De geest. Wat is dat eigenlijk? Heeft uw wel eens geprobeerd uw geest te volgen? Zijn gangen na te gaan? U zult dan merken dat degene die de gangen van die geest nagaat, deel uitmaakt van diezelfe geest. Dit veroorzaakt een interessante situatie binnenin het hoofd, waar we het verder niet over zullen hebben.
Wat zeker is, is dat geest afstamt van dezelfde stam als Geisser, ofwel bron. De geest is dus een bron. En uit een bron komt iets gespoten, dat ik geestdrift zal noemen. Geesstdrift is datgene wat ons mensen bezig houdt.
Het tegenovergesteld evan geestdrift is verveling. Wat is vervelng? Is verveling wel iets, of is het alleen eengebrek aan geestdrift? Het is in ieder geval vervelend om het erover te hebben, en gaat dus ten koste van mijn geestdrift. En zonder geestdrift kan een mens niet schrijven.
Wat roept geestdrift op uit de geest? Wat blokkeert het? Ik ben van mening dat de geest in principe voortdurend geestdrift produceert, maar dat de mens niet altijd in staat is deze vrij baan ter laten gaan Veel new-age gnostici en andere reiki healers zullen het met mij eens zijn. Zij hebben allen hun methoden om de geestdrift zijn weg te laten vinden. Tegenwoordig zijn er zoveel van dit soort mensen actief, dat men zou kunnen concluderen dat er iets structureel mis is met de geestdrift in de wereld. In andere woorden, men verveelt zich. Oud nieuws, natuurlijk. Een welhaast vervelende statement, zo afgezaagd als hij is. Maar wat wel interessant is, is om deze verveling terug te brengen naar de bron. Onze geest wordt belemmerd om zichzelf te uiten. Er zijn teveel blokkades, om met de reiki healer te spreken. Blokkades die bestaan uit zaken die de geest zelf heeft voortgebracht, dat kan niet anders. Geestdrift zelf heeft dus de blokkade van de geest mogelijk gemaakt. Waarom werkt dit zo? Waarom vloeit niet alles moeiteloos uit zichzelf voort? Alleen deze vraag al is een bewijs dat dit allerminst het geval is.
Wednesday, August 20, 2008
Monday, August 4, 2008
Een mens tussen mensen
Het schip kliefde zwaar door de binnenzee, en A stond met een vergeten peuk tussen zijn lippen tegen een zwaar metalen pijp aangeleund op het achterdek. Hij tuurde over de grauwe baren de verte in, maar zag niets. Zijn gedachten waren verzonken in moerassen van weleer, waar in kolkende gifbellen akelig lege ogen in spierwitte gezichten hem aanstaarden. Zijn slachtoffers. Geslacht had hij ze, maar aan welke godheid hij daarmee offers had gebracht en waarom, dat was hem niet duidelijk. Hij probeerde het te achterhalen, hij groef en groef, zocht in het diepst van de herinneringen die boven wilden komen drijven, maar beweegredenen voor de moorden kon hij tot nu toe niet vinden. Hij had het gewoon gedaan, was 'savonds, enkele uren voor zonsopgang, in zijn Jeep gestapt. In de achterbank lag zijn bruinlederen tas met keukenmessen, onder een reservewiel lag een roestige, dikke ketting en een bijl had hij onder zijn stoel geschoven. Hij had er niet bij nagedacht, voor zover hij zich kon herinneren, hij had de auto gestart en was weggereden van het krot dat hij zo haatte, het krot waarin hij woonde. Nu stond hij hier, later, op de vlucht, op de vlucht ja, maar voor wat? Niemand die hem zocht, niemand die de dood in de bossen van drie jongens en een jonge vrouw met hem in verband bracht, hoe zouden ze dat kunnen? Geen motief, geen dit, geen dat, geen niks. Maar hij vluchtte. Hij had moeten vluchten, ontsnappen, voelde hij, zo zeker als een spijker door een bot, zo scherp was de pijn die hij voelde, die hem voortdreef. Maar nu, op het schip, in de grauwe zee, had hij even rust. Waar die rust vandaan was gekomen, vanwaar die plotseling over hem neer was gedaald, hij had geen idee, en hij wilde het niet weten ook, hij wilde nooit iets weten. Dat deed alleen maar meer pijn, dat knarste in zijn hoofd, als de bankschroeven die jaren lagen te rusten, genesteld in roest, en dan plotseling, met venijnig, afschuwelijk gekraak, ineens losgerukt, de open ruimte in, akelige open ruimte...
Zo stond hij, A, tegen zwaar metaalwerk, peuk, lang uitgegaan tussen zijn gebarsten lippen.
'Meneer... meneer.... Meneer?' Zo schrok hij uit zijn leegte. 'Wat?' Het jongetje sprong weg. Zijn stem had hard geklonken, raspig. Hij realiseerde zich dat hij dagen niet gesproken had. 'Wat wil je?' voegde hij er, zachter, aan toe. 'Ik... ehm, weet u hoe laat het is?' Hoe laat? Nee... hij had Godswerkelijk geen flauw idee hoe laat het was. 'Nee, jongen, sorry. Dat weet ik niet, hoe laat het is...' en zo veronk hij weer in flarden en beelden, van de tijd, de tijd die verstreek, aan het verstrijken was, steeds maar verstreek, ongeacht of iemand zich eraan vastgreep of niet. Mensen waren vrij, zwommen spetterend in meertjes, of niet, anderen zaten gevangen, geketend in natte kleine betonnen cellen, onder smalle raampjes met tralies ervoor die overbodig waren omdat het raampje toch veel te klein was om doorheen te kruipen, behalve misschien als je dun was, heel dun... 'Maar waarom kijkt u niet op uw horloge? Of is het stuk?...''Wat?' hoorde hij zichzelf weer raspen. Het kind was niet geschrokken, nu niet meer, deze keer, nu al gewend aan zijn nare stem, zo snel al... 'Nee, het is niet stuk. Maart ik wil er niet op kijken!' Dat riep hij zomaar, en hij vroeg zich af waarom hij niet op z'n horloge zou willen kijken. Het kind vroeg het zich ook af. Het vroeg het hem. Hij had er geen antwoord op. 'Waarom niet dan?' 'Ik weet het niet! En ga nu weg, jongen!' gebood hij het kind, beslist. Maar het kind was koppig. Stompzinnig... Wist het dan niet... nee, natuurlijk wist het het niet. Kon het dan niet aan zich gezicht zien.... Dat hij slecht was, gevaarlijk? Wacht, hij zou hem helpen. 'Ga weg jongen!' baste hij, en liet zijn tanden zien. Grote ogen zette het kind op. Toen lachte het. Het wees naar hem, spottend, alsof hij een manke teddybeer van een buurmeisje was. Woedend werd hij plotseling, vreselijk kwaad! Hij deed een stap naar het kind, met toegeknepen ogen. Zoef, weg was het kind. Kirrend. Hij vloekte, grof, en ging naar binnen. Daar rook het naar koffie en snoepjes en koekjes. Walgelijk, dit land. Hij haatte het. Hij voelde een vreselijke haat tegen alles in zich opkomen. Hij hield ervan, van die haat, als enige. Het was het enige waarvan hij hield, de haat. Haat, haat, haat! Het maakte hem voldaan, vol, vervuld, voor even, toen was er alleen nog haat.
Zo stond hij, A, tegen zwaar metaalwerk, peuk, lang uitgegaan tussen zijn gebarsten lippen.
'Meneer... meneer.... Meneer?' Zo schrok hij uit zijn leegte. 'Wat?' Het jongetje sprong weg. Zijn stem had hard geklonken, raspig. Hij realiseerde zich dat hij dagen niet gesproken had. 'Wat wil je?' voegde hij er, zachter, aan toe. 'Ik... ehm, weet u hoe laat het is?' Hoe laat? Nee... hij had Godswerkelijk geen flauw idee hoe laat het was. 'Nee, jongen, sorry. Dat weet ik niet, hoe laat het is...' en zo veronk hij weer in flarden en beelden, van de tijd, de tijd die verstreek, aan het verstrijken was, steeds maar verstreek, ongeacht of iemand zich eraan vastgreep of niet. Mensen waren vrij, zwommen spetterend in meertjes, of niet, anderen zaten gevangen, geketend in natte kleine betonnen cellen, onder smalle raampjes met tralies ervoor die overbodig waren omdat het raampje toch veel te klein was om doorheen te kruipen, behalve misschien als je dun was, heel dun... 'Maar waarom kijkt u niet op uw horloge? Of is het stuk?...''Wat?' hoorde hij zichzelf weer raspen. Het kind was niet geschrokken, nu niet meer, deze keer, nu al gewend aan zijn nare stem, zo snel al... 'Nee, het is niet stuk. Maart ik wil er niet op kijken!' Dat riep hij zomaar, en hij vroeg zich af waarom hij niet op z'n horloge zou willen kijken. Het kind vroeg het zich ook af. Het vroeg het hem. Hij had er geen antwoord op. 'Waarom niet dan?' 'Ik weet het niet! En ga nu weg, jongen!' gebood hij het kind, beslist. Maar het kind was koppig. Stompzinnig... Wist het dan niet... nee, natuurlijk wist het het niet. Kon het dan niet aan zich gezicht zien.... Dat hij slecht was, gevaarlijk? Wacht, hij zou hem helpen. 'Ga weg jongen!' baste hij, en liet zijn tanden zien. Grote ogen zette het kind op. Toen lachte het. Het wees naar hem, spottend, alsof hij een manke teddybeer van een buurmeisje was. Woedend werd hij plotseling, vreselijk kwaad! Hij deed een stap naar het kind, met toegeknepen ogen. Zoef, weg was het kind. Kirrend. Hij vloekte, grof, en ging naar binnen. Daar rook het naar koffie en snoepjes en koekjes. Walgelijk, dit land. Hij haatte het. Hij voelde een vreselijke haat tegen alles in zich opkomen. Hij hield ervan, van die haat, als enige. Het was het enige waarvan hij hield, de haat. Haat, haat, haat! Het maakte hem voldaan, vol, vervuld, voor even, toen was er alleen nog haat.
toch?
Het is waar. Dat is een feit. Maar wat is waar? Dat het gras groen is. Maar wat is groen? Groen is de kleur van het gras. Maar wat is gras? Gras zijn die sprieten die de velden bedekken, en die groen zijn, maar soms ook geel. Als de zon. Wat is de zon? De zon is het gele gezicht dat de wereld toelacht. Waarom doet het dat? Omdat wij anders niet zouden bestaan. Wie zijn wij? Ik, die dit schrijft, en jij die dit leest. Maar leest iemand dit? Ja, anders bestaat deze tekst niet, en hij bestaat wel dat lees je toch zelf!
[1999]
[1999]
Alles behalve een madeliefje en ook nog een madeliefje
Het leed was geschied, en nog voordat iemand, laat staan de jonge schrijver, die toch dom en blind was en ook doof, er erg in had, was het dorpje tot gruis vergaan. WAT STOM ZEG! zeg je misschien, maar dan had je wel FOKKING ONGELIJK! en was je ook bovendien een fokkimg STOM ZWIJN! Begrepen? NIEMAND, immers, spreekt mij tegen, als het op paardebloemen aankomt, en al HELEMAAL niet wanneer het MADELIEFJES betreft.
Zo, in die sfeer enigszins vertoefde de dag en verstreek hij en de bloemetjes en de bijtjes MADE LOVE all night long. En hoe die fokking kankertaal nou weer in dit RAZENDSNELLE vertoog geslopen was wist ik ook niet, verdomme. VLOEKEN schaadt de gezondheid en Leonidas bonbons zijn GRUWELIJK, om niet te zeggen AKELIG lekker. Over STRUKTUUR gesproken hebbende en over HAAT, en over GASTARBEID in het BELOOFDE LAND, verdwenen de wolken omdat ik ze uit de Hemel KICKTE. HAHAHAAAAAAAAAAA! Wat een belachelijk TENTENKAMP heb ik nou weer geschapen. Ik ben het dan ook AB-SO-LUUT niet met het bestaan ervan eens, en neem me ten stelligste voor het ongedaan te maken. ONDERTUSSEN tsjilpt het onverstoord door in de bosjes, en weet ik niet wat het er nog allemaal voor VUNZIGHEDEN bij te pas brengt. Met dat soort dingen laat deze schrijver zich niet in, gelukkig voor zijn lezers. ANDERS zouden ze zich maar verliezen in hele poelen van lichaamssappen zonder dat daar nou in het bijzonder enige vluchteling mee wordt geholpen of dat er verder een of ander LEED uit de wereld verdwijnt. KUKELEKUUUUUU! beweert plotseling een zeker HAAN, maar wordt onmiddelijk afgebekt door een duitse hoen die aldus spreekt: TSJERP-DETSJIIIIIRP! en plots ging het verhaal over iets heel anders dan dat kruispunt in het smerigste deel van de stad waar de nietsvermoedende, doch eeuwigheden overpeinzende wandelaar SNOEI-HARD door een tram uit zijn voegen werd gerukt, zonder dat dat mij een BIET interesseerde. En dan hebben we het niet over de BEAT, want die ging RAM-BAM-BENK! KLANGELANGELANG-KLA-BRAZAAACK! En het madeliefje was roze met geel en boog o-zo vredig onder de storm.
[Terschelling, 1999]
Zo, in die sfeer enigszins vertoefde de dag en verstreek hij en de bloemetjes en de bijtjes MADE LOVE all night long. En hoe die fokking kankertaal nou weer in dit RAZENDSNELLE vertoog geslopen was wist ik ook niet, verdomme. VLOEKEN schaadt de gezondheid en Leonidas bonbons zijn GRUWELIJK, om niet te zeggen AKELIG lekker. Over STRUKTUUR gesproken hebbende en over HAAT, en over GASTARBEID in het BELOOFDE LAND, verdwenen de wolken omdat ik ze uit de Hemel KICKTE. HAHAHAAAAAAAAAAA! Wat een belachelijk TENTENKAMP heb ik nou weer geschapen. Ik ben het dan ook AB-SO-LUUT niet met het bestaan ervan eens, en neem me ten stelligste voor het ongedaan te maken. ONDERTUSSEN tsjilpt het onverstoord door in de bosjes, en weet ik niet wat het er nog allemaal voor VUNZIGHEDEN bij te pas brengt. Met dat soort dingen laat deze schrijver zich niet in, gelukkig voor zijn lezers. ANDERS zouden ze zich maar verliezen in hele poelen van lichaamssappen zonder dat daar nou in het bijzonder enige vluchteling mee wordt geholpen of dat er verder een of ander LEED uit de wereld verdwijnt. KUKELEKUUUUUU! beweert plotseling een zeker HAAN, maar wordt onmiddelijk afgebekt door een duitse hoen die aldus spreekt: TSJERP-DETSJIIIIIRP! en plots ging het verhaal over iets heel anders dan dat kruispunt in het smerigste deel van de stad waar de nietsvermoedende, doch eeuwigheden overpeinzende wandelaar SNOEI-HARD door een tram uit zijn voegen werd gerukt, zonder dat dat mij een BIET interesseerde. En dan hebben we het niet over de BEAT, want die ging RAM-BAM-BENK! KLANGELANGELANG-KLA-BRAZAAACK! En het madeliefje was roze met geel en boog o-zo vredig onder de storm.
[Terschelling, 1999]
Subscribe to:
Posts (Atom)
