Een meisje met donkere haar, gekruld viel het over haar schouders, zat belleblazend met roze smak-kauwgom uit het raam te staren, haar machinegeweer in haar armen als een pasgeboren baby. Het wapen was haar enige houvast, het enige vertrouwde, nu ze de weg af, het stof van de woestijn in reden.
Een paar bedoeinehutten, glimpen ervan ving ze op door het opwaaiende zand, en misschien een aantal vrouwen, in zwarte sari's, met manden op hun hoofd. Toen weer, voor uren lang niets dan zand. Witheet zand, en withete rotsen met scherpe kammen tegen een branded felle hemel. Af en toe wierp ze een blik op die hemel. Zou George zich daar nu werkelijk bevinden? Hoe moest ze zich dat voorstellen? Het zag er kaal uit, daarboven, zo mogelijk nog kaler dan hier, beneden. Ze hield haar geweer dichter tegen zich aan, ging met haar vingers langs de koele buizen, randen en hoeken, een universumpje voor haarzelf, waarbij ze wist dat ze veilig was.
Iedereen om haar heen was er tegen, wapens zijn slecht, en tegen de muur, en tegen de oorlog en tegen het land met zijn leider. Zij kon de verontwaardiging niet opbrengen. De wereld was koud en vreemd, hoe heet het er ook kon worden. Ze wist niet waar het heen ging, dit leven, alleen waar het vandaan kwam. Uit kille kamers vol hartstochtelijke wreedheid, door berekenende diplomatie naar kusten vol messentrekkende vaders van kinderen die nu kinderen hadden die zich opbliezen, via bloederige gevechten met bajonetten op uitgedroogde pestakkerjes naar dit land, dit kleine beschavinkje, in het midden van de grote hel waar ooit onze wereld uit ontstond, als ze de boeken en de hoge heren moest geloven. Waaruit moest ze opmaken, dat de wereld van liefde aan elkaar hing? Ze was blij dat ze de kibbutz verliet, dat ze af was van de gesprekken tot diep in de nacht, de waterpijpen, het warme bier, de kampvuren. Ze had zich zitten opvreten, met geen woord durfde ze te spreken over wat haar dwars zat. Nu kwam het er op aan, nu deden woorden er niet meer toe. Ze glimlachte, en liet de greep op haar geweer wat ontspannen. Het instrument lag nu comfortabel in haar handen, gereed om te worden ingezet. Ze wist dat het goed was. Liefde kende zij ook, die lag in de kolf van haar geweer. De handgreep van het lot. Het recht, door haar regering verstrekt, zich te verdedigen tegen de barre, willekeurige en onvoorstelbaar domme wendingen van het lot. Want dat lot had ze zien toeslaan, keer op keer, en als ze een ding wist was het dit: het lot, als je het uit je hand laat glippen, is liefdeloos, wreed en redeloos. Een keer had ze geprobeerd dit uit te leggen, aan drie Australische jongens, rond een van de kampvuren bij de barakken voor de vrijwilligers. Ze waren lachend opgestaan, op zoek naar het volgende meisje. Daarna was het niet meer nodig geweest om haarzelf te overtuigen, en geduldig had ze gewacht op het begin van haar diensttijd. Nu was ze zover, en reed ze de leegte in. De lege hitte, waar ze wist dat de echte wereld begon.
Friday, July 30, 2010
Saturday, July 24, 2010
Laguiole
Het schip stoomt op, recht af op de brakke kusten van de roem-deemoed, de schuld plaveiende breek-macht der storm-woed-kering. Het zeil bolt, de zon priemt door het hoofd van "de Kappie" de rots-touw knagende wereldtrotseerder, aan het want gekluisterd met zijn slaven onder zijn voeten en zijn blik op oneindig. De redeloze tartarenhorde stevent af, onder gedonder van weergaloze nachtmerriehoeven, op het niets, waar de gedachte zich heeft genesteld, als een pijl in een rots waarop hij weigerde af te ketsen, en zo het niets heeft doen barsten, inwendig, en in dat inwendige sporen van een iets heeft bewerkstelligd. "De draak", die het niet kon, maar dat niet wist en het heeft gedaan, vliegt boven het schip. In het kraaienest staat een vrouw met vuurrode haren die de wind rukt en grijpt, zodat ze als de vlam van een toorts boven op het schop de hemel waarschuwen niet naar beneden te vallen, als hij niet wil verbranden.
Het schip meert aan, de wind gaat liggen, de kusten zijn bereikt. Wat rest is de beifstuk, aan tafel gesneden met het juiste mes, van de juiste plaats zonder kartels en inscripties.
Op weg naar de heilige plaats was hij, steeds, dwalend, schalend, balend, want steeds droeg alles dat schoon was en mooi en puur en dat zijn hart stal, een andere naam dan de Heilige. Zo kwam het hem voor, dat voorts op zijn weg landen nog mooier moesten worden, al kon hij zich dat nauwelijks voorstellen. En zo verging het hem al die tijd. En hij genoot maar hij wist het niet. En de bloemen waren paars en geel, de rotsen grijs, en de rest was blauw en groen - Hemel en Aarde.
Het vuur brandt hier op Aarde in onberispelijke cirkels - de torens reiken omhoog, trots en bescheiden. Ze weten dat ze nooit de sterren kunnen pakken, ook zij zijn hier gebonden aan het vuur, het mors, het mos, ook zij vergaan tot stof - wat een voorrecht is, iets dat de sterren nooit zullen bereiken.
De schoonheid verbleekt bij het geluid, de mug zoemt, de steen kraakt onhoorbaar - erbinnenin gebeuren dingen, die zich niet laten vertellen, die verborgen zijn en blijven en altijd zijn geweest. De zon brandt op onze huid, op de vleugels van de vogels en geeft hun stemmen, draagt hen mee op zijn licht, zijn lucht, zijn blauwe kleur, hier boven de aarde. Ons stulpje in de galactische puinhopen die rondtollen als een gigantische vuilnisbelt om het zwarte gat waar alles uitenndelijk in wordt opgeslokt. - Maar geen zaak om ons druk om te maken. We bestaan, en dat is ons lief. We nemen ene omweg naar de dood - de allerwijsten nemen de meest kronkelende paadjes, want niet alleen eerlijk duurt het langst, vooral ook verbazing, verwondering en totale ontreddering. Controle is een goede zaak, maar waarover? Controle over een rechte lijn, dat is een stompzin, dat kan elke kleun. Controle over afwijking, deviatie, vreemdheid en stoornis, daarin ligt meesterschap en levenskunst.
Het schip meert aan, de wind gaat liggen, de kusten zijn bereikt. Wat rest is de beifstuk, aan tafel gesneden met het juiste mes, van de juiste plaats zonder kartels en inscripties.
Op weg naar de heilige plaats was hij, steeds, dwalend, schalend, balend, want steeds droeg alles dat schoon was en mooi en puur en dat zijn hart stal, een andere naam dan de Heilige. Zo kwam het hem voor, dat voorts op zijn weg landen nog mooier moesten worden, al kon hij zich dat nauwelijks voorstellen. En zo verging het hem al die tijd. En hij genoot maar hij wist het niet. En de bloemen waren paars en geel, de rotsen grijs, en de rest was blauw en groen - Hemel en Aarde.
Het vuur brandt hier op Aarde in onberispelijke cirkels - de torens reiken omhoog, trots en bescheiden. Ze weten dat ze nooit de sterren kunnen pakken, ook zij zijn hier gebonden aan het vuur, het mors, het mos, ook zij vergaan tot stof - wat een voorrecht is, iets dat de sterren nooit zullen bereiken.
De schoonheid verbleekt bij het geluid, de mug zoemt, de steen kraakt onhoorbaar - erbinnenin gebeuren dingen, die zich niet laten vertellen, die verborgen zijn en blijven en altijd zijn geweest. De zon brandt op onze huid, op de vleugels van de vogels en geeft hun stemmen, draagt hen mee op zijn licht, zijn lucht, zijn blauwe kleur, hier boven de aarde. Ons stulpje in de galactische puinhopen die rondtollen als een gigantische vuilnisbelt om het zwarte gat waar alles uitenndelijk in wordt opgeslokt. - Maar geen zaak om ons druk om te maken. We bestaan, en dat is ons lief. We nemen ene omweg naar de dood - de allerwijsten nemen de meest kronkelende paadjes, want niet alleen eerlijk duurt het langst, vooral ook verbazing, verwondering en totale ontreddering. Controle is een goede zaak, maar waarover? Controle over een rechte lijn, dat is een stompzin, dat kan elke kleun. Controle over afwijking, deviatie, vreemdheid en stoornis, daarin ligt meesterschap en levenskunst.
Thursday, July 22, 2010
Roger Rabbit
Het zit niet mee en het ziit niet tegen. Het zit gewoon niet en dat zit niet lekker. Ik zit, maar ik dans rond en ik ren, en ik buig en strek, voorover, halfoverslag, overstag en dan dag met je handje, dat was weer een dag. Maar wat doe ik ondertussen? Ik zit, ik sta, ik wentel en tol, maar ik doe dit niet voor m'n lol! Toch ben ik lui. Als een uil overdag zit ik in mijn kuil en huil. Ach ja en ik lieg, dat kan er ook nog wel bij. Wat is er te doen? Wat is er te geven? Wat is er te menen? Wat is er - te delen? Dit rijmen begint me in ieder geval te vervelen. Heel veel levens krakelen om eten maar ik zit hier maar te breken en meten. Wat doe ik? Wat is dit? Waarom? Is er een reden? Of is er alleen - een oorzaak? En die oorzaak, die oerzaak, wat een zak wat een ploert wat een boer. Geen geloel.
Monday, July 5, 2010
grote bergen steen. Ze glijden, rollen langzaam naar omlaag, de groene helling af, en laten daarbij ravage achter in hun spoor. De helling zal zich herstellen, als het weer mee zit. Als het niet regent, en de aarde geen modder wordt. Maar de stenen zijn ondertussen beneden aangeland en komen verspreid te liggen, en worden in de jaren die volgen overwoekerd door de uitbundig aanwezige vegetatie. Zo ontstaat er een vreemd heuveltje, met woeste planten en verraderlijke kloven voor wie de beklimming waagt.
Subscribe to:
Posts (Atom)
