Friday, July 22, 2011

In De Groezelige Kroeg

De kar rijdt langs de wei over het bospad, aan de rand van het veld van een van de Heren van het Merengebied. Plotinus weet niet waarom hij is verbannen, hij wil het ook niet weten, het kan hem niet schelen, hij is al lang blij dat hij weg is. Maar goed, de weg is nog lang en er is eten nodig. Er zijn alleen naar knoflook ruikende bladeren, van wild is geen sprake laat staan dat hij iets zou kunnen vangen, hij heeft geen touw of mes. En vissen met een speer zou moeten werken maar vuur maken, tsja, dan maar met dat houtje proberen. Hij vraagt zich af of hij dit gaat redden, en zet de pas erin, met de bedoeling op een geschikt moment het bos in te stevenen. Hij moet ergens onvernachten bovendien, dat moet geregeld voor de nacht valt.
Overleven is een dagtaak, beseft Plotinus en komt er voorlopig niet aan toe zijn idealen bot te vieren.
Hij moet ze maar samenvatten, dat hij ze niet vergeet, Dan maar zo: tierend tegen een boom:

"Alles dat is, is omdat het niet zomaar bestaat, maar zichzelf wil zijn, zichzelf waardeert. Actief zichzelf is. Aangetrokken is tot zichzelf. In zelfherkenning geworteld. Dit is vorm, van waaruit wij de ledigte bespiegelen.

Vandaar dar kunst altijd te buiten gaat, en perken stelt.
Vandaar dat we weten zonder te denken
vandaar dat alles onverwacht nuttig blijkt
vandaar dat men zich nooit af mag keren van het onverwachte
vandaar dat moed nuttig is
en niet dom, en intelligentie dapperheid vereist.

No comments:

Teller

HTML hit counter - Quick-counter.net