De grond van de graven verroerde ich terdege, en het halve zand was gescheiden. Terdege beleefde de Ene en stevende voort.
Torg-oeg! Geen woorden meer.
Wednesday, April 28, 2010
Monday, April 19, 2010
modder en genade
De zware modder trok de aarde voort als een goederenwagon, bergopwaarts, bergafwaarts, de zure regen stompt af waar het in de rotsen dringen kan en in de kleren van hen die ongelukkig genoeg zijn kleren te dragen. De morgendauw - de takken zijn nat en de bladeren druipen het zoete vocht van hun hart vermengd met het vuile uitwerpsel van de hemel, en dit mengsel plenst neer of de aarde waar de diertjes net hun kop opsteken om zich te verwonderen over de dag, dat het geen nacht is gebleven, zoals iedereen verwacht had.
Ergens, achteraf, op een terrein, onontgonnen en onbezongen, wacht een stel leeuwen, versteend door de eeuwigdurende nacht op de eerste middagzon, die hun kille kokonnen zal opensplijten met een schreeuw van erbarmen. Want de koning heeft nog het meest de genade nodig van alle stervelingen: zijn deel is de genade van God zelf.
Sunday, April 18, 2010
Akkerblakeraar
Het stalen ros van mijn wil suggereert met onzichtbaar subtiele bewegingen de richting voor mijn noeste torso, waarvandaan de speer vooruitsteekt, ver te zien vanuit de afgebrande en tot op de graat toe leeggerukte boerderijen. Karkassen steken af tegen de zon, die mijn kaak en profile verlicht met de laatste, bloedrode stralen.
Gehuchten doemen op en gaan neer, zonder dat ik omkijk. Mijn mannen brengen achter me mijn razende wil tot uitvoer, ik verroer geen spier want dat zou fataal zijn. Correctie van hogerop is alleen bij een uiterst breekpunt in te zetten. Fouten in een duister verleden. Ik grijns, onwillekeurig. Twijfel breekt uit. Ik storm voort - 'laat ze met rust' - ! het zou een fatale fout geweest zijn, te blijven. Er is niets verderfelijkers dan volgevreten instincten. Ik neem mijn wil onder me en wijs de weg over de afgrond die is opengereten. Mijn mannen zien alleen de brug, en denken dat het de aarde is. Als de wolf in schaapskleren over de dam is volgen de schapen en blijven de schapen in wolfskleren steken in de wielen van karma. Ik denk veel na, tegenwoordig. Sinds die ene dag, dat die soldaat me kwam vermaken. Zijn geest was een harp, een waarlijk zuiver gestemde.
mr. X
x x
x x
x x
xxx
x x
x x
x x
x x
Geef het op voor mr. X! Ik zweet. Ik strompel het podium op. Alcohol. Het duivelse vuur. Gedverdemme. Dat bittere nasmaakje. Ik moet nu rappen. Van een leien dakje. Ik roep beelden op voor hun ogen. Hen. De fans. Zij die het weten, als ze het horen. Maar nu nog niet. Ik bezie, overzie ze, zielen vol dorst naar - verheffing. Bam. Het gaat los. De eerste zinnen raas ik over hun kale koppen. Djeng djeng. trommelvliezen rammelen als cymbalen. Ha. Ik heb er zin an. Tweede couplet. Het gaat retehard. Scheurende beats. Dan is het op. Zo hard als het kwam. Applaus - de volgende. Terug in de coulissen. Veiligheid. Superioriteit, ontlading. Ik drink en rook, ik rink en drook - yeah. Treinvaart. Poezie. Gedichten van de eerste orde. Tijdsgeest. Nederwalm. Ik ben hier, het dak is er nog op. Hoe kan dat? Ik trek me terug op de heldenzee en slaap.
Ik ben hier.
Niemand ziet mij.
Mijn ster is ver, in het oosten. Ik drink hem in, ik praat met De Grote Rapper. Hij weet. Ik ben - hij is groot. Ik ben ook groot - groter misschien. Mijn held. Ik ga hem aftroeven. Het wordt een hevige strijd. Een hevig, helder bestaan aan de toppen van het vuurzicht. Ik ben de onderricht voor de zwakzieligen, maar de drank, nektar voor de helden van welleer, die oprijen in mijn brein. Ik ben hier, ik ben daar, ik ben overal. Ik ben de man. De alleskunner, de genoegdoener, , de Nedertaler, de weerstand om de hoek die op je wacht, met een fokking honkbalknuppels. Sukkels weten niets. Ik was in de buurt dus ik slachtte ja. Dat is het motto. Yeah.
Voor alles komt een einde. En dan een begin. Aan alles vast, zit het niets. Met gouden veters. Ronduit vergeten dagen, toen we van daken schreeuwden - ze zijn nu. Ik ben hier. Ik schreeuw mijn stem aan flarden. Woorden, opgevoerd uit de pulploze massa, de goudader van mijn bewustzijn. Ik emmer uit de sloot van dode koeien en rompel je over met stront, haas! Vlucht, hup, vooruit, de vernietiging tegemoet. Ik overspoel je. Ik ben de veel betere dan beste, de ultieme.
Jawel jeweet. Ik zit op mijn leren fauteuil in de brandende middagzon. Met een joint in mijn klauw en een plaat op de pickup. Het is Masta Killah! Wat een timing. Deze rapper heeft niets te bewijzen. Ik echter nog wel. Daarom ligt er een grote schrijfmap voor me. Al voor de helft gevuld met briljante geschriften. Nu de andere helft nog, met nog genialere creaties. Ik ga hard aan het werk. Rijg regel na regel rijm aan rijm, en bevind me in de Zone. Niet de lasergame, maar mijn eigen, private, persoonlijke zone waarin alles zich afspeelt zoals ik dat wil. Ik ben een rapper. Ik hou niet van neppers. Zoals mijn neef zijn vriend ooit zo mooi zei, voordat ik boven de sterren uitrees en echte rijms begon te schrijven, en de tijden daarvoor uitwiste als vaag gekriebel op een schoolbord. Om plaats te maken voor een levensgroot portret van De Gene - Ik, de meesterrapper. Ik schrijf verder en verder en ben tevredener en tevredener. Dan loop ik naar beneden voor een stuk zalm uit de oven. Ha. Het leven is goed. Vooral het mijne. Ik regeer! Ik zit aan de top, ik ben op de top geboren, ik begin aan de top en ik zit erop... een regel voor een nieuwe rap.
Waar voor besta ik, dan om gezichten met mijn gedichten te verlichten? Is er een andere reden? Zo niet, waarom zou ik me dan onderwerpen aan het barbaarse regime van mijn uitzendbureau-werkgevers? Waarom zou ik me in werkmanskleren hullen en samen met andere ongelukkigen het lot van een werkdag ondergaan? Ik pijnig mijn brein af maar ik kom er niet achter. Dit is mijn roeping, de literatuur, de muziek! De wereld moet me steunen. Anders had ze me niet moeten voortbrengen. Dat is gemeen, oneerzaam en oneerlijk. De wereld is een oen, als hij denkt dat ik me naar dit soort regimes ga voegen. Belachelijk. Fascistoide. Ik doe wat ik doe en niks anders. Daar heeft de wereld maar mee te leven.
Yes! Geniale zin.
"The World is coming to my party to night!"
x x
x x
xxx
x x
x x
x x
x x
Geef het op voor mr. X! Ik zweet. Ik strompel het podium op. Alcohol. Het duivelse vuur. Gedverdemme. Dat bittere nasmaakje. Ik moet nu rappen. Van een leien dakje. Ik roep beelden op voor hun ogen. Hen. De fans. Zij die het weten, als ze het horen. Maar nu nog niet. Ik bezie, overzie ze, zielen vol dorst naar - verheffing. Bam. Het gaat los. De eerste zinnen raas ik over hun kale koppen. Djeng djeng. trommelvliezen rammelen als cymbalen. Ha. Ik heb er zin an. Tweede couplet. Het gaat retehard. Scheurende beats. Dan is het op. Zo hard als het kwam. Applaus - de volgende. Terug in de coulissen. Veiligheid. Superioriteit, ontlading. Ik drink en rook, ik rink en drook - yeah. Treinvaart. Poezie. Gedichten van de eerste orde. Tijdsgeest. Nederwalm. Ik ben hier, het dak is er nog op. Hoe kan dat? Ik trek me terug op de heldenzee en slaap.
Ik ben hier.
Niemand ziet mij.
Mijn ster is ver, in het oosten. Ik drink hem in, ik praat met De Grote Rapper. Hij weet. Ik ben - hij is groot. Ik ben ook groot - groter misschien. Mijn held. Ik ga hem aftroeven. Het wordt een hevige strijd. Een hevig, helder bestaan aan de toppen van het vuurzicht. Ik ben de onderricht voor de zwakzieligen, maar de drank, nektar voor de helden van welleer, die oprijen in mijn brein. Ik ben hier, ik ben daar, ik ben overal. Ik ben de man. De alleskunner, de genoegdoener, , de Nedertaler, de weerstand om de hoek die op je wacht, met een fokking honkbalknuppels. Sukkels weten niets. Ik was in de buurt dus ik slachtte ja. Dat is het motto. Yeah.
Voor alles komt een einde. En dan een begin. Aan alles vast, zit het niets. Met gouden veters. Ronduit vergeten dagen, toen we van daken schreeuwden - ze zijn nu. Ik ben hier. Ik schreeuw mijn stem aan flarden. Woorden, opgevoerd uit de pulploze massa, de goudader van mijn bewustzijn. Ik emmer uit de sloot van dode koeien en rompel je over met stront, haas! Vlucht, hup, vooruit, de vernietiging tegemoet. Ik overspoel je. Ik ben de veel betere dan beste, de ultieme.
Jawel jeweet. Ik zit op mijn leren fauteuil in de brandende middagzon. Met een joint in mijn klauw en een plaat op de pickup. Het is Masta Killah! Wat een timing. Deze rapper heeft niets te bewijzen. Ik echter nog wel. Daarom ligt er een grote schrijfmap voor me. Al voor de helft gevuld met briljante geschriften. Nu de andere helft nog, met nog genialere creaties. Ik ga hard aan het werk. Rijg regel na regel rijm aan rijm, en bevind me in de Zone. Niet de lasergame, maar mijn eigen, private, persoonlijke zone waarin alles zich afspeelt zoals ik dat wil. Ik ben een rapper. Ik hou niet van neppers. Zoals mijn neef zijn vriend ooit zo mooi zei, voordat ik boven de sterren uitrees en echte rijms begon te schrijven, en de tijden daarvoor uitwiste als vaag gekriebel op een schoolbord. Om plaats te maken voor een levensgroot portret van De Gene - Ik, de meesterrapper. Ik schrijf verder en verder en ben tevredener en tevredener. Dan loop ik naar beneden voor een stuk zalm uit de oven. Ha. Het leven is goed. Vooral het mijne. Ik regeer! Ik zit aan de top, ik ben op de top geboren, ik begin aan de top en ik zit erop... een regel voor een nieuwe rap.
Waar voor besta ik, dan om gezichten met mijn gedichten te verlichten? Is er een andere reden? Zo niet, waarom zou ik me dan onderwerpen aan het barbaarse regime van mijn uitzendbureau-werkgevers? Waarom zou ik me in werkmanskleren hullen en samen met andere ongelukkigen het lot van een werkdag ondergaan? Ik pijnig mijn brein af maar ik kom er niet achter. Dit is mijn roeping, de literatuur, de muziek! De wereld moet me steunen. Anders had ze me niet moeten voortbrengen. Dat is gemeen, oneerzaam en oneerlijk. De wereld is een oen, als hij denkt dat ik me naar dit soort regimes ga voegen. Belachelijk. Fascistoide. Ik doe wat ik doe en niks anders. Daar heeft de wereld maar mee te leven.
Gasten bekommeren zich om God. Of hij bestáát! Of wat bestaat? Define! Wie is God? Wat is God? Muziek, eikel! En natuurlijk bestaat ie, alleen niet in jouw botte brein! Ha. Dat moet ik opschrijven. Ik schrijf rijm in schijven, de gelaagdheid getuigt van mijn ijver. Rap is m'n drijfveer. Ik ben heer en ik blijf heer, en ik blijf hier in de vijver van naijver. WAAR om? Dáár om! Staar maar in het rond gare hond en zie dat je vanavond klaarkomt - ik brand blaren op je kont als je steompzinnigheid me in mn gelaat stompt. Hm. Nee. In de prullebak. Te boers. Ik zoek iets oerders, iets minder verloederds, iets stoerders met schroeven en moeren en bouten. Ach ja, je moet er maar van houden.
"The World is coming to my party to night!"
Cody Chessnut. Meer van deze gast horen. Utrechtsestraat, morgen, vrije dag in de zonneschijn, of in de maneschijn die me vanbinnen verlicht als het regent. Wel degelijk.
Sterfelijk, wel degelijk wreed, het universum wreekt zich steeds op je wezen, ik ben belezen maar ik ben alles vergeten, want ik space hem op m'n bezem om m'n torens. Ik neem het leven op m'n horens en boor het door de Sint Joris als een draak met een grotere porem dan die daarvoor. Ik boor je gehoord door - midden terwijl ik hier zit te zitten in deze zithouding. Zou ik kunnen staan in, eh ik bedoel kunnen zitten in een staande houding? Ik probeer het. Ja. Het lukt. Ondertussen val ik. Terdege besef ik. De wereld heeft me niet lief. Ik stal hun genoegen, toen ik het ontspoorde. Heh heh. Ik ben snood. Maar ik ben een rapper, ik hou niet van neppers. Dus ik zie niets door de vingers. Deze dingen dringen binnen en shit je dan weer uit met de pit want ik rip dit maar je split niet. Zit niet. Past niet. Ratel en ratel en ratjetoe.
De avond nadert. Ik bel, krijg gehoor en split hem. Ik kom later terug in deze kamer.
"Get your own hammer"
Move out the ghetto. Maar en en hoe? Rappend plavei ik mijn baan door de kosmos. Maar is de kosmos ook de, laten we zeggen, fnianciele wereld? Wat betekent geld voor me? Ik heb het niet, maar ik krijg het, als ik negers in zwijm rijm. Zaterdag niet teveel blowen voor ik rap. Moeilijk, Kasto is er. Arg. Sommige negers kan je alleen stoned verdragen. Unlike mijn neef, die eigenlijk onuitstaanbaar wordt, met dat goedje. Toch is het altijd op een vreemde manier cool. Uit een oud verleden of zo. Ik ben nu hier. In de muziek. Ik rip hem en ik - maak een beat. Nee! Ah! Daarvoor heb ik hem nodig. Biets maken! Yeah! Ik bel nog een keer. Hij is er nu wel. Schoft, Ik kom naar beneden.
"Ill be with you darlin' soon
Ill be with you when the stars start falling"
De trap gaat neerwaarts, en we bellen aan... zijn moeder doet open. Mijn tante. Ze is altijd aardig. Ik ga naar binnen en wacht. Dan ga ik naar benede. Hoe deze dwaas tegemoet te treden? Ik zal hier een gebaar maken, dat hij daar maar moet registreren. Ik grondvest het lot. Ik kan hem niet het voordeel geven. Neen! Dat is niet randstedelijk. Van welhaast Drenths allooi. Ik moet het ongedaan maken. Maar dat kan niet. Dan maar een - daar is hij. De draak zelve. Onaangenaam onaangedaan. Ik staar daar tegenaan en breek uit mijn waan, het is hier vet.
We doen niets. Toch gebeurt er van alles. Dat is hoe het moet. Dat is hoe het beziet. Ik zit scheef, maar verlicht. Ik doe stoer.
Death comes to my doorstep voor ik het door heb. Ha, I like it. But - hm. It's not nice. I moet het omdraaien. Death is at your doorstep voor je het doorheb. Hm. Mwoah. Daar gaat ie weer - ik ben on a roll, Maar die dwaas onderbreekt me. Met een joint, nog wel. Voor stref rook ik hem half op voordat ik hem teruggeef. Hij heeft er geen erg in. Straks rook ik hem helemaal op. Maar dat doet hij al. Ik rol een nieuwe. Ik vergeet niets dan mijn wrok. En zelfs die niet. Zelfs dat niet. YZ Zaracus. Mijn militaire identiteit. Haha. Ik ben stoer. Maar ook - niet. Het zij zo. Ik ben blij zo.
"Just like a child..." wonderlijk. Hij is zo wijs, en zo dom. Waarlijk een dwaas. Ik zie dit, maar be ik de magier? In den beginne was het woord. Jezus en Johannes. Ik hou van die mensen. Hemels gezelschap. Nu moet ik het doen, moeten wij het doen, in deze kelder, met elkaar. Waarom zijn we zo verschillend? Ik zie zo scherp, hij ziet zo vaag dat het allesomvattend is. En als onze conclusies samenkomen, als we er samen een bereiken - dan zijn we God. Dat durf ik te stellen. Rap is de noodzaak, de oorzak - kijk toe als ik doorzak en je gehoor kraak. De oorsprong, de oerspraak. Ik boer en roep om snoep. Die dwaas haalt het, oog nog. Ik kan er niets aan doen. Ik zal proberen het niet allemaal op te eten. Niet ineen hap, althans. Waarom ben ik hier? Om beats te maken. Ik hoop dat het niet te laat is om dat aan de orde te stellen.
We maken een geniale beat. Hij is althans behoorlijk vet. Morgen rap ik er mijn nieuwe nummer op. Limonade staat al klaar, zegt Brechthold. Kut. Nu moet ik wel dankbaar zijn. Ach ja, ik doe het gracieus. Maar zoals Stalin al zei, dankbaarheid is een hondenkwaal. Geen zaak voor beschaafde lieden.. Ik moet daar maar eens een discussie over aanspannen tussen Bertje Oeverloosheidsmans en Het Grote Gevaar. Dat op de schoorsteenmanten staat te prijken. Brechthold heeft Marx, ik Lenin op de schoorsteen. We wonen in hetzelfde huis. Ik boven, hij beneden. Ik ben dus de implementatie van de wortels die hij legt. Wat zijn die wortels? De wegen, die we samen bewandeld hebben. Ik overstijg deze paden, hij is er voor eeuwig gestrand. Hij weet het nog niet - hij ziet vooruit- in de mogelijkheid van het heden. Hij weet niet, dat het heden niet de toekomst is. Ik zie het wel. Hahaa. Ik ben snood. Maar ik ben ook stoned. De koning onttroond... ik doezel in een diepe slaap en wordt zo laat wakker dat ik de tijd niet meer begrijp. Dit is vreemd. Ik snap het echt niet meer. Ik duizel de trap op omhoog naar mijn reaalm, maar ondertussen ben ik niet wie ik ben. Ik ben een beeld, een gouden omhulsel - van een houten stronk in de rimboe van tijd.
"Just like a child..." wonderlijk. Hij is zo wijs, en zo dom. Waarlijk een dwaas. Ik zie dit, maar be ik de magier? In den beginne was het woord. Jezus en Johannes. Ik hou van die mensen. Hemels gezelschap. Nu moet ik het doen, moeten wij het doen, in deze kelder, met elkaar. Waarom zijn we zo verschillend? Ik zie zo scherp, hij ziet zo vaag dat het allesomvattend is. En als onze conclusies samenkomen, als we er samen een bereiken - dan zijn we God. Dat durf ik te stellen. Rap is de noodzaak, de oorzak - kijk toe als ik doorzak en je gehoor kraak. De oorsprong, de oerspraak. Ik boer en roep om snoep. Die dwaas haalt het, oog nog. Ik kan er niets aan doen. Ik zal proberen het niet allemaal op te eten. Niet ineen hap, althans. Waarom ben ik hier? Om beats te maken. Ik hoop dat het niet te laat is om dat aan de orde te stellen.
We maken een geniale beat. Hij is althans behoorlijk vet. Morgen rap ik er mijn nieuwe nummer op. Limonade staat al klaar, zegt Brechthold. Kut. Nu moet ik wel dankbaar zijn. Ach ja, ik doe het gracieus. Maar zoals Stalin al zei, dankbaarheid is een hondenkwaal. Geen zaak voor beschaafde lieden.. Ik moet daar maar eens een discussie over aanspannen tussen Bertje Oeverloosheidsmans en Het Grote Gevaar. Dat op de schoorsteenmanten staat te prijken. Brechthold heeft Marx, ik Lenin op de schoorsteen. We wonen in hetzelfde huis. Ik boven, hij beneden. Ik ben dus de implementatie van de wortels die hij legt. Wat zijn die wortels? De wegen, die we samen bewandeld hebben. Ik overstijg deze paden, hij is er voor eeuwig gestrand. Hij weet het nog niet - hij ziet vooruit- in de mogelijkheid van het heden. Hij weet niet, dat het heden niet de toekomst is. Ik zie het wel. Hahaa. Ik ben snood. Maar ik ben ook stoned. De koning onttroond... ik doezel in een diepe slaap en wordt zo laat wakker dat ik de tijd niet meer begrijp. Dit is vreemd. Ik snap het echt niet meer. Ik duizel de trap op omhoog naar mijn reaalm, maar ondertussen ben ik niet wie ik ben. Ik ben een beeld, een gouden omhulsel - van een houten stronk in de rimboe van tijd.
Godverdomme we komen erbij in de buurt, dit godvergeten gezeik heeft eindeloos geduurt.... waar zij we nou weer aangeland, aan de rand an de landkaart... is dat niet Alaxander, die man daar? Ik staar uit over mijn papier. Ik bedoel over de gracht. Beide. De gracht van mijn papier. De modderige stroom, met fietsenwrakken en al, waar bootjes van de competitie overheen tuffen zonder te weten dat ze zich allemaal op mijn brakke stijl baseren. Ik moet losbreken! Ik moet naar de zee! Maar de zee ligt godverdomme BOVEN mij. Het is niet waar. Hoe krijg ik dit ooit ongedaan? Het moet heet worden. Heel heet. Schroeiend, blakerend, al mijn vocht moet verdampen en de rauwe massa van ellende en onzin achter zich laten, als ik een lans breek voor het koninkrijk des Heemelen. Yeah. Ik ben de Verrijzer, ik laat het Puin van mijn bewustzijn achter me, in de diepte! Vanuit de bedding... roep ik de zon om redding.
De reden voor mijn afwezigheid is mijn bezigheid en mijn belezenheid, niet mijn spacigheid, hoeveel ik ook rook. Ik rook veel deze dagen. 'deze dagen' straat hier voor een zich over een glorieuze zomer uitstrekkende periode van zalig geluk, slechts onderbroken door de afzwezigheid van rookwaren, die verholpen wordt in een trance van noodzaak, die nauwelijks bewustzijn genoemd kan worden, en die dus wezenlijk niet bestaat. Desondanks beleef ik die momenten, struinend langs de straten bij nacht, zittend in mijn stoel, uren lang starend naar het zwarte raam. Ik wil er niet aan denken. Dat zou onrecht doen aan de arbeid waarmee ik de zak wiet die ik hier voor me op het tafeltje heb liggen heb verdiend, op geenszins zure wijze. Dus ik rook, en denk en ben. En ik schrijf, want ik rap. Ik besta, bij alle standaarden die ik mezelf gesteld heb. Het is zomer en de lucht is blauw. Het raam is geenszins zwart, en ik staar niet, ik kijk.
Maar die nacht wordt het raam zwart. Ik staar, nu. Ik realiseer me, dat iets in mij vanmiddag ook al staarde. Is dit een illusie, een projectie? Als, dan is er geen werkelijkheid die niet in twijfel getrokken moet worden. Ik ga er maar vanuit dan, dat ik nu projecteer, en dat ik vanmiddag gewoon helder was. Het was licht, dus ik was helder. Zo simpel kan het toch niet zijn? Ik bel Brechthold. Hij neemt niet op. Ik pak de tarotkaarten uit de kast en doe een legging. De Hogepriesteres vertelt me dat de noodzaak me leidt tot de 'burden of choice'. Wat moet ik hier nu mee beginnen. Het universum kwelt me als een te strak zittende broek. Ik wil hem uittrekken, en bloot door de straten rondrennen. En schreeuwen, en als het moet, wat mensen die me in de weg staan uit de weg slaan. Vooral dat, eigenlijk. Ik pak mijn spullen en ga naar buiten. Op naar Dread Drock. 'Dread'... interessante dubbele betekenis. Ik ga op dit moment voor de haardracht. Hiphop leeft, hiphop beeft - ik kom eraan. Ik ben hier de betekenis, de significator, de beeldenbreker, de standaard-zetter. Ik, en niemand anders. Dat is hiphop, en dat ben ik.
Ik rap en ik schijn, ik ben dus ik blijf. Ik ben onsterfelijk, dat heb ik vannacht wel verzekerd. Ondanks mijn voorlopige onvermogen me in een freestyle battle te doen gelden kraak ik koppen waar het op de schrijvende rap aankomt, en dat is toch de ware kunst. Of niet? Is mijn freestyle-gebrek een teken van mijn incompleetheid als rapper? Het bezorgt me een onbehaaglijk gevoel. Ik pers het gevoel de deur van mijn hoofd uit. Het mag buiten slapen, zwerven, bedelen en vuilnis eten. Ik voel echter dat het ronddwaalt voor mijn poort, en ik kan het niet van me af zetten. Ik begin in mijn hoofd te improviseren.
Dreadrock, vet hok, rappend stel ik snel op
fel, rellend, kwellend bellend als een welp-sok...
welp-sok. Geweldig. Ik zink in een depressie. Maar ik ga verder met de sessie.
Depri-leprahebbend volop kwekkend rijm brein
zwijm-na-zwijm-na-zwijm pijnigend slijm...
pijnigend slijm. Bah. Dat is waarom ik nooit freestyle. Er komt te veel slijm naar boven.
Redelijkheid en onbaatzuchtigheid. Een of andere mongool probeert het me te verkopen. Staat het tegen me te spuien. Is haat een doodzonde? Als dat zo is, dan ben ik ten dode opgeschreven. Ik haat de mensen hier. Krioelend om elkaar heen - nog erger - om mij heen. Ik sta hier mijn wodka te drinken. Mijn joint te roken. Komen ze tegen mee aanschurken, willen ze iets van me. Van mij. Zij. Hun. Wat scheelt het? Een paar honderd generaties aan evolutie - ze kunnen me van alles gaan melden, maar ik sta hier alleen, op eenzame hoogte. Onverbiddelijk, ik kijk ze aan en probeer mijn walkging te verbergen. Ik ben een goed mens. Mijn hart bonst. Liefde. Dat is waar het op aan komt. Ik geef een van de ventjes een klopje op zijn schouder. Dat had hij niet verwacht. Hij staart me aan. Wil hij iets van me? Ik keer terug tot mijn wodka, en mijn joint. Later rap ik. Ik blaas alle bezwaren van tafel. Talent wordt herkend. Mensen zijn mijn vrienden. Dat vinden ze. Ik speel het spel mee. Ik wil stijgen. Ik wil torenen, ik wil zijn wie ik ben, in het gezicht van alle dwazen die dat niet zijn. Ze zullen voelen wat het betekent, een obstakel te zijn voor grootsheid. Ach natuurlijk zullen ze dat niet. Ze zullen denken, dat ik van ze hou, dat ik ze respecteer. Ik herinner me Jim Morrison, in de film van Oliver Stone. Hij schold ze uit, zijn publiek. "You're all a bunch of slaves!" Dat zou ik moeten roepen. Maar ik ben er nog niet. Bovendien, ik ben niet in Amerika. Ik ben in het drassige sompige Holland, waar de mensen je bijten met rabies, als je ze niet over hun bolletje aait. Het is hier eng, psychotisch. Ik rap erover, omfloerst, zodat niemand het merkt, hebalve ik. Ik heb schik. Ik glimlach wetend. Morgen moet ik om zes uur opstaan. Godverdomme. Ik schop een bierflesje kapot tegen de muur. Het publiek juicht. Het weet niets van leed, existentieel leed...
Ik kom achter de waarheid als inspecteur Verpetten, ongeacht of je me dat wil beletten. Ik kom met de vette teksten die je pletten... waarom rap ik altijd over pletten? Spiderman plette. Pletten in Spiderman is als klirr in Tom en Jerry. Cultuur is al raar, maar bij lange na niet zo raar als vertaalde cultuur. Dat is pas raar. Was het maar waar dat we babbelen in het Babeliaans. Niet als bavianen in het bos er op los in het Pakistaans en het Afghaans, Hoang - ho's of Italiaans, Germaans en Drenths. Alles went. Maar niets leidt to meer. Verdeel en heers, aldus het motto van de logos. Waar gáát dit over? Waar p®aat ik over? Zaad erover. Eh, zand erover. Bank over. Val. Knal! Ik ben niet halal Ik klim uit het dal met Allahs hand en wordt zijn vazal. Dan laat ik hem los en strooit hij bommen op me los. Ik zomp en zuig door de bagger. Ineengekrompen strompelt het lot me achterna, als ik schuil achter een boom voor een dom konijntje. Hebbelief. Ik schrik wakker als De Grote Rapper op mijn schouder tikt. Wil ik een biertje? En of. De avond begint te beginnen.
Ik raak in de zone. Grote dromen overkomen me, bewonen me. Voor even, dan beginnen ze te leven. In de plannen die we maken. Ik en De G R. We zullen de wereld gaan veroveren met Nederlandse rap. Hij lacht ironisch, ik meen het - een dynamisch duo. Daar moet hij om lachen.
-Jij bent echt gefreakt man.
-Denk je?
-Mwoah, joah, dat denk ik ja!
-Ha!
-Dat is geen compliment hoor. Ik heb menig gefreakte ziel van een dak af zien springen.
Hier weet ik niet op te reageren. Zelfmoord... wat een verschrikkelijke gedachte. Ik word kwaad op De Grote Rapper. Denkt hij dat ik daartoe in staat ben? Wat een rotgedachte. Ik probeer het weg te drinken en eroverheen te praten. Het lukt me niet. Ik zie het raam. Het zwarte raam. Ik zie de woeste takken van de Grote Boom, wuiven als vleugels. Ze nodigen me uit. Vrij te zijn. Vrij van dit tranendal. Ik vraag de Grote Rapper direct. "Zie je mij aan voor een zelfmoordpatient?" Hij lacht schaterend. Zelfmoordpatient! Mannen! "Zie wat we hier op de barkruk hebben! Een serie-zelfmoordenaar! Met negen levens, een zwarte kat!" "Kom op" zegt hij. De anderen zijn naar ons omgedraaid. "We geven een showtje weg. " Ik verlies het zicht op het zwarte raam. Ik zie het niet meer. Ik merk dat ik het probeer. Waarom? Doet er niet toe. Niet doen. Bam! De beat rakelt er in, haakt in, breekt in, en ik verhef mijn stem. "Hier is de akelig getalenteerde nooit verkeerde geleerde die jij meer begeerde dan je eerder beweerde! Je jeremejeerde maar daar kan ik wel tegen, komt het daarentegen gelegen dat ik je smoel overpoel met weer wat meer rijmregen? Scherp als een degen of een dolk kom ik als een regenwolk en spoel ik jattend volk weg als een draaikolk.
Ik zie ze kluisteren, aan mijn geluid. Ik ben eer rapper. Ik kan dit. Ik moet vechten om het te geven! Ik wordt erin gezogen, naar buiten toe, net zoals ik net naar binnen toe, het raam in werd gezogen. Zuigers, stelletje zuigers! Ik lach, proest door mijn zin heen. Ik raak de maar kwijt. De Grote zet in. Hij ramt er een paar bars uit die ongenaakbaar, onevenaarbaar zijn. Ik lach. Twee inevenaarbaren, naast elkaar, onafhankelijk en ultiem samen. Samen Ultiem. Goede naar voor een album. Ik rap en verzwelg, de macht is een zwandbak voor mijn kastelen, ik weet dat de zee ze ze zal verzwelgen. Ik rap door. Maar ik merk, mijn doodswanhoop klinkt door mijn keel. Vreemd geknepen Ze weten niet waarom, maar ze merken het. Ze ondergaan het. Wat vreselijk. De macht van een kunstenaar is des duivels. Ik sidder en lach. De nacht duur nog lang. Raps gieren door de nachtelijke kelen, in een heksenketel zonder backstage geprevel... backstage is alleen het zwarte raam. De Boom, met zijn wiegende weemoed.
"Eet je arm, sukkel!"
Waarom vind ik dit zo'n intrigerende zin? Ik zit 'De Moord op Mosman' te kijken. Een film van Brechthold en Djoesef. Mosman vergaat zo ongeveerd tot stront in een onbegrijpelijke fetish van bloedzucht en spaghettipezen in pindakaas. Het is akelig vreselijk. Ik lach maar ik sta er bij stil. Dit kan toch niet? Wat is dit voor wereld? Waarom kan ik dit zien, terwijl het niet gebeurt? Ik sta er alwéér bij stil. Door het raam zie ik de boom, maar daarachter een serie glazen, waarachter zich levens afspelen. Ik projecteer. Twee mannen, een vrouw... ze schaken. Mijn beeld van de mensen verandert in een wiskundig probleem. Ik zie de ruiten, vier zijn het er, door de taken. Vier vierkanten door een grillige waas van anderen door de blikzuivere lucht. Ik slaak een pikszwarte zucht. Het geluk slaat op de vlucht en komt nooit meer terug - tenzij dit alles ongedaan wordt gemaakt. Dit kan niet. Ik huiver. Ik heb iemand pijn gedaan.
Mr. X! Ik weet niet, wie ik ben! Ik ben dit lijden, dat weet ik zeker. Maar ben ik ook mijn naam, de gast die ik schijn te zijn? Ben ik wel diegene die rapt? Of is dat juist het properen ongedaan te maken vandit lijden, dit subject zijn? Als ik rap is er slechts de rap, en dan voel ik me heel anders - dan ben ik iets anders. Ik ben dit lichaam dat lijdt, maar ongeacht of je me op het podium ziet of een plaat (zucht, vyniel, ik wil een platenpers in mijn kasteel) van me opzet, degene die rapt is lijkt me degene die rapt, en niet degene die daarvoor en daarna zit te lijden. Ik geloof niet in ik. Ik geloof in leed.
De reden voor mijn afwezigheid is mijn bezigheid en mijn belezenheid, niet mijn spacigheid, hoeveel ik ook rook. Ik rook veel deze dagen. 'deze dagen' straat hier voor een zich over een glorieuze zomer uitstrekkende periode van zalig geluk, slechts onderbroken door de afzwezigheid van rookwaren, die verholpen wordt in een trance van noodzaak, die nauwelijks bewustzijn genoemd kan worden, en die dus wezenlijk niet bestaat. Desondanks beleef ik die momenten, struinend langs de straten bij nacht, zittend in mijn stoel, uren lang starend naar het zwarte raam. Ik wil er niet aan denken. Dat zou onrecht doen aan de arbeid waarmee ik de zak wiet die ik hier voor me op het tafeltje heb liggen heb verdiend, op geenszins zure wijze. Dus ik rook, en denk en ben. En ik schrijf, want ik rap. Ik besta, bij alle standaarden die ik mezelf gesteld heb. Het is zomer en de lucht is blauw. Het raam is geenszins zwart, en ik staar niet, ik kijk.
Maar die nacht wordt het raam zwart. Ik staar, nu. Ik realiseer me, dat iets in mij vanmiddag ook al staarde. Is dit een illusie, een projectie? Als, dan is er geen werkelijkheid die niet in twijfel getrokken moet worden. Ik ga er maar vanuit dan, dat ik nu projecteer, en dat ik vanmiddag gewoon helder was. Het was licht, dus ik was helder. Zo simpel kan het toch niet zijn? Ik bel Brechthold. Hij neemt niet op. Ik pak de tarotkaarten uit de kast en doe een legging. De Hogepriesteres vertelt me dat de noodzaak me leidt tot de 'burden of choice'. Wat moet ik hier nu mee beginnen. Het universum kwelt me als een te strak zittende broek. Ik wil hem uittrekken, en bloot door de straten rondrennen. En schreeuwen, en als het moet, wat mensen die me in de weg staan uit de weg slaan. Vooral dat, eigenlijk. Ik pak mijn spullen en ga naar buiten. Op naar Dread Drock. 'Dread'... interessante dubbele betekenis. Ik ga op dit moment voor de haardracht. Hiphop leeft, hiphop beeft - ik kom eraan. Ik ben hier de betekenis, de significator, de beeldenbreker, de standaard-zetter. Ik, en niemand anders. Dat is hiphop, en dat ben ik.
Ik rap en ik schijn, ik ben dus ik blijf. Ik ben onsterfelijk, dat heb ik vannacht wel verzekerd. Ondanks mijn voorlopige onvermogen me in een freestyle battle te doen gelden kraak ik koppen waar het op de schrijvende rap aankomt, en dat is toch de ware kunst. Of niet? Is mijn freestyle-gebrek een teken van mijn incompleetheid als rapper? Het bezorgt me een onbehaaglijk gevoel. Ik pers het gevoel de deur van mijn hoofd uit. Het mag buiten slapen, zwerven, bedelen en vuilnis eten. Ik voel echter dat het ronddwaalt voor mijn poort, en ik kan het niet van me af zetten. Ik begin in mijn hoofd te improviseren.
Dreadrock, vet hok, rappend stel ik snel op
fel, rellend, kwellend bellend als een welp-sok...
welp-sok. Geweldig. Ik zink in een depressie. Maar ik ga verder met de sessie.
Depri-leprahebbend volop kwekkend rijm brein
zwijm-na-zwijm-na-zwijm pijnigend slijm...
pijnigend slijm. Bah. Dat is waarom ik nooit freestyle. Er komt te veel slijm naar boven.
Redelijkheid en onbaatzuchtigheid. Een of andere mongool probeert het me te verkopen. Staat het tegen me te spuien. Is haat een doodzonde? Als dat zo is, dan ben ik ten dode opgeschreven. Ik haat de mensen hier. Krioelend om elkaar heen - nog erger - om mij heen. Ik sta hier mijn wodka te drinken. Mijn joint te roken. Komen ze tegen mee aanschurken, willen ze iets van me. Van mij. Zij. Hun. Wat scheelt het? Een paar honderd generaties aan evolutie - ze kunnen me van alles gaan melden, maar ik sta hier alleen, op eenzame hoogte. Onverbiddelijk, ik kijk ze aan en probeer mijn walkging te verbergen. Ik ben een goed mens. Mijn hart bonst. Liefde. Dat is waar het op aan komt. Ik geef een van de ventjes een klopje op zijn schouder. Dat had hij niet verwacht. Hij staart me aan. Wil hij iets van me? Ik keer terug tot mijn wodka, en mijn joint. Later rap ik. Ik blaas alle bezwaren van tafel. Talent wordt herkend. Mensen zijn mijn vrienden. Dat vinden ze. Ik speel het spel mee. Ik wil stijgen. Ik wil torenen, ik wil zijn wie ik ben, in het gezicht van alle dwazen die dat niet zijn. Ze zullen voelen wat het betekent, een obstakel te zijn voor grootsheid. Ach natuurlijk zullen ze dat niet. Ze zullen denken, dat ik van ze hou, dat ik ze respecteer. Ik herinner me Jim Morrison, in de film van Oliver Stone. Hij schold ze uit, zijn publiek. "You're all a bunch of slaves!" Dat zou ik moeten roepen. Maar ik ben er nog niet. Bovendien, ik ben niet in Amerika. Ik ben in het drassige sompige Holland, waar de mensen je bijten met rabies, als je ze niet over hun bolletje aait. Het is hier eng, psychotisch. Ik rap erover, omfloerst, zodat niemand het merkt, hebalve ik. Ik heb schik. Ik glimlach wetend. Morgen moet ik om zes uur opstaan. Godverdomme. Ik schop een bierflesje kapot tegen de muur. Het publiek juicht. Het weet niets van leed, existentieel leed...
Ik kom achter de waarheid als inspecteur Verpetten, ongeacht of je me dat wil beletten. Ik kom met de vette teksten die je pletten... waarom rap ik altijd over pletten? Spiderman plette. Pletten in Spiderman is als klirr in Tom en Jerry. Cultuur is al raar, maar bij lange na niet zo raar als vertaalde cultuur. Dat is pas raar. Was het maar waar dat we babbelen in het Babeliaans. Niet als bavianen in het bos er op los in het Pakistaans en het Afghaans, Hoang - ho's of Italiaans, Germaans en Drenths. Alles went. Maar niets leidt to meer. Verdeel en heers, aldus het motto van de logos. Waar gáát dit over? Waar p®aat ik over? Zaad erover. Eh, zand erover. Bank over. Val. Knal! Ik ben niet halal Ik klim uit het dal met Allahs hand en wordt zijn vazal. Dan laat ik hem los en strooit hij bommen op me los. Ik zomp en zuig door de bagger. Ineengekrompen strompelt het lot me achterna, als ik schuil achter een boom voor een dom konijntje. Hebbelief. Ik schrik wakker als De Grote Rapper op mijn schouder tikt. Wil ik een biertje? En of. De avond begint te beginnen.
Ik raak in de zone. Grote dromen overkomen me, bewonen me. Voor even, dan beginnen ze te leven. In de plannen die we maken. Ik en De G R. We zullen de wereld gaan veroveren met Nederlandse rap. Hij lacht ironisch, ik meen het - een dynamisch duo. Daar moet hij om lachen.
-Jij bent echt gefreakt man.
-Denk je?
-Mwoah, joah, dat denk ik ja!
-Ha!
-Dat is geen compliment hoor. Ik heb menig gefreakte ziel van een dak af zien springen.
Hier weet ik niet op te reageren. Zelfmoord... wat een verschrikkelijke gedachte. Ik word kwaad op De Grote Rapper. Denkt hij dat ik daartoe in staat ben? Wat een rotgedachte. Ik probeer het weg te drinken en eroverheen te praten. Het lukt me niet. Ik zie het raam. Het zwarte raam. Ik zie de woeste takken van de Grote Boom, wuiven als vleugels. Ze nodigen me uit. Vrij te zijn. Vrij van dit tranendal. Ik vraag de Grote Rapper direct. "Zie je mij aan voor een zelfmoordpatient?" Hij lacht schaterend. Zelfmoordpatient! Mannen! "Zie wat we hier op de barkruk hebben! Een serie-zelfmoordenaar! Met negen levens, een zwarte kat!" "Kom op" zegt hij. De anderen zijn naar ons omgedraaid. "We geven een showtje weg. " Ik verlies het zicht op het zwarte raam. Ik zie het niet meer. Ik merk dat ik het probeer. Waarom? Doet er niet toe. Niet doen. Bam! De beat rakelt er in, haakt in, breekt in, en ik verhef mijn stem. "Hier is de akelig getalenteerde nooit verkeerde geleerde die jij meer begeerde dan je eerder beweerde! Je jeremejeerde maar daar kan ik wel tegen, komt het daarentegen gelegen dat ik je smoel overpoel met weer wat meer rijmregen? Scherp als een degen of een dolk kom ik als een regenwolk en spoel ik jattend volk weg als een draaikolk.
Ik zie ze kluisteren, aan mijn geluid. Ik ben eer rapper. Ik kan dit. Ik moet vechten om het te geven! Ik wordt erin gezogen, naar buiten toe, net zoals ik net naar binnen toe, het raam in werd gezogen. Zuigers, stelletje zuigers! Ik lach, proest door mijn zin heen. Ik raak de maar kwijt. De Grote zet in. Hij ramt er een paar bars uit die ongenaakbaar, onevenaarbaar zijn. Ik lach. Twee inevenaarbaren, naast elkaar, onafhankelijk en ultiem samen. Samen Ultiem. Goede naar voor een album. Ik rap en verzwelg, de macht is een zwandbak voor mijn kastelen, ik weet dat de zee ze ze zal verzwelgen. Ik rap door. Maar ik merk, mijn doodswanhoop klinkt door mijn keel. Vreemd geknepen Ze weten niet waarom, maar ze merken het. Ze ondergaan het. Wat vreselijk. De macht van een kunstenaar is des duivels. Ik sidder en lach. De nacht duur nog lang. Raps gieren door de nachtelijke kelen, in een heksenketel zonder backstage geprevel... backstage is alleen het zwarte raam. De Boom, met zijn wiegende weemoed.
"Eet je arm, sukkel!"
Waarom vind ik dit zo'n intrigerende zin? Ik zit 'De Moord op Mosman' te kijken. Een film van Brechthold en Djoesef. Mosman vergaat zo ongeveerd tot stront in een onbegrijpelijke fetish van bloedzucht en spaghettipezen in pindakaas. Het is akelig vreselijk. Ik lach maar ik sta er bij stil. Dit kan toch niet? Wat is dit voor wereld? Waarom kan ik dit zien, terwijl het niet gebeurt? Ik sta er alwéér bij stil. Door het raam zie ik de boom, maar daarachter een serie glazen, waarachter zich levens afspelen. Ik projecteer. Twee mannen, een vrouw... ze schaken. Mijn beeld van de mensen verandert in een wiskundig probleem. Ik zie de ruiten, vier zijn het er, door de taken. Vier vierkanten door een grillige waas van anderen door de blikzuivere lucht. Ik slaak een pikszwarte zucht. Het geluk slaat op de vlucht en komt nooit meer terug - tenzij dit alles ongedaan wordt gemaakt. Dit kan niet. Ik huiver. Ik heb iemand pijn gedaan.
Mr. X! Ik weet niet, wie ik ben! Ik ben dit lijden, dat weet ik zeker. Maar ben ik ook mijn naam, de gast die ik schijn te zijn? Ben ik wel diegene die rapt? Of is dat juist het properen ongedaan te maken vandit lijden, dit subject zijn? Als ik rap is er slechts de rap, en dan voel ik me heel anders - dan ben ik iets anders. Ik ben dit lichaam dat lijdt, maar ongeacht of je me op het podium ziet of een plaat (zucht, vyniel, ik wil een platenpers in mijn kasteel) van me opzet, degene die rapt is lijkt me degene die rapt, en niet degene die daarvoor en daarna zit te lijden. Ik geloof niet in ik. Ik geloof in leed.
Ik vind op de boekenmarkt niks en koop bij de Athenaeum de verzamelde aforismen van Ascolo Parodites. De inleiding beweert dat hij een kluizenaar is, die al tien jaar zijn huis niet uit is geweest. Hij heeft een pessimistische levensbeschouwing (dat lijkt me inderdaad) maar bevestigt zijn leed met een ongekende eruditie ook eloquentie. Verkettered en verpletterd door de competitie en de concurrentie, ze beletten hem niet een dimensie te zien die er is - het woud tussen waarheid en leugen. Dit is waar zijn wil een pad trekt, door de wildernis - waar geen recht heerst behalve dat van de meest afschrikwekkende. In het geval van het Wilde Woud en Prins Viridian was dit natuurlijk het verschrikkelijke van de schoonheid - van zijn gelaat, en dan de akeligheid, van het vergif. Het gif op het scherp van het wapen van wee uit de krocht bij de kloof... Ik, koortsachtig, wees en sla, na een krachtsuitspatting op de glanzende plaat en delf derf, en dwaal ver van het erf aan deze kant van goed en kwaad... voorbij het prikkeldraad. Ick ben schnood. Ik bel de Grote Rapper. Hij neemt op en we spreken. Deze keer, spreken we over goed en geen kwaad, niet meer over gisteren maar over vandaag... ik denk na. Ik moet eerst eten, Daar op de brug. Dan over de wal naar de Rock. De dreads op het blok daar in het midden van dat stegenwoud. Ik eet twee frikadellen en twee tosti's. Dan op weg naar de tomatensap aan de bar, waarvoor ik uitgelachen zal worden. Dan: Bier! Is hier, voor plezier. Maar als ik aankom is de stemming moroos. De Grote Rapper zijn vriendin heeft een been gebroken. Iedereen heeft medelijden met haar. Het is ook erg zielig. Ze is door een auto geschept en De Grote Rapper heeft de bestuurder niet eens tot pulp kunnen slaan. In plaats daarvan slaat hij maar met zijn vuist op de muur, en vrij hard ook. Hij vloekt en tiert erbij, en iedereen knikt instemmend. Ik vraag me af wanneer we gaan rappen. Ik opper het, waarop de Grote Rapper fenomenaal boos op me word. Hij noemt me een ongevoelige hork. Ik vraag hem of zijn hand nog okee is. Volgens mij heeft hij hem gebroken zoals hij er bij hangt. Dat kalmeert hem, en hij vraagt de barkeeper om een emmer ijs. Met zijn hand in het ijs bepleit hij nu dat we inderdaad maar bier moeten gaan drinken en rappen. De dj, met wie ik overigens ook al eens zuzie heb gehad, Brax, neemt achter zijn platen plaats en gooit er een beat op. Het festijn gaat los. Ik rap mijn nieuwe tekst, die ik heb opgenomen op Brechtholds metaalgeluidenbeat. Hier doe ik hem op een gladde westcoast beat. Het vloeit zo goed dat ik iedereen aan het sprinen krijgt. Na afloop is er applaus en gejuig. De Grote Rapper legt zijn hand op mijn schouder en roept: De nieuwe belofte van hiphopminnend Nederland! Dan is hij aan de beurt, en rapt een van zijn tong-in-de-knoop-leggende teksten. Hij kan moeilijk bij mij achterblijven hier in zijn eigen stal - het blijft een genie.
Ik strompel naar huis. Ik heb zoveel gedronken en geblowd dat ik niet meer recht voor me uit kan kijken. Alles beweegt, totaal los van welke kant ik op probeer te gaan. Ik bots voortdurend met mijn hoofd tegen muren of val over autos heen. Ik probeer de straat te vermijden, maar dat kan niet altijd. Vaak moet ik oversteken. Op de Wibautstraat wordt het penibel. Ik merk aan getoeter en felle lichten dat een auto me net weet te ontwijken. Anders was ik dood geweest, wellicht. Ik ga verder, en kom heelhuids thuis. Wel val ik nog een stuk van de trap, waarbij ik mijn ouders en zusje wakker maak. Mijn vader brengt me bezorgd naar bed. Hij vraagt of alles wel goed met me is. 'kan niet beter' zeg ik, en mompel wat over de battle die ik gewonnen heb. Hij legt een koud washandje over mijn voorhoofd en ik zie tollende figuren door mijn gezichtsveld vallen. Ik leun opzij en braak plots mijn maag leeg, de vloer onder. Mijn vader is druk in de weer het op te ruimen. Ik val in slaap. Ik droom hectisch, met weel water en boten, en met vuur uit de hemel, en met microphoons waarvan smakelijk wordt gegeten aan een banket van knoestige mannen in een soort lederhosen. Als ik wakker wordt heb ik zo'n scheurende hoofdpijn dat ik die dag mijn bed niet meer uit kom, afgezien om stiekem een kleine joint te rollen en die uit het raam op te roken. Daarna zakt mijn hoofdpijn, maar mijn duizelingen blijven. Ik denk na over het leven. Wat heeft het me nog te bieden? Ik probeer inde toekomst te kijken. Ik zie mijn gebruikelijke fanasieen - ik ben een groot schrijver en musicus en ik woon in een kasteel op een klif. In mijn kelders, kerkers, heb ik een grammofoonplatenpers. Ik stel me er mee tevreden, al voelt het nog niet tastbaar. Hoe kom ik daar? Hoe kom ik van hier, naar daar? Waarmee verdien ik het geld? Met boeken? Ik ben vorige jaar aan mijn eerste roman begonnen, ik heb het eerste hoofdstuk af. Ik moet doorwerken. Ik denk aan de opzet van het verhaal, de twist tussen twee ridders - ik moet zepersoonlijkheden geven. Ze moeten niet alleen op macht uit zijn, maar emotionele redenen hebben voor hun machtslust. Misschien moet ik het er met Brechthold over hebben. Dat is zo'n emotioneel persoon, daar kijk ik soms van op. Ik besluit hem morgen te bellen.
Friday, April 16, 2010
kousebroek
Toen de bom viel, zat Kousebroek aan zijn keukentafel de krant te lezen, waarin berichtgegeven werd van het vredesaccoord. Het viel hem allemaal dus nogal rauw op zijn dak. In de chaos die volgde bleef hij echter kalm, en ging de trap af naar beneden, zodat hij niet met huis en al omlaag zou storten.
Uiteindelijk bleef zijn huisovereind staan, temidden van de enorme ravage, die het bombardement had achtergelaten. Kouseborke verwonderde zich hierover. Hij vroeg zich af of het toeval was, of iets anders.
Uiteindelijk bleef zijn huisovereind staan, temidden van de enorme ravage, die het bombardement had achtergelaten. Kouseborke verwonderde zich hierover. Hij vroeg zich af of het toeval was, of iets anders.
Sunday, April 4, 2010
Edit post 17
Het Bespottelijke Apostel
(De Lof der Zotheid aan Het Zielekruis)
In den beginnen was er de Heere.
Hij deedet zeer veele zaacken.
Zeven van deezen laagen beschlooten in het Eene.
Neegen van de dingen waaren twaalf,
Dertien daagen gingen voorbij.
Terstond stierf de Heere, aan veertien kruizen,
Eén halve maan.
______0 T +_________
Zaligheid weegt zich in het wijdse water
een monster raapt haar vruchten
De bevroren tijd levert een tik
een storm voltrekt en het monster
wordt een weggevaagdheid
Een Blauwe Mantel
Diep Onder De Kraag
Loopt het Enigma van het Woord!
Een Kamer - Een Doel - Twee Willen
Onderbuikgevoelens
bar verhulde barbaarsheid
tegen machtswil, noblesse
smaak en goede gestalte
Zo was het ene
zo was het andere
totdat het gene
dat al deed veranderen.
De diepte viel leeg
als een dood serpent
om me heen.
walging diep
maar ik draag trots
in mijn kielzog
Veredelde rasbarbaar
tegenzeggende onraad
kom hier met je mist
en omring ons -
Door de mist koomen de oogen
van den doodt.
Kasteelen, bevroren
verloren aan het doode serpent
Scherp Licht!
Woesj! Weg!
Maar
waar is het nu?
In de schaduw
daar voor eeuwig
jij godslaster,
dageraad ver van hier
bij de metalen kubus
Op de Bergrug van het Heden?
Incision in Nowhereland
Split the headache
redouble reality,
from profanity to sanity
by sheer force of gravity
within my reverie.
Feverish symmetrician
cutting egde realist
drumbass vernaculator
thrust and dirge
En de Heere werd wakker in zijn verdomde paleis. Het bliksemde ongenadig. Het Noodlot rammelt aan de dueurklink in de raggende rukwind Het geluid wordt overgenomen door een Ekster, bij de vuurtoren, en doorgecommuniceerd aan een onguur suject aan vrije brave kusten.
Aan den Leezer
die dit Leescht
Bijzwijk!
Loome mensch!
acht, geeft toch acht
kom nou,
raak de draad aan die haalbaar maakt wat aanstaat en aanslaat bij de massa, en kassa, was je handen in de was van milennia, de mensen zijn erger dan enge wensen van dieren in hier het is even wennen ja.
Na een bezoek van bezoek aan de kapper is je haar altijd wat knapper, knisperiger, fitter en sappiger.
Jasses wat een gehassewas. Ik gaf gas maar me band was plat.
Hats!
Nieuwe erop-
zoef, je hoort niets meer.
(De Lof der Zotheid aan Het Zielekruis)
In den beginnen was er de Heere.
Hij deedet zeer veele zaacken.
Zeven van deezen laagen beschlooten in het Eene.
Neegen van de dingen waaren twaalf,
Dertien daagen gingen voorbij.
Terstond stierf de Heere, aan veertien kruizen,
Eén halve maan.
______0 T +_________
Zaligheid weegt zich in het wijdse water
een monster raapt haar vruchten
De bevroren tijd levert een tik
een storm voltrekt en het monster
wordt een weggevaagdheid
Een Blauwe Mantel
Diep Onder De Kraag
Loopt het Enigma van het Woord!
Een Kamer - Een Doel - Twee Willen
Onderbuikgevoelens
bar verhulde barbaarsheid
tegen machtswil, noblesse
smaak en goede gestalte
Zo was het ene
zo was het andere
totdat het gene
dat al deed veranderen.
De diepte viel leeg
als een dood serpent
om me heen.
walging diep
maar ik draag trots
in mijn kielzog
Veredelde rasbarbaar
tegenzeggende onraad
kom hier met je mist
en omring ons -
Door de mist koomen de oogen
van den doodt.
Kasteelen, bevroren
verloren aan het doode serpent
Scherp Licht!
Woesj! Weg!
Maar
waar is het nu?
In de schaduw
daar voor eeuwig
jij godslaster,
dageraad ver van hier
bij de metalen kubus
Op de Bergrug van het Heden?
Incision in Nowhereland
Split the headache
redouble reality,
from profanity to sanity
by sheer force of gravity
within my reverie.
Feverish symmetrician
cutting egde realist
drumbass vernaculator
thrust and dirge
En de Heere werd wakker in zijn verdomde paleis. Het bliksemde ongenadig. Het Noodlot rammelt aan de dueurklink in de raggende rukwind Het geluid wordt overgenomen door een Ekster, bij de vuurtoren, en doorgecommuniceerd aan een onguur suject aan vrije brave kusten.
Aan den Leezer
die dit Leescht
Bijzwijk!
Loome mensch!
acht, geeft toch acht
kom nou,
raak de draad aan die haalbaar maakt wat aanstaat en aanslaat bij de massa, en kassa, was je handen in de was van milennia, de mensen zijn erger dan enge wensen van dieren in hier het is even wennen ja.
Na een bezoek van bezoek aan de kapper is je haar altijd wat knapper, knisperiger, fitter en sappiger.
Jasses wat een gehassewas. Ik gaf gas maar me band was plat.
Hats!
Nieuwe erop-
zoef, je hoort niets meer.
Subscribe to:
Posts (Atom)
