Friday, July 18, 2008

Dagboek uit Damascus

Het gezang begint en vermengt zich met het geronk en getoeter vanuit de straten en het plein onder me. Het is niet duidelijk of het nou bewolkt of helder is. Een permanente waas van uitlaatgassen verhindert direct zonlicht de stad te beschijnen.
Ik moest hard lachen toen in in Beirut op tv de inwijding van Saddam Hussein voor nog zeven jaar aan het hoofd van het land zag. Dit gebeurde symbolisch door het overhandigen van twee voorwerpen. 1) ter symbool van kracht: Het Zwaard, dat Saddam heel stoehaspelig na vier pogingen in de schede wist te wurmen. 2) ter symbool van intelligentie: The Giant Pencil, wat werkelijk een podloot van een halve meter lang bleek te zijn.
Net als in New York zijn hier de helft van de auto's taxi's, en net als in New York zijn ze allemaal geel Met z'n allen rijden ze rondjes om het plein.
Achter me - ik zal niet omkijken - is het Syrische ministerie van veiligheid en geheime zaken - Wesam schrok toen hij hoorde dat ik vannacht van mijn balkon had gefilmd. Hij verdacht meteen de twee mannen die hier de namen van de gasten waren komen opvragen ervan dat ze op zoek waren naar mij. Misschien had hij nog gelijk ook.
Hier beneden hebben ze een aantal smoezelige bioscoopjs waar ze B, C en D-films draaien, van Van Damme en When Dinosaurs Ruled the Earth tot lokale soft pornofilms. Een daarvan ga ik zeker een dezer dagen bezoeken.

Ik heb een hamburgertent gevonden. Laf, maar mijn darmen zijn al de hele week van slag. Het heten - vooral in Libanon - smaakt zeker niet slecht, maar het is blijkbaar op een manier klaargemaakt die niet past bij mijn lijf.
Ik heb besloten door de stad te gaan lopen en dat ben ik ook gaan doe - maar het is hier zo stoffig en benauwd en ik kan zo moeilijk communiceren dat ik me afvraag of het me wat oplevert. Ik hou ervan alleen te zijn, maar in Arabië verdwaalt een eenzame westerling toch snel. Denk ik.
Hamburgers.
Bweurrr - was dat nou lekker? Nee. Hetzelfde lijzige smaakje dat veel eten hier heeft. Ik denk terug ana de maaltijd die Mariël me vooschotelde de dag voordat ik hierheen vloog - in de zeven kleuren van de regenboog.
Een man wil m'n blikje cola wehalen - maar dat heb ik nog hard nodig om m'n maag te kalmeren.

Ik had een droom dat ik plotseling een prachtig appartement aan de Dam had, op de plaats waar Krasnapolsky staat. Arie vroeg zich af hoe het zat, dat ik toch net bij hem was komen wonen - ja inderdaad, ik had nu twee huizen, en ik had al mijn vrienden op bezoek.

Pfoh, die hamburger valt niet goed.

Wat doe ik hier? is nog steeds de vraag. Jim Morrison zong 'there are only four ways to get unravelled, one is to sleep, the other two travel'. Deels is het zo dat ik te weten ben gekomen wat ik niet wil: politiek-maatschappelijk filmen. De lauter esthetische beelden die ik gisteren van meelf het het groene licht van mijn hotelkamer maakte deden me meer dan alle interviews met de Libanezen in de voormalig bezette gebieden. Ik verwonderde me daar toen ook al over. Ik wist dat het bijzonder was wat ik voor de lens kreeg, maar het boeide me niet. Behale het gezinnetje in de olijfboom en op de eerste dag het gezin van Wesam's schoonfamilie, op die open pario met moeder de vrouw in het midden en al die kinderne die over de gallerlijen in het rond renden. En dat meisje dat me door die balon met haar grote ogen aanstaarde. Jammer dat ik daar niet mocht filmen.

De muziek gaat aan.
Ik kijk uit over de grote bergrug die Damascus omringt en waarop zich de arme wijken bevinden.
Twee jongedames zonder hoofddoek lopen langs. Die zijn hier meestal minder mooi dan de vrouwen mét.
De hamburger begint een beetje te zakkeb. Ik stap straks maar weer eens op. Een militair loopt binnen en vlak langs me, en kijkt me in het voorbijgaan erg gevaarlijk aan.
Ik heb de Israelische geheime dienst al achter me aan, nu ook nog die Syrische - goed, ze vechten het samen maar uit.

Het military museum. Een rustiek, vredig parkje met stelletjes die elkaar zacht toefluisteren op de bankjes, onder de koele schaduw van de vleugels van een bommenwerper. De logica van de arabische wereld ontgaat me soms toch echt. En dat dat niet zo vreemd is ontdekt ik toen ik, in een Shi-itisch informatiecentrum, er na drie pogingen in slaagde een boek open te slaan, en merkte hoe fundamenteel anders het voelt om van rechts naar links te lezen.

Die droom die ik had over dat huis aan de Dam - nadar alle vrienden weg waren kwam de huisbaas binnen voor een inspectie - een vlotte joongeman - en die vertelde mij dat het duidelijk was dat ik homo was. Ik ontkende dit, maar hij hield stellig vol - hij had al zijn argumenten klaar - ik kan me niet herinneren dat ik overtuigd was.
Volgens ene Osho, een sprituele gast die volgens Muhab, een vriend van Wesam in Beirut, voremoord is door de CIA, is homosexualiteit een symptoom van het verliezen van de wil tot leven. Hij had ook zijn ergumenten klaar. Ik heb toch een zekere zus die het tegendeel aantoont.

Een man op een bankje neemt een slokje thee. Ik word al wee als ik er naar kijk. Ik heb véél teveel van dat spul gedronken hier. Brrrrr. Geef mij maar het koude, regenachtige Nederland.

Krekels tsjilpen. Twee jongensstemmen galmen. 's Nachts is de sfeer die door de open balkondeuren naar binnen komt meer die van een dorp dan van de oudste stad ter wereld met zes miljone inwoners.
Ik heb net in de 'common room', die grenst aan mijn kamer, met twee Arabieren Mars Attacks gekeken. Zij zaten hem te kijken toen ik terug kwam van een late tocht op zoek naar voedsel. Na een stuk door de stille volle maanverlichte stad te hebben gelopen kwam ik bij een zaak waar ik zowaar croissants in de vitrine zag liggen. Daarbij hem ik voor moregen ook nog een tonijn-sandwichen een stuk chocoladecake gekocht. de man achter de toonbank was ontroerend lief - op het lachwekkende af - zo blij als hij was iemand uit Nederland e bedienen. Je hebt mensen met die instelling hier, net als het tegenoergestelde. De jongen bij de kassa lachte een beetje plichtmatig, en dacht er het zijne van.
Op een terrasje bij een sap-zaak waar ik een groot glas verse jus kocht, dronk ik en at ik de twee croissants. Onderwijl kwam 'Civil War' in mijn hoofd (en daarna nog wat liedjes) en zingend liep ik terug naar het hotel, waar Mars Attacks aanstond. Onderweg kreeg ik een moeilijke blik van een kauwende soldaat bij een van de wachthokjes hier in de straat, toen ik hem aan bleef kijken in het voorbijgaan. Een reuze-spannende dga was het weer. De tas fruit en de croissants hebben mijn darmen overigens goed gedaan - mijn poep is niet meer vloeibaar.

Maar dat was tijdelijk, helaas. De lucht is nu echt blauw - dat kan dus ook, maar ik heb alle behoefte verloren om naar buiten te gaan. Ik moet hier nu bekend staan als de man die in zijn eentje de grootste kamer heeft en die er alleen uit komt om te poepen. De hotelbaas voor dit etmaal vroeg me of ik voortaan het WC papier in het vuilnisemmertje wilde doen in plaats van het door te spoelen. Hoe laat zou het zijn? Pas een uur of twaalf, denk ik - nog 40 uur te gaan, totdat een taxi me komt ophalen een naar het vliegveld brengt. 'T is twenty years till then...
In Beirut, de laatste avond, ging ik op zoek naar een bar, en kwam twee Noordamerikanen tegen - her schiet me nu te binnen dat had ik hun niet aangesproken en met ze mee naar de Smugglers Inn gegaan, ik op de kade bij de zee zou zijn aangeland, wat de hele koers der dingen had kunnen veranderen - dan had ik géén kater gehad en misschien besloten om wél de hoge Hezbollah figuur te interviewen - hoewel, nee, Wesa durfde dat interview soweieso niet meer aan met mijn camera.
Hoe kom ik de dag door? Misschien toch maar het Wainamoinen boekje lezen. Ik heb ook nog steeds wel zin in een slecht B-film.

Ik droomde vannacht dat ik met nieuwe kung fu broeders, net ontmoet, naar de wing tjun dojo ging op hen een proefles te laten nemen, toen één van mijn ming tjun broeders zijn hoofd door de deur stak en net wist uit te brengen: De Dai Shing... Daishing Benno bleek dood te zijn gegaan! Net als alle anderen die daar al waren barstte ik in huilen uitm en steeds was er het beeld van de meester, aardige, intelligente en soepele Friese geweldenaar.

Shuddaj. You cannot put an elephant on an airplane.
Dat was heftig. Een man met een baard bij het stalletje waar ik noten kocht - ik groette hem, en toen gierde hij het uit in een volsrekt maniakale lach, en zei dat ik bang voor hem was.
Ik had eerder op de dag besloten toch de tocht te wagen naar de huizen op de bergwand, die je van overal in de stad ziet, waarvoor Saleem, de vrolijke vriend van Wesam, me had gewaarschuwd als 'popular' wijken. Natuurlijk bleek dat daar, zodra de straten begonnen te stijgen, de glitterwinkels die overal in de stad hetzelfde zijn, uit het beeld verdwenen en de stad een kakakter kreeg. De straat die ik besloot tot het eind te volgen liep stijl omhoog, met al stoep een trap. Met alle glitterwinkels had ook de Kalverstraat-drukte plaatsgemaakt voor een rust - her en der een mens of een auto. Toen ik op een gegeven moment omkeek zag ik wat ik had willen zien: de stad van bovenaf. Enorm. Tot zover ik kon zien strekte hij zich uit, tegen de roodblauwe lucht van de vallende avond.
Ik kwam bij een muur, de straat liep dood. Ik klom via een trapje op de muur en ging zitten. Voorbij de muur begon een soort steeg-erf dat ik maar als privéterrein beschouwde, en uit discretie niet betrad. Ik zat hier ook mooi genoeg van het uitzicht te genieten en mijn hart tot rust te laten komen, toen een vuurpijl van een dak nar beneden in het straatje vloog. Vanachter een dakrand, een meter of twee hoger dan ik staken drie jongenshoofden omhoog, die tegen me begonnen te roepen, en met hun duim en wijsvinger tegen elkaar begonnen te wrijven. "Heey! Excuuuuuuse me! Ho! Heeey! Buisiness!!!" riepen ze ze, onderwijl Michael Jackson-achtige gebaren makend. Ik maakte een gebaar van 'ja, het is goed met je', en ze verdwenen weer achter de dakrand. Ik rochtte mijn blik weer op de gloedvolle lucht waartegen het zeer esthetische silhouet van tientallens chotelantennes zich aftekende, toen ik vanachter de dakrand onder gegiechel een salvo water tevoorschijn zag komen. Ik had geen tijd om het te ontwijken, het was niet echt veel, maar ik rook aan m'n kleren of het niet iets anders dan water was. Op dat moment volgde er nog een salvo, waarop ik opstond. Naast me stond ineens een klein jongetje dat dezelfde gebaren als zijn vrienden op het dak aan het maken was, en ook "Money" en "buisiness" en "excuuuuuuse me! hallo!" en zelfs iets dat leek op "tha dough" herhaalde, als een plaat met eenkras erop.
Ik was niet van zin mijn portomonee tevoorschijn te halen en bankbiljetten te gaan uitdelen, dus ik ging er niet op in, maar toen maakte hij een mooi gebaar: hij riep nog eens 'buisiness' en speelde dat hij met duim en wijsvinger een muntje in de lucht schoot, zoals je wel eens in Amerikaanse films ziet. Ik volgde zijn voorbeeld, met een echte munt, die in plaats vanin zijn hand beneden ons muurtje op de straat terecht kwam. Hij snelde de trap af, opgewonden roepend tegen zijn vrienden op het dak, en ik volgde hem naar beneden, waar ik hem mijn overige munten gaf en hem op zijn kortgeschoren bol klopte. Ik vond het een goed moment om te vertrekken, voor ik straks de hele buurt aan mijn broek had. Ik begon naar beneden te lopen toen ik een schavend geluid en een schreeuw hoorde, het jongetje was in zijn opwinding op de stenen gevallen. Moeilijk stond hij op en roepend verdween hij een steeg in.

Weer in de iets lagere wereld met wel al winkels, maar bepaald geen van het glittersoort, kocht ik een pen - deze - bij een zaakje waar ik wel iets moest kopen - de etalage viel me op omdat er wel objecten in stonden maar allemaal zo schimmig en onsamenhangend dat het niet lukte om er ook maar op één de aandacht te verstigen. Ik twijfelde, en gluurde tussen de objecten door naar binnen, en toen ik achter de toonbank ook pennen zag, betrad ik het piepkleine winkeltje, Tegen de muur naast me stonden een aantal dozen met speelgoed dat weliswaar westers was, maar van een archaisch slag, dat nooit tot Nederland is doorgedrongen.
Ik wees een pen aan, testte hem en betaalde, Toen liep ik verder naar beneden. Daar kwam ik, in een al kapitaaldragende zone, bij het voornoemde notenstalletje.
De man die daarnaast op een krukje zat had een grijze lange baard en groen gewaad, en heel vreemde, glasharde groen-bruine ogen met ovale pupillen. Hij sprak wat duits, en richtte ich tot me met een gierende lach, die hij bleek te hebben geslaakt in de observatie dat ik bang voor hem was. Ik was zelf nog niet tot die conclusie gekomen, maar kwam er al snel, door een ziekelijk gevoel in mijn buik, achter dat hij gelijk had.
Na een onbeduidend stuk gesprek dat ik me niet meer herinner zei hij uitdagend: Weisst du Osama Bin Laden Er ist eine Gute Muslim! A Good Man! En hij gierde het weer uit van het lachen.
Ik was hierheen gekomen in de veronderstelling dat vrij veel mensen hier die mening zouden zijn toegedaan, maar tot nu toe had ik alleen maar mensen gesproken die de aanslagen veel sterker dan ikzelf veroordeelden als van slechte moslims, of dachten dat de Zionisten ervoor vrantwoordelijk waren. Maar nu was er deze man, die zijn naam voor mee vertaalde als Mohammed Glücklich, hier in zijn eentje in het 21ste eeuwste straatbeeld precies de engel des doods stond te zijn die je in Bin Laden ziet. Die ogen waren écht eng. Niet menselijk, eerder van een hagedis of een slang.
Zolang hij me niet aanraakte - daar was ik voornamelijk bang voor - was het uitdagend om met hem te praten. Ik vroeg hem of hij dan niet dacht dat de aanslagen gepleegd warne door de Amerikanen zelf, om een excuus te hebben voor het voeren van oorlog. Deze mening bleek niet nieuw voor hem, maar hij schudde zijn hoofd, en zei: "America, Pflllrrrr" terwijl hij met zijn duim omlaag wees. Amerika down the drain, so to speak.
Ik kon hem niet volkomen ongelijk geven, het gaat niet helemaal goed met dat land, als ik de uitspraken van de politici daar hoor. Maar of deze man iets beters vertegenwoordigde? Hmm. Wel iets sterks, iets glas-hards. Zo aan die ogen en lach te beoordelen. Hij en zijn soortgenoten tegen de harde kern van het wapenkapitaal, die gaan veel verderf naar het oppervlak halen voordat ze elkaar kapot hebben gemaakt.
Ik heb nog steeds dat gevoel in mijn buik.
De maan is vol.
Op weg terug bevond ik me ineens temidden van mismaakten en gehandicapten, terwijl ik zelf voortdurend 'You cannot put an elephant on an airplane" bleef herhalen. Ik zal blij zijn als ik veilig op Schiphol land. En hier kom ik voorlopig niet meer terug.

De volgende ochtend.
Nu ik naast diaree ook nog keelpijn heb begin ik toch een pesthekel aan dit land te krijgen. Alleen Polen is lelijker. Ik droomde net dat ik met Vincent en Sander L in het vliegtuig zat en dat we landden in een tunnel - en ineens hoor ik Vincent zeggen: "Dit overleven we nooit." En inderdaad, de piloot stuurt zodanig dat de vleugel hard tegen de muur schampt, maar het toestel ontploft niet. De volgende paar haarspeldbochten (erg handig in een landingsbaan) neemt hij op het nippertje zonder schade.

[Damascus, 2002]

Thursday, July 17, 2008

Eufemysmus' vlucht voor het Konijn

Het stupide konijn ploetert in het afgrijselijk krappe kooitje dat ik net, noodgedwongen door de allesverterende stank die ervanuit ging schoongemaakt heb, om iets te bereiken. Zich er thuis te voelen? Nu z'n vloer niet meer bezaaid is met z'n eigen schijt schijnt het zichzelf er niet meer in te herkennen. Stom grijs kutbeest, kill yourself, hang yourself wit a barbed wire, put yourself out of your misery! Net probeerde het de ijzeren staven van zijn gevangenis door te knagen.
Voor me, op mijn matras, staat een whiskeyglas met appelsap, uit Bryan's krakkemikige stereosetje klinkt Anu DiFranco. Voor me aan de wand hangt een kleed vol egyptische ikonen en een staafje wierook doet verwoedde pogingen de amoniakstrontstank te overmeesteren. Als het daar al in slaagt zal het maar voor even zijn. Incence burns. Shit stays.
Eufemysmus zat in kleermakerszit op de vochtige stenen van zijn cel. Hij keek omhoog, de duisternis boven hem was te dicht, te machtig om met zijn blik te doordringen. Hij zuchtte en streek met zijn hand langs zijn kin. Hoe zou het komen dat hij geen baardgroei had? Misschien het karige voedsel, misschien het gebrek aan perspectief in zijn gedachten aangaande de realiteit, misschien was er ook wel een simpele biologische verklaring, misschien was er iets misgegaan bij zijn geboorte, ooit, in een andere wereld, in een andere tijd, in een werkelijkheid die hem nu onwerkelijker voorkwam dan de bizarste flarden van dromen die hem kwelden of streelden gedurende de koude nachten hier, in zijn wereld, hier in zijn kerker.
Diep in de lege blik, de glanzende ogen van zijn versteende metgezel zag Eufemysmus zijn eigen ogen ontvlammen. Een vlijmscherpe steek van schrik boorde dwars door zijn hart en nestelde in zijn ruggegraat. Zijn keel sloot zich om zichzelf als de afschuwelijke grep van een anaconda, zonder te twijfelen stierf hij met aan zijn lippen een wraakzuchtige grijns.
De ratten in de kieren van de muren keken elkaar aan, diep geschokt.

Ver, ver weg, zeven keer zeven keer zeven horizonnen verwijderd van alle ellende, proefde twee zoete lippen een vleugje eeuwigheid en wentelden zich in een genadeloos verleidelijke glimlach.
Legioenen vielen en vervielen tot gruis. De wind nam ze moeiteloos mee en strooide ze uit gedurende drie vruchtbare jaren.
Steden verreen en sterren vergingen, zonder dat een mensn in de steden daar ooit iets van te weten zou komen.
Wijze schepselen zwegen in berusting, dwazen spraken, joelden en gierden van het lachen en vielen in slaap, precies zoals ze de vorige avond hun staat van bewustzijn verlieten, terwijl de wijzen de maan in haar heldere oog keken en dachten aan wil, futiliteit en verschrompelde pracht die de noodzaak benadrukt en ontkent.

Laila zat op haar vaders leren bank en dacht aan gemaskerde mannen die haar kleren met hun degens aan flarden sneden, Ze bewoog haar bezwete dijen langs het strakgespannen leer en genoot van het geluid dat ze daarmee veroorzaakte. Ze hoopte, ze dacht en ze droomde, maar ze wist het nog niet, ze wist het niet, maar ze zou het spoedig te weten komen, want dat was haar lot.

"Een boek, een boek," dacht de schrijver in circels, "en waarom?" De vragen wilden niet gaan slapen, als hyperactieve kleuters die voor alle lomscholen waren afgewezen en rusthuizen in lichterlaaie zetten.

Langs de snelweg stonden zeven cactussen, verguld van bitter sap, dat in staat was verlangens op te wekken, verlangens naar gouden universa en bruine café's. Het konijn dronk verwoed en moest sterven het papier was zo snel van essentie veranderd dat het opging in vlammen.

[1998, Madison, Wisconsin]

Karakter

Ik liep tegen de avond aan, het gras was nat onder mijn voet.
een kristallen druppel trok mijn aandacht. Eruit kwam een bij, Die vertapte ik. Ik keek naar de rode gloed voor me. Ik keek omlaag en zette het op een lopen, blindelings het onbekende van de aanlokkelijke nacht in.
Sterren duizelden, een spiraal van lichten omvatte mijn hoofd en ik zweefde heerlijk machteloos naar de tafel waar de kosmische handen me op zouden plaatsen.
Neergelegd onder messen, niet bang, nieuwsgierig.
De pijn is niet voelbaar.
Toch schreeuw ik, maar onhoorbaar.
Alles lijkt een formaliteit.
Ik sta op de grond, stevig geplant, kijk om me heen en zie kastelen, donderflitsen die inslaan in het niets.
Ik stap op de tere plantjes voor me met een wrede grijs op mijn gelaat.
Toch voel ik me niet wreed. Ik kijk naar een koe voor me, en beschouw het beest als een koningin van een domein, dat ik weliswaar niet ken, maar waar ik respect voor heb.
Ik negeer de koe verder zo goed als het gaat, en zet koers naar een der kastelen.
Aangekomen bij de poort geniet ik van het natte gekraak van de ophaalbrug als ik er voet op zet.
Dan wordt de brug opgehaad en ik tuimel tegen de poort aan, die open valt, en ik rol naar binnen, een warme stenen hal in. Ik zit op mijn knieën, drijfnat, en kijk naar en wordt aangekeken door etende volkslieden. Men gaat snel weer door met de maaltijd.
ik blijk de mensen te kennen, ik sla mannen op hun schuders, wissel kussen en lieve blikken uit met vrouwen. Er wordt mij een zetel aageboden. Weldra ben ik ook kip van het bot aan het kluiven. Het smaakt goed. Een glas dofrode wijn erbij. Ik raak in een roes en vertel mijn verhaal, dwars door de verhalen van de anderen. Samen vormen onze verhalen een groot verhaal, dat niemand verstaat. Almachtig rijst het tot in de nok van het kasteel en vandaaruit tot in de hemel, waar God het noteert in zijn opschrijfboekje, terwijl hij aan de lijn is met een van zijn engelen.
"Waar hem je hem gelokaliseerd?"
"Spoor hem op en breng hem bij me."
"Nee niet nu. Morgen."
"Ik lees hier net een interessant verhaal."
"Ja, over bossen en wouden."
"Nee, die heb je niet in de hemel. Die moest ik hier maar eens aanleggen."
"Zoek er maar iemand voor."
God hangt op met een grom, die niet geheel onvriendelijk is. Hij gaat verder met het lezen van ons verhaal.
Hij verdiept zich in de koning diens kroon die zo klein is voor zijn glorie, en diens prinses, die rozewitte jurken draagt en een zilveren en diamanten kroontje dat als een diadeem haar blonde haren bijeenhoudt. God zoekt naar haar karakter. Dat is niet zo één twee drie in het verhaal te vinden. Hij besluit er zelf een te bedenken.
De prinses is witheet, maar sublimeert haar woede. Ze is witheet omdat ze geen uitweg heeft voor haar glorie. Ze is niet godsdienstig, dus richt ze zich niet tot God, wat haar een gemoedsrust zou kunnen geven. In plaats daarvan besteed ze haar tijd met het bedenken van plannen om haar vaders strijders het hoofd onhelder te maken en daarmee te testen wie de betrouwbaarste is. Ze komt tot de conlcusie dat dit Walchibard is, een gezette krijger van middelbare leeftijd met een woeste bruine baard en haardos.
God vind dit nog geen bevredigend karakter. Hij laat het er voorlopig bij. Hij volgt het verhaal verder en leunt achterover. Hij steekt een pijp op en wordt voor een moment een met ons. Karakter is van secundair belang, mijmert hij.

Ik sprak de schedel

Wie ben jij?
vroeg de onbekende
aan de strijder.

Ik ben gelauwerd,
geprezen en
ik weet niet waarom.

Wat kom je doen?

Ik kom zoeken
naar onbetreden oorden.

Waarom denk je
dat ik je daarbij helpen kan?

Dat denk ik niet. Dat weet ik.
Al geruime tijd.

Wat zal je doen als
ik je meeneem en loslaat?

Ik zal vallen tot er vleugels
aan mijn schouders groeien,
en dan zal ik zweven,
tot ik besluit weg te vliegen
van de gloed van het wapengekletter.

Geef je het op?

De strijd
heeft mij opgegeven,
maar gespaard.

Waarom?

Omdat de sikkel van de nieuwe maan zich
om mij sloot toen ik met het mes
aan de loop van mijn geweer inhakte
op de buik en de borst van de zwangere vrouw.

Ken je jezelf?

Nee. Wie bent u?

Men noemt mij de Schedel en ik bewaak de grenzen.

Bent u geboren?

Ik was en ben waar ik zal zijn.

Gelooft u?

Ik zie.

Wat ziet u?

Ik zie slangen kronkelen langs jouw ruggegraat.

Wat betekent dat?

Voor mij betekent dat dat er slangen langs je ruggegraat kronkelen.
Voor jou betekent het waarschijnlijk dat je leeft.






[1998, Kfar Giladi]

Jij Was Het

De slagman naderde, zijn spieren spatten in slow motion van zijn lijf. Hij duikt - de honkman kijt omlaag, verschrikt, onder hem is de witte plaat opengereten door een zwarte klauw die zich naar zijn bovenbeen uitstrekt.

De scheidsrechter.
Dansend als een losgeslagen brandweerspuit zwaait hij zijn armen en krijst, verblind in concentratie. Zijn oordeel onststijgt hem en spat uiteen als een chinese vuurpijl boven de honderdduizenden die ademloos bevriezen - en dan exploderen in een furie van woede en geluk.

Waarom?
Waarom zat de slang op zijn knieën bij de waterval?
waarom huilde hij?
Waarom schonk de barman de vloeistof in het kristal?
Waarom bezweek de koningin onder het gewicht van de kroon van haar zoon?
Waarom waste de dader de kleverige onschuld van zijn handen in het reine water van de daad?
Waarom sloot de diender de houten poort die nacht?
Waarom marcheerden de insecten in een kolonne door de kloven tussen de eeuwige stoeptegels?

Sneeuwwit was het dak van de garage toen de bloeddruppel de kartelrand van de dolk waarwel zei. Pikzwart was de nacht om de ronde maan toen die sprak: Jij was het.

[1998 Kfar Giladi]

Visioenen

Ik dwaalde door donkere dalen, dagen leken nachten, nachten leken op niets.
Ik zwierf er weken, misschien maanden, zonder een teken van bewustzijn om me heen.
Ik was alleen, alleen met het geritsel van onzichtbare dorre bladeren onder mijn voeten. Alleen met de onhoorbare kille wind die soms plotseling langs mijn nek scheerde.
En toen, toen ik alle besef van tijd en ruimte verloren had, zag ik het schouwspel, het steekspel in de koepel van licht tussen de vijf stenen torens.
Mijlenver leek het, maar met mijn eerste stap stond ik er middenin.
Midden tussen de briesende krijgers op schreeuwende rijdieren.
Voor een moment hield ik mijn aden in, en het tafereel stokte, de krijgers versteenden.
Toen liet ik de adem uit me ontsnappen en loste ik op in de lucht boven de koepel van licht, die blies in de wind en me bracht naar de avond van de nacht. Naar daar waar ik het wit onstuimig tegen de deuren hoorde kolken. En daar sprak ik met de Adelaar. Hij kwam, gevleugeld als een vogel naar me toe vanuit een draaikolk in de donderwolk onder ons. Hij ontsloot zijn snavel en heette me welkom. Ik betrad hem en raakte verzeild in gewelven van bloesemroze en breekbaar geel.
En weer dwaalde ik, dagen en dagen, de nachten werden overgeslagen.
Eens, toen ik een lieflijk zijpaadje van de vloeiende tranenweg in was geslopen, kwam ik bij een groene woning.
Ik luidde de zilveren klankhoorn en toen stond ik midden in het vertrek waar de goedmoedige verenbal omringd werd door gelukkige tijden en bloemen met meeldraden die op gouden harpen speelden.
De ruimte had geen muren, maar werd afgesloten van de zaken die er niet toe deden door een ondoordringbare zweem van vreemde klanken, die iedereen die zich verwonderde meevoerden in een kolkende droom naar het kasteel van kleuren.
Daar werden zij, samen met mij, onthaald door de koning met het manengewaad.
Als hij sprak schitterden irissen die opgloeiden uit de glinsterende lucht.
Als je hem aankeek vloeide zijn blik je ogen binnen als fonkelende wijn en dan voelde je warme, bruisende vloeistoffen dansen met je bloed, dat in euforie je aderen verliet voor je zenuwen, om daar in harmonie omheen te wentelen.
Door een luik in de wolken vloer daalde ik af tot in de rups die toen in een vlinder veranderde en vloog als een veulen naar de zon, en toen naar binnen, waar het warm was en koel tegelijk, en licht, maar niet verblindend zodat je kon kijken terwijl je droomde.

[1998, Kfar Giladi]

Zevenmijls Harrie en de Bezwaren van het Binnestebuiten Zijn

Zevenmijls Harrie banjerde door de prairie. Gadverdarrie, dacht hij, ik krijg toch geen berrie-berrie? Maar helaas, het was al te laat voor ijdele overpeinzingen, en tijd voor een stevige douche.
Harrie zocht naar een palm met een douche-kokos, en vond er bovendien één. Zo gepiept, als een kind in de was. Nagenoeg elk insect dat op Harries overheerlijk huidje aasde werd weggespoeld door de overvloedige stort van likwieden.
Nog meer! schreeuwde het schemerende publiek in extase - Nog meer oeverloosheid! Nog meer onzin!
Tegen een dergelijke overwacht weigerde Harrie het op te nemen zonder UV bescherming. Hij wist wel beter sinds zijn scheikundeleraar eens de nadelige bijverschijnselen van een gebroken jukbeen op Harries donzige vacht had geprojecteerd. Dus, om het maar obrupt te zeggen, Harrie maakte een eind aan zijn plotselinge aanwezigheid en werd een kokosnoot.
Het rare hieraan was dat hij niet leek op een kokosnoo, nee, integendeel, hij leek veel meer op een citrusvrucht naar keuze, of desnoods, als we toch moeilijk doen, op zevenmijls Harrie. Dat is best, juiste lezer, Zevenmijls Harrie zat in de penarie als een rastafari zonder juanmari. Een kokosnoot zijnde en zich een kokosnoot voelende echter, van hart tot nieren en in top en teen, besloot Harrie het op z'n gemakkie te doen en dankbaar gebruik te maken van de penibele situasie.
het was Harrie, die zijn geweten met deze afgrijselijke schanddaad had bezoedeld. Hij moet het geweest zijn. Wie anders? Toegeven, Harrie had in het verleden ook een niet gering aantal schurkenstreken begaan, maar gezien de omstandigheden, een lantaarnpaal en een halfopgegeten baksteen, stond het voor iedereen als een paal boven water dat Harrie de schuldige was. Nu zat hij in Burger ransheerlijk te smullen van het aantebuitengaanbare. De prijs was dan ook niet gering. Harrie keek naar buiten, en juist op datzelfde moment liep er een mens langs. Enkele kokhalzingen later was het gebeurd: Harrie was binnenstebuiten. Meteen schoten enkele paractische bezwaren hiervan door izjn hoofd, alsof het staakt het vuren vlaggetje met het pleisterwerk van Harries schedel was afgebladderd.

[1998 Kfar Giladi]

De Ondeugende Duig

Harrie stond op in de vroege ochtend van de lange dag. Hij ramde op zijn wekker zodat het akelige gepiep ophield en ging met een kreun rechtop zitten op zijn stinkende matras, middenin in een scherp ruikende natte plek. 'Gadverdarrie!' riep hij uit en sprong op, waarbij zijn schedel de schemerlamp raakte. Deze tuimelde van de kast waar Harrie'sinmiddels overleden oudtante hem een halve eeuw geleden met veel zorg op had gesteld en viel in duigen. Een van de duigen verschool zich voor Harries stoffer en blik, met het oogmerk Harries blote voet een snijwond toe te brengen.
Waarom? Wat bezielde deze duig?
Daavoor zullen we terug moeten gaan naar het verleden, ver voor de geboorte van Harrie, Lubbers, en zelfs Julius Caesar. Jawel, deze ondeugende duig was oud, stokoud. Hij had het tijdperk van de bonkaarten meegemaakt, de dagen van de eerste stoomwals, op de vooravond van de renaissance had hij op Sergustavio Carvellazzettoni's vensterbank de geestelijke rellen gadegeslagen en hij had nog meer beleefd. Nog veel meer. Zoveel dat het niet op te sommen was, en dat was nu juist wat de duig zo frustreerde. Hij iwlde dat toch zo graag, zijn belevenissen opsommen,ze dan het liefst noteren, in een klein rood boekje, waar hij ook telefoonnummers en grappige ideeën in kon optekenen. Maar dat was dus allemala onmogelijk, en dat was wat de duig bewoog tot het overgaan tot harde acite - het verwonden van Harrie.
'Au!' riep Harrie uit, toen hij met het zachte vlees zijn het middenste stuk van ijn rechtervoet op een scherf ging staan. 'Jasses, dat moet mij weer gebeuren, snel, Jodium pakken uit het keukenkastje.'
Harrie snelhinkelde vlug de trap af en buitelde naar het keukenkastje, Hij opende met een geweldige ruk het deurtje en daarbij viel de kokendhete pan met nog hetere tomatensoep over zijn alreeds gekwetste voet.
'Au! Driefwerf au!' schalde Harrie's schelle stem door de scheve straten van Schellingwoude. Harries noodkreet werd gehoord door velen. Binnen enkele momenten was het hele dorp dan ook op de been, gemobiliseerd door het diepgewotelde solidariteitsgevoel dat zo kenmerkend is voor kleine gemeenschapjes in het midden van het niets. Maar Harrie was al de pijp uit. Helaselijk, want de schrijver kreeg weer eens moede polsen enn degene die de inspiratie voor Harrie deed opborrelen bij de desperate schrijver had zijn zetel verlate en was naar buiten gesneld, in een zoektocht naar leven inde brouwerij. Tsja, het gaat niet over rozen als het over tulpen gaat.
[1998, Kfar Giladi]

Saturday, July 12, 2008

zonlicht & goud

In de wereld van het afscheid en de volle maan bestaat ook een ander ding: De onzichtbare waarheid, ofwel de heilige leugen.

De zichtbare waarheid wordt altijd gedefinieerd door een veelheid, waarover het de allesduidende zonlicht uitraalt. Hier is de waarachtigheid der dingen in de facetten die kleuren en texturen veroorzaken te ontdekken, en daarbij ligt een éénheid der dingen niet voor de hand. 's Nachts is dit eerder aan de orde, als alles omvat is in de sluier van het duister, en daarmee één wordt; dus de eenheid van het onzichtbare.
Het wordt hiermee bevattelijk voor een individu, die hiermee een eigen bewustzijn kan gaan vormen. Het individu treedt dus pas aan bij zonsondergang. Daarvóór is God nog te groot.

De wereld zelf heeft een eeuwige innerlijke wereld. Dieper nog dan de oceaan, waar het Godenrijk en de verbeelding leeft, zit de reptielenbrein van onze magmakluit. Daaronder is het in haar voortlevende vuur van de Zon, vanwaaruit de Aarde is ontstaan. Goud is in het lichaam van de Aarde verspreidt. Ik vraag me af in welk stadium van de Zon/Aarde-afscheiding goud tot zijn vorm is gekomen.


Wessok.

Wednesday, July 9, 2008

Erfzwaard

'Die barbaarse troepenmacht bevalt me niets, daar aan de horizon' sprak Aegud.
'Had je liever gehad dat ze al hier waren?' grapte Grombord. Maar hij wist wat zijn maat bedoelde. Zijn rechterhand omklemde het gevest van zijn zwaard dat in een lange lederen schede aan zijn heup hing. Het zwaard was van zijn overgrootvader geweest. Zevenenzestig harten had het doorboord. Grombords vader was voor het merendeel daarvan verantwoordelijk geweest. Grombord doorboorde meestal de schedel. Welke organen of lichaamsdelen zijn verdere voorvaderen met het wapen hadden doorkliefd wist Grombord niet. Soms dacht hij er wel eens aan, dan haalde hij het zwaard uit de schede, hield het voor zich zodat zijn gezicht erin weerspiegelde, en vroeg: 'Zwaardje zwaardje... wat voor lekkers heeft Grootopa Palmud jouw allemaal laten proeven?' Het zwaard trilde dan even. Daaruit maakte Grombord op dat het in ieder geval mooie tijden voor het zwaard waren geweest. Hijzelf was niet zo expirimenteel. Meer van praktische aard was hij: gezien de hoeveelheid hartelozen die rondwaren in de bossen van de wereld leek het hem zinniger hoofden te doorklieven dan borsten.
De troepenmacht was veranderd van een stofwolk tot een grotere stofwolk. Grombord keek zijn maat aan. Die fluisterde een gedicht.

'Bloedrode avondnacht,
Kijk in mijn hart
Kijk in mijn beenderen
Vindt de kracht.'

Grombord knikte instemmend, Zelf was hij geen dichter. Maar hij voelde het, wanneer woorden wáár waren. De mannen haalden hun zwaarden uit de scheden en renden schreeuwend hun noodlot tegemoet.

Dokter Samarinda

Piet werd gefrustreerder en gefrustreerder. Niet alleen gloeide zijn hoofd nu, ook zijn handen begonnen onbedaarlijk te trillen, zodat hij zijn theekopje moest neerzetten op het glazen tafelblad. Dat veroorzaakte een enorm gerinkel en alle bezoekers keken verstoord op. Piet was zich daar wel van gewaar, maar koos ervoor het niet te zien door met zijn hoofd tussen zijn schouders sjachrijnig naar zijn handen te kijken, die maar bleven trillen. Het was ook verdomme toch niet te verteren, hoe hij hier op de wachtlijst was geplaatst. Hij, Piet. Op de wachtlijst. Tussen al dit schoelje, dit schorriemorrie, dit schorem, deze schoften, schurken, schavuiten, schandelijk schietvoer. Scheer je weg! Dacht hij tegen een ieder in de wachtruimte. Maar een ieder was met zijn eigen zaken bezig, en sloeg alleen acht op Piets ongecontroleerde temperament, wat men nu niet bepaald zo hoog aansloeg, dat men geneigd was telepatisch onderzoek te doen om Piets ware gedachten te leren kennen, laat staan dat daar dan gevolg aan zou worden gegeven door deze arme mensen, die tenslotte elk voor zich ook een soort Piet waren, elk met een gevoel voor eigenwaarde - maar dan iets minder vet aangezet, en iets minder gefrustreerd.

Piets nummer werd omgeroepen. Alsof hij zich schaamde dit nummer inderdaad aan zich verbonden te hebben gekregen stond hij schichtig op, terloops, alsof zijn opstaan niets met het omroepen van een nummer van doen had. Hij was toch geen bevelenopvolger, geen radertje in een machine! Maar wel wilde hij graag de uitslag van de test weten. Dus hij begaf zich naar de deur met daarop nummer 6, en morrelde aan de deurkruk. Die morrelde terug, en zo was er gedurende enkele momenten een gefrustreerd en voor de medebezoekers van het Gezondheidscentrum te Halfweg irritant gemorrel gaande. Piet steeg niet in achting. Tenslotte ging de deur open, en daar zat, in doktersjas, een Afrikaanse vrouw, die Piet met grote donkere ogen aankeek. Piet was meteen gie-ganties opgelucht. Als hem dan toch door een ander mens verteld zou worden hoe het met hém gesteld was, dan toch echt liever niet door een roze bleekhuidige man met een ironisch lachje dat zich permanent rond de mondhoeken had genesteld met het verkondigen van zoveel heil en onheil tegen zoveel bleektrillende geslachtofferdenl, zoals hijzelf. Piet glimlachte naar de dokter, en schudde haar hand. 'Piet' zei hij. 'Dokter Samarinda' sprak de dokter. 'Ik zal uw testresultaten er even bijpakken.'
Ze haalde er een mapje witte papieren bij en begon te lezen. Ze trok haar wenkbrauwen op, en keek Piet aan. 'Is het zo erg?' vroeg Piet. Zonder wat te zeggen ging de dokter verder met lezen. Nogmaals keek ze hem onderzoekend aan. Ze legde de testresultaten weg, en vouwde haar handen op het tafelblad. 'U kunt weer gaan'. sprak ze.
Piet keek haar verbluft aan. 'U kunt weer gaan?' herhaalde hij, implicerend dat deze mededeling vanzelf uitleg vereiste. 'ú kunt weer gaan.' verbeterde de dokter hem. 'Ik ben hier nog de hele dag nodig'.

Piet probeerde zijn gedachten op een rijtje te krijgen. Hij was op van alles onvoorbereid geweest, maar hierop al helemaal. 'U kunt weer gaan..' herhaalde Piet nogmaals. Voordat Dokter Samarinda hem nogmaals kon verbeteren sprak hij vlug 'ik bedoel ik kan weer gaan.'. Samarida vouwde haar handen weer en knikte. Nu meende Piet een glimlachje te ontwaren. 'U bent heel aantrekkelijk, dokter - mag ik Samarinda zeggen?' 'Dat mag' sprak Samarinda vriendelijk. 'Dank u wel.'
Veel meer pijlen had Piet niet op zijn boog, en na wat aarzelen stond hij op uit zijn stoel. Hij stond nu tegenover Samarinda, en keek bovenop haar rijkgevulde boezem. 'Maar ik wil helemaal niet gaan' sprak hij, en tegelijkertijd deed hij een wilde greep naar de papieren in haar hand. Samarinda trok deze terug en hield ze voor haar borst. Nu had Piet noch zijn testgegevens, noch zich op haar boezem. Zijn greep had verkeerd uitgepakt. 'Ik moest maar weer eens gaan' sprak hij, en Samarinda's blik bevestigde dat.
Voordat Piet de deur achter zich sloot wierp hij nog een blik op de dokter, en zag dat ze de papieren weer had neergelegd. Toen ging het slot soepel klik, en Piet zag dat zijn handen niet meer trilden. 'Volgende!' sprak hij met gezag door de ontvangstruimte. Niemand reageerde, maar dat merkte Piet niet meer.

Tuesday, July 8, 2008

Haat En Bochtige Weggetjes

De bestuurder besteeg de vrachtauto met een misdadige grijns op zijn gelaat. Hij trok zijn laarzen aan en startte de motor van het monsterachtige gevaarte. Een rollend geraas overspoelde het benzinestation in de Franse Alpen en verdween toen de bocht om. Niemand in het benzinestationwinkeltje zag de bestuurder ooit weerom. Ten minste, niet dat zij wisten. Toen hij de bocht om was toonde de bestuurder de ware aard van zijn verschijning in de bergen. Alleen hijzelf zag het schouwspel door het achteruitkijkspiegeltje. De strepen op de weg zwalkten door zijn gezichtsveld en irriteerden hem mateloos. Maar niet zo mateloos als de wijze waarop hij zich de vorige avond te buiten was gegaan aan hetgeen aanwezig was geweest in de herberg. Bepaalde herinneringen bleven rondspoken rond het netvlies van de bestuurder. Hij vermoedde dat ze hem iets probeerden te vertellen, maar hij schiep er een groot genoegen in ze te negeren. Dat gaf hem een gevoel van macht. Net als de vrachtauto die hij trachtte in toom te houden over de kronkelige maar vooral smalle weggetjes die hem de berg op leidden. Soms kwam een tegenliggend voertuig hem tegemoet. Dan had hij de keuze de vermoedelijke inzittende al dan niet van het leven te beroven. Meestal koos hij voor niet. Deze keer koos hij voor wel. De vermoedelijke inzittende had zich namelijk bij de bestuurder in diskrediet gebracht door in een peugeot 403 te rijden. Dat haatte de bestuurder. Als iemand het gore lef toonde zich in een peugot 403 voort te durven bewegen. Dus hij beukte hem hard het ravijn in. Dat zal hem leren. Veronderstelde hij. Maar toen de knal van de ontploffing uit de peilloze diepte omhoog kwam gesudderd was de bestuurder al weer met iets anders bezig. Hij had namelijk opgemerkt dat er een vliegje op de buitenkant van het voorruit van zijn vrachtauto liep. Ook zulk gedrag weigerde de bestuurder te tolereren. Dit keer was het echter wat lastiger er iets aan te doen. Maar de bestuurder was voor geen gat te vangen dus hij klom, na het gaspedaal met een zinken staaf te hebben vastgezet zodat de vrachtauto niet tot stilstand zou komen op het bergweggetje en zo gevaarlijke situaties zou kunnen veroorzaken, uit het zijraampje op de motorkap, trok zijn laars uit en vermorzelde hiermee het vliegje. Tenminste, dat dacht hij, want het was een ander vliegje. Dit vliegje had namelijk een darmstelsel en het andere, bewuste vliegje niet. Zonder het te weten had de bestuurder dus een onterechte moord begaan. Dit weerhield hem er echter niet van weer terug te klimmen door het raampje en de macht over het stuur weer op zich te nemen. Toen reed hij plotseling verder.

Saturday, July 5, 2008

In het gloeiende Zand

Dit is het einde. Het moet afgelopen zijn. Nu. Het kan niet anders zijn. Wat moet er nog gebeuren? Wat kan ik nog ervaren dat niet in het niet valt bij dit? Geen toekomst, zodra het heden is afgelopen. Brandend, als de kop van een toorts. heet als ontvlammend zwavel. Een hagedis met vleugels. Een kameleon die uit zijn ei kruipt temidden van een regenboog. Een scarabee die uit het niets ontstaat in de kern van een een diamant en de steen uiteen doet spatten in miljoenen fonkelende sterren.
Hij sprong en viel. Hij zweefde omlaag met duizelende vaart. De wind suisde langs hem, probeerde zijn gezicht te doorboren met verlammende kracht.

Een vogel krijst, onzichtbaar vanuit het verblindende licht, dat verzengend neerdaalt op de witte zoutvlakte en weerkaatst in zijn gezicht. Geratel. Een slang? Gealarmeerd draait hij zijn hoofd, het vergt teveel kracht. Hij zinkt ineen op zijn knieen, zakt voorover, leunt op zijn handen, maar kan zijn eigen gewicht niet torsen en bezwijkt.

Liggend in het gloeiende zand dacht ik terug aan de weg die ik aflegde om hier te komen, de weg die nietsvermoedend leidde tot het onvermijdelijke eindpunt, het onverbiddelijke stootblok, dat zonder waarschuwing, zonder signaal, zomaar midden op de rails stond te wachten, alsof het er altijd was geweest.

Hij sloot zijn ogen en zag vloeistoffen, vloeiend door slangen, buizen, aderen, lekkend, druppelend in rijke druppels die gul en rijkelijk vallen op zijn gezicht, zijn wangen, zijn lippen.
Hij probeert zijn lippen af te likken maar heeft geen vat meer op zijn schuddende lichaam. hij glimlacht zonder zijn mondhoeken te bewegen. Herkenning, als een deja-vu in een droom in bed, thuis in de winter onder warme dekens, morgen vrij, uitslapen, opstaan om twee uur, thee zetten en een ei bakken, zonder hitte. Zonder zout. Tomaten. Vochtige, sappige, rode tomaten. Tomaten als watermeloenen. Watermeloenen als waterbalonnen gevuld met ranja. Kleverige siroop. Mieren, een kruistocht van mieren dwars door rotsachtige stoeptegels voor de deur in de lente. Koele warmte in de scherige avond. Voetballen tot de bal onzichtbaar wordt.

Verder. Voort moet ik. Nog zoveel verder, nog zoveel zien, horen, aanraken. Zachte, koele huid van een dochter in een verboden tuin met lelies en doornstruiken achter prikkeldraad. Rode striemen, leren riemen, knallen, echoend door de binnenplaatsen. Gezucht op de patio, in de schaduw, verscholen achter de rij van marmeren zuilen.
Tranen. Warm, verleidelijk vocht, stroomt uit bloeddoorlopen ogen over zachte wangen. Een zweepslag, wang en gehemelte scheuren, gebid verbrijzeld.

Met een verschrikte blik keek de hagedis hem in zijn uitgedroogde ogen. Wat zag het dier? Dacht het? Dacht hij, of werd hij gedacht? Droomde hij of was hij een droom? Hij voelde zich een circel, een oneidig fragment van een volmaakte bol zonder dimensies, glinsterend vanbinnen met zeven keer zeven keer zeven keer zeven tongen, tornado's, alles verzwelgend, zwelgend in alles.

Binnenin zijn hoofd, aan de linkerkant, ging een telefoon. Een vage stem nam op, moeizaam. Spreek. Vlug. Voer me, laat me voelen.
Een heldere melodieuze stem in een taal als de kruin van een waterval sprak, kalm, kalmerend als een witte, zachte, koele zalf.
"Steek. Eenmaal, genadeloos."

Zwalkend langs een houten podium. Meisjes dansen en werpen me valse, warme blikken toe met hun lippen en wimpers.
Welkom afscheid. Transparante, hechte leugens, vakkundig gevlochten in zalige onwetendheid.

[1998, Kfar Giladi]

met een zucht, haperend, volmaakt, verlaat ik U.

Middag

De wereld draait door. Een boor drilt zijn geluid door de tuinen. Een antieke klok klinkt ergens vanin een huis. Gereedschap wordt neergelegd. Een vlaag wind strijkt door de kruinen van de bomen. Een vaag geluid - het heeft iets weg van een lach, komt van heel ver weg. Gereedschap wordt weer opgepakt. Een vliegtuig komt over. Een raam wordt dichtgedaan. De kerkklok. Het is drie uur. Over een half uur word de Kaasboer 'eervol ontslagen'. Dan komt de hele buurt bij Peters winkel en gaat Laurens waarschijnlijk een toespraak houden. De wind streelt weer door te bladeren. Gerinkel van theekopjes boven. Verder herhalen zich alle geluiden weer.

Nu steekt er een gesprek op bij de buren. Althans, mensen wisselen een paar woorden uit. Met een rubber hamer wordt nu iets de grond in geslagen. 'Ik ga maar verder met die stukjes hierzo' zegt de een, en een poes sluit door de tuin. Er zijn hier tegenwoordig veel poezen rond ons huis. Het schijnt een goed oord te zijn. De rubberen hamer klinkt weer. De wind steekt nu echt op. Woesj, door de bomen. De hamer klopt door en nieuw gereedchap wordt opgepakt. Planken worden ergens vanafgerold. Water druppelt dichtbij - waar? Ah, door de verwamingsbuis in mijn kamer. Een circelzaagt verschuurt de serene rust in een moment en komt dan weer ratelend tot stilstand. Het gelommel van een vliegtuig heel hoog boven de wolken. Een handzaag in een klunzig ritme met een rubber hamer. Bof, bof, nu is de hamer weer alleen. Voetstappen boven. Er is iets gaande. Of iemand. Mijn vier zomerbanden staan opgestapeld onder de tuintrap. het is al juli.

Thursday, July 3, 2008

Onderhandelingen

En de Heere zei tot Caesar: gij zult niet doden!
En Caesar grijnsde bij deze ingeving. En hij hief zijn zwaard en strekte het richting de horizon, waar de barbaarse horden het stof deden opwaaien in de rode morgenzon.
En zijn ruiters stoven in galop zijn gebaar achterna. En Caesar was de eerste die de barbaren bereikte, en hij houwde in op hun ongehelmde hoofden, en kliefde er drie, vier, vijf, tien, twaalf, achttien, twintig, dertig... tot zijn gezicht vol was van bloed. En hij trok aan de teugels zodat zijn paard stijgerde, en slaakte een rauwe kreet. En de stem van de Heere weerklonk in zijn geest: Gij leeft bij het zwaard, gij sterft bij het zwaard. En Caesar grijnsde bij deze ingeving. En even vroeg hij zich af; hoe zou ik sterven? Met een vrouw aan mijn zij, in mijn bed op mijn landgoed? En hij sidderde. En hij bad tot Jupiter, hem dat niet aan te doen. En hij gaf zijn paard te sporen, en reed dwars door de linies van barbaren heen en kliefde nog zeven schedels. En toen was de strijd gestreden, en Caesars leger trok voort Europa in, op jacht naar nieuwe glorie.

En Jupiter klopte aan bij de Heere, en de Heere opende zijn deur. 'Neem plaats' zei de Heere, en Jupiter zocht naar een geschikte zetel, maar zag slechts krukjes. 'Nee dank. ik sta wel'
'Ook goed', zei de Heere en nam plaats in zijn troon. 'Wat kan ik voor je betekenen?'
'Ik hoorde dat U mijn hogepriester lastigvalt met uw geboden. Wilt u hier mee ophouden? Hij is nodig voor mijn strijd.'
'Ik val niemand lastig! sprak de Heere. Ik verlicht slechts!'
'Hoe dan ook, ik vraag u ermee op te houden. De belangen zijn groot.
'Daarom juist is het mijn plicht wijsheid in te fluisteren.'
'Goed, ik vraag het u als een gunst. Wilt u mijn pontifex alstublieft niets meer influisteren?'
'Een gunst? En wat ben je bereid daar tegenover te stellen?'
'Daar heb ik over nagedacht. Ik ben bereid om, zodra de strijd om Europa gestreden is en Rome de barbaren overheerst, een pact met u te sluiten met betrekking tot de erfenis van Rome, dat ten onder zal gaan in haar huidige gestalte. U zult aandelen hebben in het voortduren van het rijk.'
De Heere trok zijn wenkbrouwen op. 'Dit komt hoogst onverwacht, Heer Jupiter. Ik had niet gedacht dat u bereid zou zijn mij te betrekken in uw plannen. Er zit een adder onder het gras, naar ik veronderstel?'
'Adders leven nou eenmaal in het gras. Het is niet aan mij daar iets aan te doen. U kunt daarvoor terecht bij Ceres.
'Ach, hoe handig, zo'n polythesitisch mechaniek. Ik ben overal zelf voor verantwoordelijk.'
'Niet meer als u ingaat op mijn voorstel. Dan zult u ook kunnen delegeren. Wie weet zullen de veroveringen van mijn hogepriester u nog goed uitkomen.'
'Wie weet.... goed. Ik zal hem. zolang hij leeft, met rust laten.'
'Mooi. Dan neem ik contact op zodra het rijk barsten begint te vertonen.'

En de Heeren schudden elkaar de hand.

Teller

HTML hit counter - Quick-counter.net