgrond, de stekels voorzichtig ontwijkend, en na verloop van tijd begon in de duisternis aan de overtoom een vaag schijsel de flakkeren. Een zucht wind trok door Harries hart en blies iets van het stof, waarmee het bedekt was, weg van zijn ziel. Voor een moment - toen was het lichtje weer weg, en de toekomst weer duister. Maar het was genoeg geweest - harrie besefte, dat hij zich een weg ploeterde door een donkere nacht, en dat als hij maar doorging, het licht weer door de duisternis verwekt zou worden - verwekt van duisternis en wanhoop - moeder en vader van de toekomst - zo mijmerde Harrie, zoekend naar een houvast voor zijn geest op deze penibele brug.
En nog een vonk verscheen, voor een moment, aan de overzijde. Wellicht was het een zwaard in de hand van ee rover, dacht Harrie. Wellicht het schijnsel in een boosaardig oog - maar er was licht. Er was iets. Harrie versnelde zijn pas, hij werd roekelozer, maar behendig dansde hij nu tussen de stekels door. En uiteindelijk begon nu echt de overkant te gloren, een paars-roze licht, en ook een geur drong door tot Harries brein, voor het eerst sinds het vuur van de afgelopen nacht. Een zoete geur was het, van een soort bloemen die we hier niet kennen - een geur als het gezang van meerminnen wellicht - en hoe Harrie het licht aanzag voor duister, hoe zijn hersens zich wreekten voor jarenlange teloorgang - dit alles deed niets af aan het feit dat de afgrond bijna overbrugd was, en dat Harrie zich voelde als een vreemde in zijn eigen ziel. Hij had zijn bestaan verlaten, de grens overschreden, en was nu niet langer een mens. Hij kwam aan op de oever, stapte op het vaste land, waar gras bleek te groeien, en geen rover hem opwachtte. Teleurgesteld dat er geen gevaar was, om mee te kampen, maar slechts een nieuwe ruimte om te doorkruisen, sprong Harrie alsnog in de afgrond. Hij viel en hij viel en hij viel, en het werd nog donkerder dan het al was geweest, en uiteindelijk sleog hij te pletter op de rotsen in de diepte. Bloed kroop waar het niet gaan kon, en voedde de bodem, die kreunde en openspleet, en Harries lijk nog verder deed zakken, tot hij aankwam in de Hel, diep onder de aarde, en aan Satans voeten kwam te liggen.
Zo werd hij wakker, in ketens, herboren doch dood, starend in fonkelend vuur, maar doof voor de pijn die hij zou moeten voelen. "Wat doe ik hier?"" vroeg hij aan niemand in het bijzonder. Het antwoord kwam van Satan: Je bent hier om te leren leven.
U ziet beste lezer, dat het verdomd lastig is voor een Harrie, om daadwerkelijk ten onder te gaan, en vergeten te worden. U heeft het hiermee te stellen.
Thursday, May 27, 2010
the crooked and narrow road
Road of my heart, little side-track
hidden in bushes of sorrow and lack
splits off the road that bathes in light
where no pain exist and all acts are right.
What lies there, hidden in dark, wet woods?
what wisdom, utility, passion or truth?
What possible virtue could grow on this path
when none enters here who is without wrath?
Take this little secret, dear travelling soul
forget it, until at some moment your goal
will come into view at the end of the way
like a cloud, turning light and dark into grey.
If chance favors you, you'll fall on your face
and bleeding and cursing you'll crawl in a daze
away from the straight, wide road to the end
side-tracked from fate you'll find life in your hands.
hidden in bushes of sorrow and lack
splits off the road that bathes in light
where no pain exist and all acts are right.
What lies there, hidden in dark, wet woods?
what wisdom, utility, passion or truth?
What possible virtue could grow on this path
when none enters here who is without wrath?
Take this little secret, dear travelling soul
forget it, until at some moment your goal
will come into view at the end of the way
like a cloud, turning light and dark into grey.
If chance favors you, you'll fall on your face
and bleeding and cursing you'll crawl in a daze
away from the straight, wide road to the end
side-tracked from fate you'll find life in your hands.
Sunday, May 16, 2010
Zo jongens! Zei de leraar gemaakt - opgewekt, zijn schurftige slaap proberend te vergeten en zich dingen inbeeldend, glorieuze dingen, die hij nu op het schoolbord zou gaan schrijven. Maar het werd hem belet. Het bleek een praktikumles te worden, door verschuivingen op het rooster. Dus de glorieuze dingen speelden nog bij hem in het achterhoofd, toen hij weer aan zijn slaap dacht, en daar allerlei bijgedachtes bij had, die hij liever niet wilde hebben, dus maar min of meer soort van insliep, waar hij bijstond, tot hij wakker werd van een propje tegen zijn hoofd, waarop hij pardoes in een punaise op zijn stoel ging zitten, en met een gil opsprong. Nu sliep hij in ieder geval niet meer, en kon de les voortgaan. Hij bracht de leerlingen goede, degelijke kennis bij. Het ging zo.
Leraar: Jantje, zeg het eens.
Jantje: Meester, ik weet het niet.
Leraar: Doe eens een gokje.
Jantje: Eh, drie!
Leraar: Bijna goed! Sabrine. Probeer jij het eens.
Sabrine: Vier!
Leraar: Ja! Jaaaaaaa! Jaaaaaaaaaaa! Goed! Helemaal goed! Bijna goed! Biiiiiijjjjna! Piet!
Piet: Vijf!
Leraar: Nee. Fout. Jullie moeten nog veeeeel leren. Volgende onderwerp.
Zo bracht de leraar de jongens en meiden bij hoe het eraan toe gaat in de echte wereld. Hij was er trots op, toen hij met zijn salamisandwich naar huis fietste voor de lunsj, en nog steeds toen hij aan het eten was, aan het smekken werkelijk, en nog steeds toen hij het schoolgebouw weer betrad, en toen hij plaats nam op de punaise en weer opsprong dacht hij, dat hij zijn leerlingen wel zoveel kennis had meegegeven dat hij wel met pensioen kon. Hij stelde het onderwerp aan de orde. Verscheidene leerlingen namen het voor hem op, en de meesten bleven met hun mobiele telefoontjes spelen. Net het echte leven, dacht de leraar, en besloot zijn pensioen uit te stellen, en de les voort te zetten.
Pientje. Wat denk jij dat het is?
Pientje: Wat wat is, meester?
Leraar: De vraag! Het antwoord!
Pientje: Oh! Ik denk dat de vraag is: Heeft u zichzelf wel eens bekeken in de spiegel? En het antwoord moet dan zijn: Ik kan geen spiegel betalen!
De klas giechelde, en Pientje kreeg een tien, voor straf. Om te laten zien, dat hij niet te bedwingen was, met dit soort klassenbewustzijn.
Ja, het leven van een leraar gaat gepaard moet moeilijke en onbegrijpelijke beslissingen. Toen de meester weer naar huis fietste, bedacht hij dat hij geluk had, dat de punaises in zijn reet staken, en niet in zijn band.
Leraar: Jantje, zeg het eens.
Jantje: Meester, ik weet het niet.
Leraar: Doe eens een gokje.
Jantje: Eh, drie!
Leraar: Bijna goed! Sabrine. Probeer jij het eens.
Sabrine: Vier!
Leraar: Ja! Jaaaaaaa! Jaaaaaaaaaaa! Goed! Helemaal goed! Bijna goed! Biiiiiijjjjna! Piet!
Piet: Vijf!
Leraar: Nee. Fout. Jullie moeten nog veeeeel leren. Volgende onderwerp.
Zo bracht de leraar de jongens en meiden bij hoe het eraan toe gaat in de echte wereld. Hij was er trots op, toen hij met zijn salamisandwich naar huis fietste voor de lunsj, en nog steeds toen hij aan het eten was, aan het smekken werkelijk, en nog steeds toen hij het schoolgebouw weer betrad, en toen hij plaats nam op de punaise en weer opsprong dacht hij, dat hij zijn leerlingen wel zoveel kennis had meegegeven dat hij wel met pensioen kon. Hij stelde het onderwerp aan de orde. Verscheidene leerlingen namen het voor hem op, en de meesten bleven met hun mobiele telefoontjes spelen. Net het echte leven, dacht de leraar, en besloot zijn pensioen uit te stellen, en de les voort te zetten.
Pientje. Wat denk jij dat het is?
Pientje: Wat wat is, meester?
Leraar: De vraag! Het antwoord!
Pientje: Oh! Ik denk dat de vraag is: Heeft u zichzelf wel eens bekeken in de spiegel? En het antwoord moet dan zijn: Ik kan geen spiegel betalen!
De klas giechelde, en Pientje kreeg een tien, voor straf. Om te laten zien, dat hij niet te bedwingen was, met dit soort klassenbewustzijn.
Ja, het leven van een leraar gaat gepaard moet moeilijke en onbegrijpelijke beslissingen. Toen de meester weer naar huis fietste, bedacht hij dat hij geluk had, dat de punaises in zijn reet staken, en niet in zijn band.
lutter
Nou wel de tyfus. Zei ze behakt, terwijl het vliegtuig al te sputteren stond. Ga je nog mee, of blijf je bij je hond?
Hij (Henkie) had hier even niet zo een twee drie een antwoord paraat op, dus hij shurkte wat. Zij schamperde wat in zijn richting en trip trapte het vliegtuigje in. Zonder dat zij het zag wreef Henkie in zijn handen en gniffelde wat. Heh heh heeeeeh. Nu zal ik met mijn radiografisch besturende pitbull dit vliegtuigje eens lekker laten neerstorten boven Kirchiezie-stad, waar ik toch al zo'n hekel aan heb als vakantiebestemming. Twee vliegen in een klap.
Waarom wilde Henkie de dame met de hakjes vermoorden? Dat kwam, omdat zij hem zuurkool gevoerd had, ten overstaan van de buurman, die hij eens had vertelt, over zijn lijk nog geen zuurkool te zullen vreten, wat hem al genoeg hoofdbrekens had bezorgd zonder dat kuttelientje hem ermee kwam opzadelen in de eerste graad - door het spul eens terwijl hij zat te kwijlen door zijn strot te douwen. Hoesten, hoesten dat hij deed! Nee, dan. Dat je zegt. Wat een ranzig gehork. Het hele tapijt lag onder het slijm en het bloed, het leek wel, alsof Henkie zijn longen uit zijn lijf had gehoest. Maar dat was niet zo - het waren gewoon de restanten van zijn vorige maaltijd - paardeworst met paardelul, gekookt in een boerensoepje. Dat kwam er uit, en dat beviel niet zo goed qua kleurschakering en de geur was ook niet helemaal tip-top, maar ja, toen ging de tv aan en was iedereen het allemaal weer vergeten gelukkig. De redding is altijd nabij, natuurlijk. Zo zie je maar weer. Maar toch moest kuttelientje het ontgelden. De eer te na, wat al dan niet, boven de wolken merkte ze ineens een vreemdsoortig geratteketat aan de linkerzijkant. Ze maakte zich er niet druk om en ging verder met Sudoku. Toen was ze in het paradijs.
Ze kwam tot overstaan van Petrus in een dialoogje terecht, dat we in deze analen zullen opnemen.
Kuttelientje: Ja?
Petrus: Eh, ja. U wilt naar binnen. begrijp ik?
Kuttelientje: Ik? U komt toch naar mij toe?
Petrus: Ehm. Nee, dat is niet zo. Ik sta hier al vrij lang te wachten. U bent er net.
Kuttelientje: Oh. Sorry hoor, ik was even aan het Sudokuen.
Petrus: Dat kan iedereen gebeuren.
Kuttelientje: Wat bedoelt u daarmee?
Petrus: U bent verontschuldigt.
Kuttelientje: Oh fijn zeg. U ook. Of dat zeg ik nou wel, maar nee, verdomme, u bent helemaal niet verontschuldigd. Wat doe ik hier? Wat is dit? Waarom ben ik hier? Wie ben u, godverdomme?
Petrus: Godslasterares! Zap! Zie hier! Tuig! U vliegt naar onderen!
Kuttelientje: Ja zeg kwaad worden kan ik ook. Leg me nu eerst maar eens uit wie u bent, en waarom u tegen mij aan staat te lurken.
Petrus: Wel - alle - dit heb ik nog nooit hoeven slikken. Maar goed ik ben Gods dienaar, zijn schoenlapper blijkbaar, ik zal het eens haarfijn uitleggen. U bent dood. U mag naar de hemel, als ik u binnenlaat. Anders moet u naar de hel. of het vagevuur.
Kuttelientje: Ga toch weg vreemde man. Gluurder. Naarling. Dood. Wat denk je wel?
Petrus: Ja, dood. Kijkt u maar eens om u heen.
Kuttelientje: Ik zie helemaal niets, behalve wat pluizige wolken.
Petrus: Zie je wel! Hahahahaaaaaa zie je lekker wel, nananananaaaana. Wolken, die heb je toch alleen in de doooood, Kuttlelientje.
Kuttelientje: Oh ja, dat is ook zo. Ik word daar wel wat beteuterd van. Ik had nog zulke grootse plannen.
Petrus: Ja en die gaan dus nu NIET door. Neneneneeeeneneeene.
Kuttelientje: Shit zeg. Dat valt tegen.
Petrus: Ja maar het ergste komt nog: misschien moet je wel naar de hellllllll.
Kuttelientje: Oh da's kut. Nou, hoe ontkom ik daaraan?
Petrus: Dan moet je even een dansje voor me doen. Dan zal ik zien of we je kunnen gebruiken in de hemel.
Kuttelientje: Eene dansje? Wat denk je wel schavuit, schoelje, schurk, dat ik een hoer ben?
En toen mocht Kuttelientje maar binnen want ze was geen hoer. Beneden was Henkie nog aan het kijken hoe de brokstukken naar beneden kukelden boven Kirchizie-stad, waar hij woonde. Hij werd er weemoedig van, al dat vuur en die ellende. Het herinnerde hem, aan de oorlog. Toen hij nog een vent was. toen hij nog dagelijks mensen om het leven hielp en daarbij gesteund werd door zijn moraal, die hem van alle kanten opjutte als zegevierde hij in een bomvol olympisch stadion. Maar nu was zijn moraal bedompt, nu moordde hij alleen nog zo nu en dan, als het uitkwam, als het nut had. Dat was toch zo verschirkkelijk, een doodzonde. Het moorden gereduceerd tot iets nuttigs. Een nuts-object. Wat een wereld. Die dagen, dat de dingen nog in hun volle glorie werden ondergaan, zonder dat men zed verder ergens voor nodig had. Het paradijs, was dat. Dat. Dit was nu de hel, zeker. Henkie had plotseling spijt dat hij Kuttelientje in rook had doen opgaan - deze hel was haar verdiende loon. En hij had haar laten wegkomen. Wel verdomme met kutsaus en worstepap. Hij hield er niet van, van dit leven. Hij pleegde maar zelfmoord en liet het daar verder bij. Zijn pitbull had nog een gelukkig leven tot hij in een vuilnisbak aan zijn eind kwam, wat nog een heel verhaal is. Hij zat daar namelijk in, en kon er niet meer uitkomen. Dus ging hij dood. Tsja. Zo gaat dat als je heeeeel erg kut bent.
Hij (Henkie) had hier even niet zo een twee drie een antwoord paraat op, dus hij shurkte wat. Zij schamperde wat in zijn richting en trip trapte het vliegtuigje in. Zonder dat zij het zag wreef Henkie in zijn handen en gniffelde wat. Heh heh heeeeeh. Nu zal ik met mijn radiografisch besturende pitbull dit vliegtuigje eens lekker laten neerstorten boven Kirchiezie-stad, waar ik toch al zo'n hekel aan heb als vakantiebestemming. Twee vliegen in een klap.
Waarom wilde Henkie de dame met de hakjes vermoorden? Dat kwam, omdat zij hem zuurkool gevoerd had, ten overstaan van de buurman, die hij eens had vertelt, over zijn lijk nog geen zuurkool te zullen vreten, wat hem al genoeg hoofdbrekens had bezorgd zonder dat kuttelientje hem ermee kwam opzadelen in de eerste graad - door het spul eens terwijl hij zat te kwijlen door zijn strot te douwen. Hoesten, hoesten dat hij deed! Nee, dan. Dat je zegt. Wat een ranzig gehork. Het hele tapijt lag onder het slijm en het bloed, het leek wel, alsof Henkie zijn longen uit zijn lijf had gehoest. Maar dat was niet zo - het waren gewoon de restanten van zijn vorige maaltijd - paardeworst met paardelul, gekookt in een boerensoepje. Dat kwam er uit, en dat beviel niet zo goed qua kleurschakering en de geur was ook niet helemaal tip-top, maar ja, toen ging de tv aan en was iedereen het allemaal weer vergeten gelukkig. De redding is altijd nabij, natuurlijk. Zo zie je maar weer. Maar toch moest kuttelientje het ontgelden. De eer te na, wat al dan niet, boven de wolken merkte ze ineens een vreemdsoortig geratteketat aan de linkerzijkant. Ze maakte zich er niet druk om en ging verder met Sudoku. Toen was ze in het paradijs.
Ze kwam tot overstaan van Petrus in een dialoogje terecht, dat we in deze analen zullen opnemen.
Kuttelientje: Ja?
Petrus: Eh, ja. U wilt naar binnen. begrijp ik?
Kuttelientje: Ik? U komt toch naar mij toe?
Petrus: Ehm. Nee, dat is niet zo. Ik sta hier al vrij lang te wachten. U bent er net.
Kuttelientje: Oh. Sorry hoor, ik was even aan het Sudokuen.
Petrus: Dat kan iedereen gebeuren.
Kuttelientje: Wat bedoelt u daarmee?
Petrus: U bent verontschuldigt.
Kuttelientje: Oh fijn zeg. U ook. Of dat zeg ik nou wel, maar nee, verdomme, u bent helemaal niet verontschuldigd. Wat doe ik hier? Wat is dit? Waarom ben ik hier? Wie ben u, godverdomme?
Petrus: Godslasterares! Zap! Zie hier! Tuig! U vliegt naar onderen!
Kuttelientje: Ja zeg kwaad worden kan ik ook. Leg me nu eerst maar eens uit wie u bent, en waarom u tegen mij aan staat te lurken.
Petrus: Wel - alle - dit heb ik nog nooit hoeven slikken. Maar goed ik ben Gods dienaar, zijn schoenlapper blijkbaar, ik zal het eens haarfijn uitleggen. U bent dood. U mag naar de hemel, als ik u binnenlaat. Anders moet u naar de hel. of het vagevuur.
Kuttelientje: Ga toch weg vreemde man. Gluurder. Naarling. Dood. Wat denk je wel?
Petrus: Ja, dood. Kijkt u maar eens om u heen.
Kuttelientje: Ik zie helemaal niets, behalve wat pluizige wolken.
Petrus: Zie je wel! Hahahahaaaaaa zie je lekker wel, nananananaaaana. Wolken, die heb je toch alleen in de doooood, Kuttlelientje.
Kuttelientje: Oh ja, dat is ook zo. Ik word daar wel wat beteuterd van. Ik had nog zulke grootse plannen.
Petrus: Ja en die gaan dus nu NIET door. Neneneneeeeneneeene.
Kuttelientje: Shit zeg. Dat valt tegen.
Petrus: Ja maar het ergste komt nog: misschien moet je wel naar de hellllllll.
Kuttelientje: Oh da's kut. Nou, hoe ontkom ik daaraan?
Petrus: Dan moet je even een dansje voor me doen. Dan zal ik zien of we je kunnen gebruiken in de hemel.
Kuttelientje: Eene dansje? Wat denk je wel schavuit, schoelje, schurk, dat ik een hoer ben?
En toen mocht Kuttelientje maar binnen want ze was geen hoer. Beneden was Henkie nog aan het kijken hoe de brokstukken naar beneden kukelden boven Kirchizie-stad, waar hij woonde. Hij werd er weemoedig van, al dat vuur en die ellende. Het herinnerde hem, aan de oorlog. Toen hij nog een vent was. toen hij nog dagelijks mensen om het leven hielp en daarbij gesteund werd door zijn moraal, die hem van alle kanten opjutte als zegevierde hij in een bomvol olympisch stadion. Maar nu was zijn moraal bedompt, nu moordde hij alleen nog zo nu en dan, als het uitkwam, als het nut had. Dat was toch zo verschirkkelijk, een doodzonde. Het moorden gereduceerd tot iets nuttigs. Een nuts-object. Wat een wereld. Die dagen, dat de dingen nog in hun volle glorie werden ondergaan, zonder dat men zed verder ergens voor nodig had. Het paradijs, was dat. Dat. Dit was nu de hel, zeker. Henkie had plotseling spijt dat hij Kuttelientje in rook had doen opgaan - deze hel was haar verdiende loon. En hij had haar laten wegkomen. Wel verdomme met kutsaus en worstepap. Hij hield er niet van, van dit leven. Hij pleegde maar zelfmoord en liet het daar verder bij. Zijn pitbull had nog een gelukkig leven tot hij in een vuilnisbak aan zijn eind kwam, wat nog een heel verhaal is. Hij zat daar namelijk in, en kon er niet meer uitkomen. Dus ging hij dood. Tsja. Zo gaat dat als je heeeeel erg kut bent.
Subscribe to:
Posts (Atom)
Blog Archive
-
▼
2010
(46)
-
▼
May
(10)
- STOMMELINGEN!POTSIERLIJKE HANSWORSTEN!RADIKALE PEE...
- 2 3
- Kanarie Met Gesloten Vizier
- Mais je reve tout a coup, au soudain par hasard, c...
- En toen Harrie aangekomen was bij de stekelige bru...
- And in the temple, where -one sits or stands, no m...
- the crooked and narrow road
- De dwarsbedoeling van mijn bedoeling was niet de b...
- Zo jongens! Zei de leraar gemaakt - opgewekt, zijn...
- lutter
-
▼
May
(10)
