Toen ze wakker werd was de dag al, godverdomme, helemaal op gang gekomen. Te laat. Gemist. Verpest. Kut. Dag weg. Eigenlijk wil ze weer naar bed. Het heeft toch geen zin meer. Maar iets weerhoud haar - misschien dat ze echt niet meer moe is - en ze loopt de houten wenteltrap af, naar de huiskamer, en bakt een ei. Gadverdamme. Bruine randen. Ze kiepert het mislukte maal in de vuilnsbak, die nodig geleegd moet worden. Opgetogen trekt ze de zak eruit en stommelt, in haar pijama, naar buiten. De zon priemt in haar ogen. Het harde "klang!" waarmee de afvalcontainer de zak opslokt breng haar bij de les. Ze is wakker. De wereld is goed, okee met haar. Ze heeft een rol, want vanavond is het feest. Yes! Ze ruikt aan haar handen - gedverdemme. Snel wassen. En douchen, maar meteen. Wat een traktatie. Als ze zich afboendert en haar handdoel om haar hoofd knoopt wordt ze weer moe. Ze gaat zitten op een van de barkrukken - vet hip, goed uitgezocht, en bladert wat door de Ikea gids. Pastelkleuren, Bah. Ze schuift de glossy brochure van het houten blad, de bar van haar inloopkeuken, af, zodat hij kreukelend op de vloer valt. De DVD speler gaat aan, seizoen 4 van The Sopranos.
Het is een paar uur later. Het namiddaglicht onstemt haar, dwingt haar naar buiten, voor de dag weg is. Ze doet een jurkje aan, en meteen weer uit, maar niet voor dat ze even heeft gedanst. Vanavond. Nu nog even niet, nu nog even voor mezelf. In mezelf, tot mezel, bij mezelf... koffie met een tijdschrift.
2.
De Alleenheerser staat voor de spiegel en bewondert zichelf. Gefascineerd door de pure schoonheid van zijn fonkelende groene irissen, in zijn al zo vroeg gegroefde gezicht, pakt hij de tandpasta van het marmer en grijnst zijn tanden bloot. Een rilling van genot trekt door hem heen. Fanatiek en achteloos borstelt hij zijn gebit en spuugt in de wasbak. Zonder zijn mond te spoelen kijkt hij weer op, in de reflectie, en ziet zichzelf loeren. Hij grijnst, hij is klaar voor de avond. Altijd klaar. Maar de wereld. Die laat het meestal afweten. Geeft niet. Als hij zijn plicht maar doet, en danst.
3.
De avond valt en de nacht komt naderbij. Ze voelt hem hangen zwoel en roze. Hmmm... Lekker is het juiste woord. Nu hopen dat er iemand zal zijn die haar avond compleet maakt. Het houdt maar niet op met de koffie - ze moet zolangzamerhand gaan overschakelen op wijn. Maar nog even, nog eentje. Even lekker achterover zitten. Met lectuur, met glossy bladzijden, waartegen haar gelakte nagels een mooi zacht contrast vormen. Esthetiek, van het lichaam en van het leven. De kustvorm van het zijn. Daar is ze in bedreven, daar wil ze nog bedrevener in worden. Ze staat op en betaalt. In een opwelling. Lekker is dat, als je dat gebeurt. Als je niet hoeft te beslissen, maar het gewoon doet, als het je, bij wijze van, overkomt. Niet letterlijk natuurlijk, ze houdt de touwtjes stevig in handen. Dit is een mannenwereld op papier, maar iedereen weet dat het anders is. Iedereen hier, in deze mooie stad. Ergens anders op de wereld, op zo'n achterlijke plaats in de woestijn of in het oerwoud, waar vrouwen zich bedekken of mannen in rokjes lopen, daar natuurlijk niet - maar die plekken doen er niet toe. Het leven is hier, in Amsterdam, het centrum van de moderne wereld. Iedereen wil hier zijn, en zij kent de stad van buiten.
Ooit is ze hier komen wonen als studente - al zo lang geleden, minstens vier jaar, ze kan zich de tijd daarvoor nauwelijks herinneren! Al dat getut, met de boerderij, dat was niet haar - ze had zichzelf nog niet ontdekt. Een grote ontdekkingsreis was haar studie, van de meest fijne plekjes, in de stad - en, ze glimlacht bij de gedachte, ook van meer persoonlijke plekjes... ze rekent af en geeft een kleine fooi, tien cent, aan het meisje achter de mahoniehouten, gladgepolijste bar. De gozer die haar net bediende is niet meer te bekennen - jammer, hij vond haar volgens haar wel aantrekelijk. Ze blijft nog even dralen, maar hij is er echt niet meer. Ze heeft hem niet zien gaan - echt niet dat ze daar op let. Het tijdschrift was zo interessant! Zo luchtig geschreven! Net zo luchtig fluttert ze de brasserie uit en klikt haar hakken gelukzalig de avond in. Alle posters aan de muur gaan aan haar voorbij, ze laat zich niet afleiden! Het geluk is te dichtbij, te belangrijk. Zal ze een taxi nemen? Wel sjiek. Of pakt ze de fiets? Dat heeft ook wel weer stijl. En toch ook weer niet. Wat een paradox! Het leven is zo diep, als je er over nadenkt. Ze studeert, mensenstudies, maar denk maar niet dat je daar echt iets leert. Al die boeken, geschreven door oude mannen, het leven zelf leert haar zoveel meer. Natuurlijk haalt ze haar tentamens, ze is razend slim. Ze had een acht voor wiskunde en een tien voor economie. Er is niets dat haar tegenhoudt, behalve zijzelf. Haar bescheiden verwachtingen, haar opgelegd door haar achtergrond. Eigenlijk heeft ze een culturele achterstand, maar die is ze aan het overwinnen, elke dag, op eigen kracht! De gedachte aan haar ouders doet haar even haar geluk vergeten, de nevel van de stad, de roze oranje kleuren, de etalages en de lonkende avond - ze is terug bij het veld voor het huis, de geur van gemaaid gras, haar broer die tegen haar schreeuwt vanaf het dak, en haar moeder door het keukenraam. Het was daar niet slecht! Ze moet even huilen. Ook daar geniet ze een beetje van. Het leven is zo rijk. Al die verschillen. Maar toch doet het pijn. Stom! Ze schopt een beetje tegen de stoeptegels en belooft zichzelf dat ze snel haar ouders weer gaat opzoeken. En dan neemt ze een cadeautje mee, een heel mooi caudeautje, hier uit de stad. Iets wat ze blij op de tafel zetten, en waarbij ze aan haar denken en weten dat ze het goed heeft, hun dochter. Dat ze zich geen zorgen hoeven maken, en dat alles okee is. Plotseling ziet ze een jongen en slaat haar ogen neer. Snel kijkt ze naar zichzelf, en dan in de verte. Onverschillig loopt ze door, maar hij kijkt niet naar haar. Godverdomme, het was het verdriet, het verdriet van thuis. Dat is niet sexy.
4.
Behoedzaam, uiterst behoedzaam glijdt hij van de trap af en slipt naar buiten. Kijkt om zich heen. Niemand te zien. Glanzend blauw van zijn gewaad, kleurt bij de nacht die straks vallen gaat. Op de toekomst ingespeeld, uitdagend en verwelkomend, het lot. De ogen stellen scherp, als een slang, vleugels van zijn geest slaan uit als een draak - een machtig creatuur, dat nu naar de Albert Heijn moet om iets te eten te halen. Het geglazuurde blauw wit van de winkel omringt hem met de koele zoem van de verlichting, het ziekenhuisachtige van de vaderlandse voedselindustrie, die hem zo bevalt, en toch zo beklemt. Overpeinzingen. Mooie vrouwen winkelend voor wijn. Op zijn hoede, noten en vlees, brandstof. Kassa, hoofddoekjes, raadsels achter donkere ogen. De bloemen bij de uitgang, hij ruikt er even aan. De zwerver bij de deur, de wachter bij de ziel - huren ze die man in, om hun opulentie te adverteren? Het contrast tussen wel en niet hebben? De Albert Heijn, het summum van het kapitalistische succes, en niet eens cynisch - ware het niet voor die zwerver, de kleur van zijn baard, en zijn structurele positie daar, bevestigend en betekenend, honger lijdend en bedelend, Jezus wat een bestaan. Hij geeft hem een euro en heeft daar spijt van. Wat een klootzak. Rot op bij die deur. Hij wil hem vermoorden, hem uit zijn lijden verlossen. En zijn euro terugpakken. Maar al dat gebeurt niet, want hij is verder gelopen, zijn gewaad wapperend in het lentebriesje, waar hij plotseling weer van geniet, als de zwerver verdwijnt uit zijn gedachten. De dag is nog jong, al loopt hij ten einde, en hij blijft jong, daar zal de draak wel voor zorgen. Sappig en nieuw, alles is vers, kleine druppels dauw, blij gegil uit een zijstraat, en achterop een fiets komt een schoonheid voorbij. De dans is volmaakt, elk moment grijpt hij aan, hij wandelt naar huis en komt aan, elke stap. Totdat de deur voor hem opdoemt, en hij zich insluit in kaders, kamers, muren, gangen en deuren, die, doordat hij ze kent, zo goed als zichzelf, geen substantie meer hebben. Er is alleen oppervlak, elke diepte is donker. Er is alleen licht, flinterdun, patronen op de vleugels van een vlinder die ontglipt, en elke greep erop is een gebaar, in een taal die we niet spreken. Verdomme wat smaken die noten goed. Jezus wat is dat vlees sappig. De lente is eeuwig, niets anders bestaat.
Monday, March 22, 2010
Saturday, March 20, 2010
komt tot uzelf
De wereld klapt achterover as een sigaar,
rendement tot zelfs terug tot ik, hier
dientengevolge, zuiver, zoveel, acht
evenentwintig, nee maar! Messieu!
Kom tot de bomen, onachtzaam, ik
lopen, dreigen, keren, malen en wenen
kom tot mij, kom tot u, kom tot
ja waar, nee dus, je weet het
ik richt me op en stel terzake de regelingen
droegmater, trotsvader, remmeden
komt tot u maar nee maar ja je weet
het is hier, en niet verder
komt tot uzelf
rendement tot zelfs terug tot ik, hier
dientengevolge, zuiver, zoveel, acht
evenentwintig, nee maar! Messieu!
Kom tot de bomen, onachtzaam, ik
lopen, dreigen, keren, malen en wenen
kom tot mij, kom tot u, kom tot
ja waar, nee dus, je weet het
ik richt me op en stel terzake de regelingen
droegmater, trotsvader, remmeden
komt tot u maar nee maar ja je weet
het is hier, en niet verder
komt tot uzelf
Sunday, March 7, 2010
terugkomst
De kladderadatsj breekt aan over de huizen van het burgergerecht
De zevende hemel sluipt terug ergens over de bergen
Een foto van de Held van de Tijd vat vlam
Een eend in een bosmeer, alleen, op glinsterend water
Verdomme! Proclameert de terugkomst, struikelend
De tergende zekerheid komt op zichzelf terug
keer op keer opnieuw
en stelt zichzelf tergende vragen
knagend aan de graten die over zijn van zijn ziel
O zekerheid, ga slapen
ben je niet te moe
veel te moe om nog te bestaan
maar de zekerheid is doof
zijn gehoor is gesleten
hij bestaat omdat hij het niet in zich heeft
te sterven
Ja het bestaan, als je uit het raam kijkt
Dwaze arend
Ik hou van je zo dom als je bent
zo als je gezicht glinstert en glanst
in mijn nachtelijke nachtmerries
en mijn dagelijkse gedachten
Ik ben niet bij je, dat weet ik
maar jij bent altijd bij mij,
blauwe capedrager,
die uit het raam is gesprongen
en nooit meer vliegen zal
o de misten en de vage nevels
sprankelend met goud
flonkerend, glinsterend, al dat
al dat wat nu voorbij is
voor jou, en waarvan ik
nog droom elk moment
Op aarde groeit nu een boom
je weet wel, daar
die vervloekte, aangetaste plek
ik heb er rebellen neergezet
bevroren in hun tegenstand
te verdragen is het zeker
net als het leven
het passeer me, raakt me aan
stoort me in mijn slaap
en prikkelt me onaangenaam
In de verwrongen taveernes
in het holst van de stad
daar leef je voort als vermoeden
van een kronkelende waakzaamheid
die versaagt
zichzelf in de gaten te houden
De demonen aan je beide zijden
lachende hyenas
ze schuimbekken nog in deze bossen
waar al het wild is verjaagd.
De hemel barst open
bliksemstralen donderen neer
en dan sluit de hemel zich weer
en sta ik in de regen
zonder ooit nog iets te voelen
behalve druppels langs mijn gezicht.
De zevende hemel sluipt terug ergens over de bergen
Een foto van de Held van de Tijd vat vlam
Een eend in een bosmeer, alleen, op glinsterend water
Verdomme! Proclameert de terugkomst, struikelend
De tergende zekerheid komt op zichzelf terug
keer op keer opnieuw
en stelt zichzelf tergende vragen
knagend aan de graten die over zijn van zijn ziel
O zekerheid, ga slapen
ben je niet te moe
veel te moe om nog te bestaan
maar de zekerheid is doof
zijn gehoor is gesleten
hij bestaat omdat hij het niet in zich heeft
te sterven
Ja het bestaan, als je uit het raam kijkt
Dwaze arend
Ik hou van je zo dom als je bent
zo als je gezicht glinstert en glanst
in mijn nachtelijke nachtmerries
en mijn dagelijkse gedachten
Ik ben niet bij je, dat weet ik
maar jij bent altijd bij mij,
blauwe capedrager,
die uit het raam is gesprongen
en nooit meer vliegen zal
o de misten en de vage nevels
sprankelend met goud
flonkerend, glinsterend, al dat
al dat wat nu voorbij is
voor jou, en waarvan ik
nog droom elk moment
Op aarde groeit nu een boom
je weet wel, daar
die vervloekte, aangetaste plek
ik heb er rebellen neergezet
bevroren in hun tegenstand
te verdragen is het zeker
net als het leven
het passeer me, raakt me aan
stoort me in mijn slaap
en prikkelt me onaangenaam
In de verwrongen taveernes
in het holst van de stad
daar leef je voort als vermoeden
van een kronkelende waakzaamheid
die versaagt
zichzelf in de gaten te houden
De demonen aan je beide zijden
lachende hyenas
ze schuimbekken nog in deze bossen
waar al het wild is verjaagd.
De hemel barst open
bliksemstralen donderen neer
en dan sluit de hemel zich weer
en sta ik in de regen
zonder ooit nog iets te voelen
behalve druppels langs mijn gezicht.
Subscribe to:
Posts (Atom)
