Tuesday, August 16, 2011

1. De Jongeling

Wijze man! Sprak de jongeling op klaaglijke toon indringend aan de Vorst, die hem genadig gezind was. Hoeder van Uw Volk, beschermeling van het Noodlot! Als uw hart niet van steen is, koud als de rotsen in het Noorden die veel te verduren hebben van de wrede zee, gekoeld door scherpe winden en de haat van de Zeedemonen, antwoord mij dan met uw machtige stem, O mannen aansporende geweldenaar! Want ik vraag u open en bloot, zonder de roerselen van mijn hart voor u te verbergen: heeft U gezien, waar mijn vriend is heengegaan, de Godgelijke dichter die zowel de beste soldaten van de baardige volkeren in het Oosten schrik aanjoeg met zijn verbrijzelende vuistslag, als met zijn glansrijke liederen de harten verlichtte van zijn vrienden, toen hij nog bij ze was? En de Vorst die hem genadig gezind was werd verscheurd door de twee willen die aan hem hun bevelen oplegden, namelijk die van het hoofd en die van het hart. Maar uiteindelijk koos hij ervoor de wil van zijn hoofd te onderwerpen en sprak hij met zijn hart, en wat hij sprak was de waarheid: Beste jongen die uit een volk uitverkoren werd door de Hemelbarster, ik zeg je eerlijk en uit de grond van mijn hart deze waarheid: jouw vriend heeft zich uit vrije wil bij de mannen gevoegd die uit het Noorden kwamen, en die ijselijke strijdkreten uitstoten wanneer zij aanvallen en voorlinies breken. Ik zeg je diep treurend in mijn hart voor jouw verlies, dat hij zich heeft afgekeerd van de paardenvoedende vlaktes waarop hij werd grootgebracht, en voet heeft gezet richting de stormgodenvererende volkeren die niets vrezen, zelfs niet de dood en het donkere doodslot. En de jongen was verbijsterd en hij verstarde in zijn hart toen hij dit hoorde en het werd hem zwart voor de ogen en hij wenste dat de rotsensplijtende lotsbepaler hem het leven zou ontnemen met een genadige blikseminslag. Maar toen maakte een of andere God dat er een vuur ontbrandde in zijn middenrif en hij gaf vleugels aan zijn woorden: Maar als dit waar is, Koning en hoeder van het volk dat u terecht vereert want u bent rechtvaardig en verkiest nooit zomaar de één boven de ander maar u heeft altijd een goede reden voor uw oordeel, zoveel is mij wel bekend, en ik twijfel er niet aan dat wat u zegt de waarheid is, ook al is die wreed en stroomt hij over uw lippen op de adem vanuit uw middenrif zoals de mannenvertwijfelende lotsbepaler de schepen teistert van hen die huiswaarts willen keren maar die tegen hun wil van hun huis worden verdreven, dan zal ik mijn moed verzamelen en mijn vrienden bijeenbrengen voor een offermaaltijd aan de onsterfelijke Goden die strenge regels stellen en altijd goed opletten of de mensen hen wel correct vereren, en dan zal ik het malste stuk vlees van mijn beste schaap verbranden en ik pleng de zoete wijn samen met mijn beste vrienden om de Goden gunstig te stemmen want geen sterveling slaagt erin zijn doel te bereiken zonder goeddunken van de Goden, en ik zal afreizen naar het noorden! En diep in zijn hart was de Vorst die de jongen genadig gezind was verrukt over dit voornemen want hij vermoedde, dat de alleswetende Goden dit alles hadden voorzien en al plannen beraamden om de tocht van de jongen tot een succes te maken zonder hem ten prooi te laten vallen aan de akelig huilende wolven in de schaduwwerpende wouden met de goedverborgen wegen, en hem een weerzien met zijn vriend wilden gunnen. En zij nuttigden met veel smaak het vlees dat hen op gouden schalen werd aangereikt door prachtige slaven met glanzende donkere huid en zij offerden zorgvuldig en toen dronken ze de zoete wijn en met elke slok werden hun zorgen minder, want zij dronken zich de moed van de Goden in, die over alles heersen en geen vrees kennen.


Saturday, August 6, 2011

G-strijder

Limiet
Groots en Zacht
krampachtig en machtig
mysterieus en dames-achtig
vierkant, weerbarstig
kartelig,

de bard wacht af
tot het
breed toegejuichte openingsschot

de signalen flakkeren
de doodsmoed is terzijde
de springplank is gehesen

Wie nu predikt zal verdwijnen
wie nu aarzelt zal verdoemen
wie nu deelneemt zal beslissen
wie nu kantelt zal branden
wie luistert naar de kraaien
gaat naar de haaien
wie zaait in gronden
likt oude wonden
wie zich verzet
die wordt geplet
wie overgeeft
die overleeft
wie groeit
die boeit
wie lapt
die papt
aan met de kraan
op de justrein

Aan de doofpot geluisterd

Er was eens een paard in de skilift en toen was het aan het regenen, dikke langzame droppen op het plexiglas en de paardebek keek zeggingsloos naar buiten, toen de bomen voorlangs gleden en hij zijn afdaling anticiperend op zijn dooie akkertje niets zat te doen, denken of ook maar vermoeden, hij was gewoon een vaag beeld in iemands hoofd die een beeld is in iemands hoofd die nu een beeld heeft van zichzelf - en de dikke droppels regenden Dik Trom op zijn bolle buikje en sloegen hem termaals drie keer in 's gelaats. Zo kwam hij op de zwarte tegels terecht, en stierf een onnodig doodje, nog voor dat hij zijn croissantje had kunnen verorberen. De garnalen dfie avond smaakten Mietje niet, al wist zen van niks over Dik Troms duistere doodslot want er werd alleen maar over gefluisterd in de doofpot.

Het Luchtkasteel

Het wordt nu lichter buiten
Lichter dan ooit
nooit meer te nimmer
zo licht op dit uur
van de nacht

Ik wil niet dit krijsen der moleculen
dit weerbarstig ontwaken
kraken, knersen, driemaal neen!
de auto raast
hij is... onwelkom
een scooter -
de hele dag is kapot.
van binnen warm licht
tegen dat - tekstiel
tussen mij en de dag die
hier
is
nu
en
ik
wacht op de tekenen van de Heilige Eland met het Geheimzinnige Gewei.

In April leggen de kippen de goudste eieren
in de sterfelijkheidsbenoemer rent de stuurman naar dek
zinnen om een gulden snede raken kant noch wal maar
zijn die dekselse bliksem nog niet kwijt.

Vlag vaandel wapper

Het grootschalige gevecht
van optellend lijden tegen de machine
verbindt de mensen met wil
te staan als bewust

Boek tm

vuur in steden
op dit moment
afgrijselijk
wat doe ik?

ik wacht berustend
tot tijden die komen
volgende week
over een week

ik drink een glas melk
ik ga naar de wc
ik wacht
op macht

hier is een deurkruk
daar een platform
hier een glazen wand

hier is een visnet
een stuk touw en een mes

hier is een boek.

Friday, August 5, 2011

de Aardschokker

En toen de schepen vertrokken van de zilte kust ontwaakte ergens, diep in zee, de Aardschokker met de blauwzwarte haren uit een van zijn door nymfen bewoonde dromen. Hij spoedde zich uit zijn groenzwarte vesting diep onder de gladde, windloze spiegel van duisternis, en begaf zich met de vaart van duizend dolfijnen naar de plek, waar de kielen van de schepen zich door zijn wateren kliefden. Al vlug had de Aardschokker door dat het hier niet ging om heiligschenners, maar om wankele wezens die zich dieper in het bestaan wensten te verankeren. En hij liet toe dat ze zijn domein verder binnendrongen, en trof met de gezwinde spoed waartoe alleen een onsterfelijke God in staat is al maatregelen voor hun ontvangst in zijn heiligdom. Hij nam zich voor een schipbreuk veroorzaken nabij de kust van een rotsig, kaal eiland waar men diep moet graven in de eigen krachten, om het er goed vanaf te brengen, en niet vroegtijdig en jammerlijk in de armen te vallen van een of ander donker doodslot. En het plezierde de Aardschokker dat hij zich kon bemoeien met de levens van mensen, want ondanks zijn verachting voor hun zwakte en de ergerniswekkende meelij die de goeden onder hen soms in hem teweegbrachten, had hij in de besten van hun het doorzettingsvermogen lief en vergeleek het soms met de onwrikbaarheid getijden van zijn eigen wereldomarmende rijk. En over de zee viel nu de nacht, en in de holle zwarte schepen ontstaken nu de waaglustige avonturiers enkele fakkels, en vanaf de Olympus keek de Lotsbepaler toe in verwondering, over zoveel moed in zulke zwakke schepselen. En de avonturiers openden twee kruiken met onvermengde wijn - een godendrank - en maakten plengoffers aan de onsterfelijke Goden, en in het bijzonder aan de Aardschokker, niet vermoedend wat die voor hen in petto had...

En een straffe wind stak op toen het ochtend met duizend roze vingers gloorde, en de mannen haasten zich naar de touwen van de goedgeweven zeilen en trokken die strak, zodat de sierlijke schepen, die krom waren van voren en van achter, zich als speren over het wateroppervlak bewogen, tegengehouden door geen sterfelijke kracht.

Tuesday, August 2, 2011

tent zonder grondzeil

Het woord is een grensgebied
de spreker is een reiziger
soms is er controle
nooit een plaatsbewijs

Klimmende slak op nat asfalt
nat krakend hout in een schuur
Vlak meer, heet, muggen en damp
een pad die een vlinder bespiedt

De dichter langs hekken dijken
strijkt strelend langs hun strakke lijn
plots richt hij zijn blik op:
de geslagen bres grijnst hem toe.

het eeuwige sterven de vleugels
ter afwending van het niets
de schuwe kern ontvouwt zich
verscholen in zichzelf

Verheven tot de laatste graad breekt
de maarschalk met zijn wrede blik
maar vingers teder als dauwlicht
dit zandkorreltje in twee

Geweien tegen toornig rood
Hoorns verzamelen in zwart
Ineens, als een striemende zweepslag
tekent de horizon af

Monday, August 1, 2011

Zwarte Kool

Onmogelijk hoog waren de bergen, de berg dan, de berg van as en zwarte kool, groter dan God, groter dan het vliegtuig dat zich in 9/11 boorde, groter dan de linguistische achterstand van een Ezel op een Maanreiziger, groter dan het algehele BLA van de verenigde Staten, groter dan de Dollar, groter dan Afrika, China, Elezier Achmed vond zelfs zijn lul groter dan de woestijn. Maar hij had geen gelijk. De woestijn was groter, en dat wist hij zelf ook. De woesternij, die alles opvrat - ook zijn lul. Achmet was een beetje boos, maar hij vond het ook wel weer terecht. Anders konden er geen anderen zijn. En dat moest toch, anders kon hij er niet zijn, Dus zo was alles ook wel weer opgelost, maar de Woestijn was nog groot en Ledig, en God had nog niet het licht gescheiden van het duister, alhoewel dit spoedig te gebeuren stond wachtte Elezier bekommerd, de maan tegemoet ziend die hem op zijn pad door het niets zou verlichten tot een pad uit het niets, hoopte hij - er waren bizarre tijden op komst voor Elezier Achmed de Woestijndwaler.

Werkelijk, nachten vol lelies en oerzwammen die hem visioenen brachten, krakende bedden in gevangenissen en boze negers, scherpe tanden en klauwen van een vrouwelijk superwezen dat hem tegen de grond probeert te werken met haar ijselijke gemiauw - de gelaatsuitdrukkingen van de maanloze nacht. Zo onschuldig was Achmed dus ook niet, hij had eens op een boot gestaan, nadat hij gemoord had. Er op los in een moeras, hij had zijn verleden daar verwerkt. Zijn verleden in dat rotte dorp, waar hij geboren was als rotte appel, en daarom de macht in handen moest nemen in zijn wereld. Slechtheid moet vergeld worden door de slechte zeif. Dat had hij geleerd - en hij had bewezen, dat wat hij geleerd had de waarheid was door een succesvol zakenman in Ethiopie te worden, en bevriend te raken met de generaals aldaar. Het had hem een paleis opgeleverd vol dienaren en dienaressen, en hier had hij het leven geproefd, dat Guatama zo overvol maakte dat hij Zarathustra's berg af rolde en tegen een boom tot stilstand kwam.

Elezier was echter wat dubbelzinnigers van zins geweest. Eindeloze perikelen in zijn kleutertijd hadden hem ervan overtuigd dat zijn adolescentie nog niet had mogen plaatsvinden. Hier door projecteerde hij voor zichuit een trajectorium van idealen die hem uiteindelijk onsterfelijkheid zouden brengen in de stof. Hij wist al dat hij onsterfelijk was in de ziel, daar hoefde hij niets voor te doen - dat is dus niet interessant, dacht Elezier. Wat raarder is, hier voor mijn voeten, dit vreemd-wezende - dit alles-vertegenwoordige, dit totaal-onintellectuele geheelwezen van het hout, het steen en het dierenrijk, waar wij vanuit overgeschuimd zijn, over de randen van het zijnde zijn wij het vernietigende geworden...

- dit zei Achmed tot zichzelf terwijl hij tegen de berg van as opklom en zich voornam deze as uit te spreiden over de woestijn, en het te laten regenen als de Genadige Zelve. Wij moeten ons een grotere kop vinden. En zo ging Achmed Elezier op zoek naar een kelk, een drager voor de zeeen van geluk en ongehoorzaamheid.

Teller

HTML hit counter - Quick-counter.net