En de Heere sprak me toe: Jij gumbal, malend in de kaken van het lot, laat je niet breken, laat je niet inslikken. En ik werd wakker uit een dommeling tegen een grote steen en voelde dat mijn huid droog en heet was, en dat ik dorst had. Het was tijd om verder te gaan. En de Heere gaf me een zetje in de rug in de vorm van een briesje, dat uit het niets mijn rug een koele tinteling gaf. En ik wandelde en wandelde, en de zon ging schoon een braaf onder, en de lucht werd een schouwspel en ik vergaapte me eraan en toen was het donker, en wandelde ik nog steeds. En door de nacht bleef ik gaan, en ik kreeg het koud maar ik gin door en ik hoorde geluiden in de bosjes maar ik sloeg geen acht op ze, ook al vreesde ik in het diepst van mijn hart niets meer dan de dingen waar ik geen acht op sla... en zo kwam ik ongedeerd aan in de ochtend, die me leidde tot een riviertje. Dit riviertje volgde ik stroomopwaarts en nadat ik mij gewassen had en gedronken, kruiste ik de stroom en volgde hem niet langer, maar week af het land in, mijn gevoel tegemoet.
Ik kwam mij een dorpje en, mijn neus volgend, vond ik een bakker en kocht brood. Dat at ik zittend op een stenen stoepje op, en merkte op hoe leeg het dorpje was, hoe kaal zon neerscheen op de stenen, en hoe langzaam het leven van de mensen hier moest zijn. Hoe leeg ook, voelde ik treurig, en stond op en verliet het dorpje.
Toen kwam ik bij een weiland, en doorkruiste dat en kwam bij een andere weiland met een hek eromheen en een boer die er iets op een het bewerkstelligen was. Ik riep de boer. Hij kwam me tegemoet en ik vroeg: hoe kom ik bij de dichtsbijzijnde stad? De hboer keek om zich heen een scheen te peinzen - alsof hij diep in zijn geheugen moest graven om zich een stad te herinneren. Tenslotte wees hij naar het noorden, waar ik vandaan kwam. Ik knikte en bedankte hem, en liep verder naar het zuiden. Dan maar geen stad.
Toen de nacht weer gevallen was sliep ik, genesteld in mos,onrustig, maar werd verfrist wakker. Een toch door het bos volgde, en ik at bramen en bosbessen, en dronk de dauw van de bladeren. En ik kwam aan op een grote weg, waar paarden reden. En ik volgde de weg tot ik stadsmuren zag oprijzen. En uiteindelijk werd ik binnengelaten in deze stad en zocht ik de herberg, waar ik wijn dronk en brood at, en de moeheid van mijn leden vergat, en in een dromerig gesprek raakte met een vrouw die me vertelde van mijn bestemming, dat ik hem gevonden had en dat ik hier zou blijven in deze stad. Ik herinner me niet in slaap te zijn gevallen maar ik werd wakker in een zacht bed, met naast mij dezelfde vrouw en buiten het geluid van zingende mensen. Ik voelde me vrediger dan ik voor mogelijk had gehouden, en sloot mijn ogen. Tot op de dag van vandaag sluit ik mijn ogen en lig ik daar, in dat bed.

No comments:
Post a Comment