Stoffige hoofdstad
bevat het ultieme
meerdere malen
boven twijfel verheven
massieve vlakte
van puur gebeuren
een arrogante lichtstraal
kamt de trotse rivier
In licht uit tijd gebeiteld
spiegelt verborgen wet
in ontelbare slapende ogen
tot een wakende blik schreeuwt
Friday, July 29, 2011
verankerd in de baren
Deze terechtstelling
het schandblok, weer in gebruik genomen
want - zijn we weer bij de les -
schaamte is leven
want de natuur wil zich verhullen.
De wegen kruisen en splitsen en wentelen
in blinde spiralen om elkaar heen
leiden tot niets dan uitputting
neervallen in het stof
slaan op de Aarde.
Deze Aarde beeft dan
geeft gehoor, jawel
zoals de Hemel blijft zwijgen
na talloze diensten aan hem bewezen
kreunt de grond met mij mee
gebarsten basis voor mijn fort
het magma stuwt zich op
als gewelddadig braaksel
uit de maag van de vuurvreter
die geen grenzen kent
Jij wel, ranke vogel
jij kent wel grenzen, niet?
Talloze, ze maken je schoonheid
mogelijk, precies zoals jij
jij weet jezelf te dragen.
Een vogel krast in mijn verleden
ik sla er geen acht meer op
mijn Aarde is me trouw
wie ben ik als niet
de wispelturige hemel?
het schandblok, weer in gebruik genomen
want - zijn we weer bij de les -
schaamte is leven
want de natuur wil zich verhullen.
De wegen kruisen en splitsen en wentelen
in blinde spiralen om elkaar heen
leiden tot niets dan uitputting
neervallen in het stof
slaan op de Aarde.
Deze Aarde beeft dan
geeft gehoor, jawel
zoals de Hemel blijft zwijgen
na talloze diensten aan hem bewezen
kreunt de grond met mij mee
gebarsten basis voor mijn fort
het magma stuwt zich op
als gewelddadig braaksel
uit de maag van de vuurvreter
die geen grenzen kent
Jij wel, ranke vogel
jij kent wel grenzen, niet?
Talloze, ze maken je schoonheid
mogelijk, precies zoals jij
jij weet jezelf te dragen.
Een vogel krast in mijn verleden
ik sla er geen acht meer op
mijn Aarde is me trouw
wie ben ik als niet
de wispelturige hemel?
Wednesday, July 27, 2011
Grijsaard
Bezeten grijsaard
Zijn bevelen schallen geluidsloos
Door de hallen van steen
Die zich mijn hart noemen
Er zijn ooit tekenen geweest
Aan de wanden, nu noest
En onherbergzaam
En ooit galmden veertig stemmen
Machtig en grof, liederen
de gulle woorden des daads
Nu wemelt het hier van slangen
Aan de stoffige voeten, bevroren
Door de kou die spreekt uit gedachten
In het duister-kluivende hoofd
Zijn bevelen schallen geluidsloos
Door de hallen van steen
Die zich mijn hart noemen
Er zijn ooit tekenen geweest
Aan de wanden, nu noest
En onherbergzaam
En ooit galmden veertig stemmen
Machtig en grof, liederen
de gulle woorden des daads
Nu wemelt het hier van slangen
Aan de stoffige voeten, bevroren
Door de kou die spreekt uit gedachten
In het duister-kluivende hoofd
Monday, July 25, 2011
HOLY SHRAPNEL
THE GUARDIANS OF ENTROPY
THE NIHILISTIC HERD
BREAK THEIR MORALITY
IN A BILLION HOLY PIECES!
THE NIHILISTIC HERD
BREAK THEIR MORALITY
IN A BILLION HOLY PIECES!
Friday, July 22, 2011
In De Groezelige Kroeg
De kar rijdt langs de wei over het bospad, aan de rand van het veld van een van de Heren van het Merengebied. Plotinus weet niet waarom hij is verbannen, hij wil het ook niet weten, het kan hem niet schelen, hij is al lang blij dat hij weg is. Maar goed, de weg is nog lang en er is eten nodig. Er zijn alleen naar knoflook ruikende bladeren, van wild is geen sprake laat staan dat hij iets zou kunnen vangen, hij heeft geen touw of mes. En vissen met een speer zou moeten werken maar vuur maken, tsja, dan maar met dat houtje proberen. Hij vraagt zich af of hij dit gaat redden, en zet de pas erin, met de bedoeling op een geschikt moment het bos in te stevenen. Hij moet ergens onvernachten bovendien, dat moet geregeld voor de nacht valt.
Overleven is een dagtaak, beseft Plotinus en komt er voorlopig niet aan toe zijn idealen bot te vieren.
Hij moet ze maar samenvatten, dat hij ze niet vergeet, Dan maar zo: tierend tegen een boom:
"Alles dat is, is omdat het niet zomaar bestaat, maar zichzelf wil zijn, zichzelf waardeert. Actief zichzelf is. Aangetrokken is tot zichzelf. In zelfherkenning geworteld. Dit is vorm, van waaruit wij de ledigte bespiegelen.
Vandaar dar kunst altijd te buiten gaat, en perken stelt.
Vandaar dat we weten zonder te denken
vandaar dat alles onverwacht nuttig blijkt
vandaar dat men zich nooit af mag keren van het onverwachte
vandaar dat moed nuttig is
en niet dom, en intelligentie dapperheid vereist.
Overleven is een dagtaak, beseft Plotinus en komt er voorlopig niet aan toe zijn idealen bot te vieren.
Hij moet ze maar samenvatten, dat hij ze niet vergeet, Dan maar zo: tierend tegen een boom:
"Alles dat is, is omdat het niet zomaar bestaat, maar zichzelf wil zijn, zichzelf waardeert. Actief zichzelf is. Aangetrokken is tot zichzelf. In zelfherkenning geworteld. Dit is vorm, van waaruit wij de ledigte bespiegelen.
Vandaar dar kunst altijd te buiten gaat, en perken stelt.
Vandaar dat we weten zonder te denken
vandaar dat alles onverwacht nuttig blijkt
vandaar dat men zich nooit af mag keren van het onverwachte
vandaar dat moed nuttig is
en niet dom, en intelligentie dapperheid vereist.
Thursday, July 21, 2011
Gemenebest
Laat dit de laatste dwaas zijn in het woud
de dag voor hij het woud verlaat
en terugkeert naar zijn burcht
en zijn torenkamer, waar hij als magier uitziet over de velden
de dag voor hij het woud verlaat
en terugkeert naar zijn burcht
en zijn torenkamer, waar hij als magier uitziet over de velden
Friday, July 15, 2011
dat dit bestaat
Gedicht van een vriend, een woord dat duidt zo
mijmerend, ik keek uit het raam in mijn herinnering
de regen die ik binnen voelde suizen nu ook
zachtjes ruist mijn bloed
ik denk dat ik denk en ik weet dat ik droom
soms weet ik te denken
dan denk ik eigenlijk niets -
ik bedenk - ik plaats wat blijkbaar was in het licht
en zie de wereld zonder regels,
alleen bestaan,
alleen dit, wat bestaat
omdat het dit is
dat bestaat.
De haan kraait
het is laat
de avond valt
over de streek
van Groningen
waar een oude vriend begraven ligt.
___
Steeds als ik gewillig was
kwam het noeste dier
reed ik met het samen
over de deining
Steeds als ik verbeet
knarste de wereld
en kwam hij tot stilstand
____
Ohoeboeroe, Langhors en Ardanwen kapen de kust voor steeds-weer-stad
de weerlichten en duitse ufo's en pimpelpaarse reuzenraden en geel verlichte kroketten
En de Peere zei tot de koeke:
Jo, maar heb je nog eh, je weet wel?
Zei die koeke: NEE!
maar zo is die.
"Das Universum - ein Maschine, die aus Atomen und einer Art von Medium zwischen ihnen zusammengesetzt ist; die Gesetze der Energie sind die Gesetze, welche die Wirkung dieser Maschine berherrschen."
mijmerend, ik keek uit het raam in mijn herinnering
de regen die ik binnen voelde suizen nu ook
zachtjes ruist mijn bloed
ik denk dat ik denk en ik weet dat ik droom
soms weet ik te denken
dan denk ik eigenlijk niets -
ik bedenk - ik plaats wat blijkbaar was in het licht
en zie de wereld zonder regels,
alleen bestaan,
alleen dit, wat bestaat
omdat het dit is
dat bestaat.
De haan kraait
het is laat
de avond valt
over de streek
van Groningen
waar een oude vriend begraven ligt.
___
Steeds als ik gewillig was
kwam het noeste dier
reed ik met het samen
over de deining
Steeds als ik verbeet
knarste de wereld
en kwam hij tot stilstand
____
Ohoeboeroe, Langhors en Ardanwen kapen de kust voor steeds-weer-stad
de weerlichten en duitse ufo's en pimpelpaarse reuzenraden en geel verlichte kroketten
En de Peere zei tot de koeke:
Jo, maar heb je nog eh, je weet wel?
Zei die koeke: NEE!
maar zo is die.
"Das Universum - ein Maschine, die aus Atomen und einer Art von Medium zwischen ihnen zusammengesetzt ist; die Gesetze der Energie sind die Gesetze, welche die Wirkung dieser Maschine berherrschen."
Wednesday, July 13, 2011
9:1
Overhaast bij het meer aangekomen zag ik de deining wegtrekken, voordat het stil was, zoals Eland bedoeld had.
De Eland sprak tot me: jongen, je moet je niet zo haasten! Dan lijken dingen allemaal ingewikkelder, dan ze al zijn.
Je moet begrijpen, niet leren.
En toen zweeg de Eland in alle talen.
De Eland sprak tot me: jongen, je moet je niet zo haasten! Dan lijken dingen allemaal ingewikkelder, dan ze al zijn.
Je moet begrijpen, niet leren.
En toen zweeg de Eland in alle talen.
8:6
En de Heere zei tegen me: laat de stormen waaien en de bomen omvallen, en verheug je in het gekraak en gedreun, en ga op in de wind en verwelkom de bliksem en dans op het dreunen, en baadt je in de woeste stroom des levens. En hij deed de deur dicht van zijn kamer, en ik stond weer in het leven, in deze wereld, waar God niet aanwezig pleegt te zijn behalve in de aard van de dingen zelf. En ik draaide me om naar de wereld en zag de dingen die ik had gedaan en waarin ik had geleefd, en ik keerde me weer om naar God maar de deur tot hem was gesloten. En ik maakte aanstalten te kloppen maar voelde toen een donderbui afgaan in mijn hart, en ik vertrok van de deur van de Heere en daalde af in mijn daden, mijn wegen en mijn velden, en betrad het huis van mijn leven, dat in brand stond, en redde daaruit wat er te redden viel en dat was alles, wat van waarde was voor mij, en niets, wat ik had bewaard omdat het ooit wellicht iemand anders tot waarde zou kunnen zijn.
Nu was de wereld vol wind en storm en regen en weerlicht, en ik trok daarin onverschrokken op naar nieuwe einders en grote rivieren om te overkruisen, en ik zag kastelen tegen de barse lucht en begon mij een beeld te vormen van de wereld, dat zich nog niet eerder aan mij voorgedaan had. Een beeld van heroische drakentemmers en beeldschone wondermaaksters, braven mensen die geloven in het goede en dappere mensen die het goede scheppen. En over de slechte en armzalige mensen in de woestijnen en toendra's dacht ik niet na, want ik bevond me in aardse rijkdom, waar het leven gul is en men niet constant op Gods deur hoeft te kloppen voor rechtvaardiging. Ik besefte dat de wereld veel vreemder was dan ik me had voorgesteld, en dat ik er meer op mijn plaats was, dan wie ook.
Nu was de wereld vol wind en storm en regen en weerlicht, en ik trok daarin onverschrokken op naar nieuwe einders en grote rivieren om te overkruisen, en ik zag kastelen tegen de barse lucht en begon mij een beeld te vormen van de wereld, dat zich nog niet eerder aan mij voorgedaan had. Een beeld van heroische drakentemmers en beeldschone wondermaaksters, braven mensen die geloven in het goede en dappere mensen die het goede scheppen. En over de slechte en armzalige mensen in de woestijnen en toendra's dacht ik niet na, want ik bevond me in aardse rijkdom, waar het leven gul is en men niet constant op Gods deur hoeft te kloppen voor rechtvaardiging. Ik besefte dat de wereld veel vreemder was dan ik me had voorgesteld, en dat ik er meer op mijn plaats was, dan wie ook.
Friday, July 8, 2011
R:3
Dit is alles. Het grote regenwoud. De oerberg en de eenzaamheid. Het boek der geschrevenheid staat gebeiteld in het leven. Een cactus staart rood naar het hemelse, de hemelzee, de starende sterren staan alleen verbijtend de stilte, het geraas in hun binnenste dat al het andere verstomt. Dit alles begint nergens en eindigt overal, verdoemd en vermaand en verbloemd en van gedaante verwisselend, eeuwig weerom als de maan boven het meer steeds weer anders liefheeft, steeds mooier haar vluchtige deugden uitstrooit en zich verstopt. Zo mooi scheen het weer, toen ik geen wolken zag - zo akelig is het nu, onder de rokende vulkaan. Dus hiervandaan, Piet - uit dit oord, waar de aarde woest is en de hemel ledig.
Wednesday, July 6, 2011
8:16
Het grauwe wapengekletter ging maar door de afgrond en klonk door de darmwanden van de Heere. Hij had Maagzuur. Het Maagzuur was een wezen, dat hij in zich gekreeerd had - en dit wezen noemde zichzelf: mens.
En de mens was, en hij bestond, en hij leefde in het Oerwoud.
En het Oerwoud was de Heere en de Slang was de Mens,
en de Aap was de Mens, en de Mens was de Aap. En het oerwoud gaapte,
en het dier werd geboren. De mens scheidde het af als een belastingvoordeel, en het kwam neer
op vrij voedsel, en welbespraakt gevolgelte.
En de mens was in orde, en er bestond zo iets als: de kosmos. En het Maagzuur van de Heere
had zich laten afscheiden met de ergernissen van de vorige dag en legde zich neer bij de feiten: de taak tot verteren.
En zo kwam het, dat het Maagzuur tot Overmens werd, en de Heere diende als de Bovenmens.
En de mens was, en hij bestond, en hij leefde in het Oerwoud.
En het Oerwoud was de Heere en de Slang was de Mens,
en de Aap was de Mens, en de Mens was de Aap. En het oerwoud gaapte,
en het dier werd geboren. De mens scheidde het af als een belastingvoordeel, en het kwam neer
op vrij voedsel, en welbespraakt gevolgelte.
En de mens was in orde, en er bestond zo iets als: de kosmos. En het Maagzuur van de Heere
had zich laten afscheiden met de ergernissen van de vorige dag en legde zich neer bij de feiten: de taak tot verteren.
En zo kwam het, dat het Maagzuur tot Overmens werd, en de Heere diende als de Bovenmens.
Friday, July 1, 2011
5:5
En de Heere sprak me toe: Jij gumbal, malend in de kaken van het lot, laat je niet breken, laat je niet inslikken. En ik werd wakker uit een dommeling tegen een grote steen en voelde dat mijn huid droog en heet was, en dat ik dorst had. Het was tijd om verder te gaan. En de Heere gaf me een zetje in de rug in de vorm van een briesje, dat uit het niets mijn rug een koele tinteling gaf. En ik wandelde en wandelde, en de zon ging schoon een braaf onder, en de lucht werd een schouwspel en ik vergaapte me eraan en toen was het donker, en wandelde ik nog steeds. En door de nacht bleef ik gaan, en ik kreeg het koud maar ik gin door en ik hoorde geluiden in de bosjes maar ik sloeg geen acht op ze, ook al vreesde ik in het diepst van mijn hart niets meer dan de dingen waar ik geen acht op sla... en zo kwam ik ongedeerd aan in de ochtend, die me leidde tot een riviertje. Dit riviertje volgde ik stroomopwaarts en nadat ik mij gewassen had en gedronken, kruiste ik de stroom en volgde hem niet langer, maar week af het land in, mijn gevoel tegemoet.
Ik kwam mij een dorpje en, mijn neus volgend, vond ik een bakker en kocht brood. Dat at ik zittend op een stenen stoepje op, en merkte op hoe leeg het dorpje was, hoe kaal zon neerscheen op de stenen, en hoe langzaam het leven van de mensen hier moest zijn. Hoe leeg ook, voelde ik treurig, en stond op en verliet het dorpje.
Toen kwam ik bij een weiland, en doorkruiste dat en kwam bij een andere weiland met een hek eromheen en een boer die er iets op een het bewerkstelligen was. Ik riep de boer. Hij kwam me tegemoet en ik vroeg: hoe kom ik bij de dichtsbijzijnde stad? De hboer keek om zich heen een scheen te peinzen - alsof hij diep in zijn geheugen moest graven om zich een stad te herinneren. Tenslotte wees hij naar het noorden, waar ik vandaan kwam. Ik knikte en bedankte hem, en liep verder naar het zuiden. Dan maar geen stad.
Toen de nacht weer gevallen was sliep ik, genesteld in mos,onrustig, maar werd verfrist wakker. Een toch door het bos volgde, en ik at bramen en bosbessen, en dronk de dauw van de bladeren. En ik kwam aan op een grote weg, waar paarden reden. En ik volgde de weg tot ik stadsmuren zag oprijzen. En uiteindelijk werd ik binnengelaten in deze stad en zocht ik de herberg, waar ik wijn dronk en brood at, en de moeheid van mijn leden vergat, en in een dromerig gesprek raakte met een vrouw die me vertelde van mijn bestemming, dat ik hem gevonden had en dat ik hier zou blijven in deze stad. Ik herinner me niet in slaap te zijn gevallen maar ik werd wakker in een zacht bed, met naast mij dezelfde vrouw en buiten het geluid van zingende mensen. Ik voelde me vrediger dan ik voor mogelijk had gehouden, en sloot mijn ogen. Tot op de dag van vandaag sluit ik mijn ogen en lig ik daar, in dat bed.
Ik kwam mij een dorpje en, mijn neus volgend, vond ik een bakker en kocht brood. Dat at ik zittend op een stenen stoepje op, en merkte op hoe leeg het dorpje was, hoe kaal zon neerscheen op de stenen, en hoe langzaam het leven van de mensen hier moest zijn. Hoe leeg ook, voelde ik treurig, en stond op en verliet het dorpje.
Toen kwam ik bij een weiland, en doorkruiste dat en kwam bij een andere weiland met een hek eromheen en een boer die er iets op een het bewerkstelligen was. Ik riep de boer. Hij kwam me tegemoet en ik vroeg: hoe kom ik bij de dichtsbijzijnde stad? De hboer keek om zich heen een scheen te peinzen - alsof hij diep in zijn geheugen moest graven om zich een stad te herinneren. Tenslotte wees hij naar het noorden, waar ik vandaan kwam. Ik knikte en bedankte hem, en liep verder naar het zuiden. Dan maar geen stad.
Toen de nacht weer gevallen was sliep ik, genesteld in mos,onrustig, maar werd verfrist wakker. Een toch door het bos volgde, en ik at bramen en bosbessen, en dronk de dauw van de bladeren. En ik kwam aan op een grote weg, waar paarden reden. En ik volgde de weg tot ik stadsmuren zag oprijzen. En uiteindelijk werd ik binnengelaten in deze stad en zocht ik de herberg, waar ik wijn dronk en brood at, en de moeheid van mijn leden vergat, en in een dromerig gesprek raakte met een vrouw die me vertelde van mijn bestemming, dat ik hem gevonden had en dat ik hier zou blijven in deze stad. Ik herinner me niet in slaap te zijn gevallen maar ik werd wakker in een zacht bed, met naast mij dezelfde vrouw en buiten het geluid van zingende mensen. Ik voelde me vrediger dan ik voor mogelijk had gehouden, en sloot mijn ogen. Tot op de dag van vandaag sluit ik mijn ogen en lig ik daar, in dat bed.
Subscribe to:
Posts (Atom)
