Het schip kliefde zwaar door de binnenzee, en A stond met een vergeten peuk tussen zijn lippen tegen een zwaar metalen pijp aangeleund op het achterdek. Hij tuurde over de grauwe baren de verte in, maar zag niets. Zijn gedachten waren verzonken in moerassen van weleer, waar in kolkende gifbellen akelig lege ogen in spierwitte gezichten hem aanstaarden. Zijn slachtoffers. Geslacht had hij ze, maar aan welke godheid hij daarmee offers had gebracht en waarom, dat was hem niet duidelijk. Hij probeerde het te achterhalen, hij groef en groef, zocht in het diepst van de herinneringen die boven wilden komen drijven, maar beweegredenen voor de moorden kon hij tot nu toe niet vinden. Hij had het gewoon gedaan, was 'savonds, enkele uren voor zonsopgang, in zijn Jeep gestapt. In de achterbank lag zijn bruinlederen tas met keukenmessen, onder een reservewiel lag een roestige, dikke ketting en een bijl had hij onder zijn stoel geschoven. Hij had er niet bij nagedacht, voor zover hij zich kon herinneren, hij had de auto gestart en was weggereden van het krot dat hij zo haatte, het krot waarin hij woonde. Nu stond hij hier, later, op de vlucht, op de vlucht ja, maar voor wat? Niemand die hem zocht, niemand die de dood in de bossen van drie jongens en een jonge vrouw met hem in verband bracht, hoe zouden ze dat kunnen? Geen motief, geen dit, geen dat, geen niks. Maar hij vluchtte. Hij had moeten vluchten, ontsnappen, voelde hij, zo zeker als een spijker door een bot, zo scherp was de pijn die hij voelde, die hem voortdreef. Maar nu, op het schip, in de grauwe zee, had hij even rust. Waar die rust vandaan was gekomen, vanwaar die plotseling over hem neer was gedaald, hij had geen idee, en hij wilde het niet weten ook, hij wilde nooit iets weten. Dat deed alleen maar meer pijn, dat knarste in zijn hoofd, als de bankschroeven die jaren lagen te rusten, genesteld in roest, en dan plotseling, met venijnig, afschuwelijk gekraak, ineens losgerukt, de open ruimte in, akelige open ruimte...
Zo stond hij, A, tegen zwaar metaalwerk, peuk, lang uitgegaan tussen zijn gebarsten lippen.
'Meneer... meneer.... Meneer?' Zo schrok hij uit zijn leegte. 'Wat?' Het jongetje sprong weg. Zijn stem had hard geklonken, raspig. Hij realiseerde zich dat hij dagen niet gesproken had. 'Wat wil je?' voegde hij er, zachter, aan toe. 'Ik... ehm, weet u hoe laat het is?' Hoe laat? Nee... hij had Godswerkelijk geen flauw idee hoe laat het was. 'Nee, jongen, sorry. Dat weet ik niet, hoe laat het is...' en zo veronk hij weer in flarden en beelden, van de tijd, de tijd die verstreek, aan het verstrijken was, steeds maar verstreek, ongeacht of iemand zich eraan vastgreep of niet. Mensen waren vrij, zwommen spetterend in meertjes, of niet, anderen zaten gevangen, geketend in natte kleine betonnen cellen, onder smalle raampjes met tralies ervoor die overbodig waren omdat het raampje toch veel te klein was om doorheen te kruipen, behalve misschien als je dun was, heel dun... 'Maar waarom kijkt u niet op uw horloge? Of is het stuk?...''Wat?' hoorde hij zichzelf weer raspen. Het kind was niet geschrokken, nu niet meer, deze keer, nu al gewend aan zijn nare stem, zo snel al... 'Nee, het is niet stuk. Maart ik wil er niet op kijken!' Dat riep hij zomaar, en hij vroeg zich af waarom hij niet op z'n horloge zou willen kijken. Het kind vroeg het zich ook af. Het vroeg het hem. Hij had er geen antwoord op. 'Waarom niet dan?' 'Ik weet het niet! En ga nu weg, jongen!' gebood hij het kind, beslist. Maar het kind was koppig. Stompzinnig... Wist het dan niet... nee, natuurlijk wist het het niet. Kon het dan niet aan zich gezicht zien.... Dat hij slecht was, gevaarlijk? Wacht, hij zou hem helpen. 'Ga weg jongen!' baste hij, en liet zijn tanden zien. Grote ogen zette het kind op. Toen lachte het. Het wees naar hem, spottend, alsof hij een manke teddybeer van een buurmeisje was. Woedend werd hij plotseling, vreselijk kwaad! Hij deed een stap naar het kind, met toegeknepen ogen. Zoef, weg was het kind. Kirrend. Hij vloekte, grof, en ging naar binnen. Daar rook het naar koffie en snoepjes en koekjes. Walgelijk, dit land. Hij haatte het. Hij voelde een vreselijke haat tegen alles in zich opkomen. Hij hield ervan, van die haat, als enige. Het was het enige waarvan hij hield, de haat. Haat, haat, haat! Het maakte hem voldaan, vol, vervuld, voor even, toen was er alleen nog haat.

No comments:
Post a Comment