'Die barbaarse troepenmacht bevalt me niets, daar aan de horizon' sprak Aegud.
'Had je liever gehad dat ze al hier waren?' grapte Grombord. Maar hij wist wat zijn maat bedoelde. Zijn rechterhand omklemde het gevest van zijn zwaard dat in een lange lederen schede aan zijn heup hing. Het zwaard was van zijn overgrootvader geweest. Zevenenzestig harten had het doorboord. Grombords vader was voor het merendeel daarvan verantwoordelijk geweest. Grombord doorboorde meestal de schedel. Welke organen of lichaamsdelen zijn verdere voorvaderen met het wapen hadden doorkliefd wist Grombord niet. Soms dacht hij er wel eens aan, dan haalde hij het zwaard uit de schede, hield het voor zich zodat zijn gezicht erin weerspiegelde, en vroeg: 'Zwaardje zwaardje... wat voor lekkers heeft Grootopa Palmud jouw allemaal laten proeven?' Het zwaard trilde dan even. Daaruit maakte Grombord op dat het in ieder geval mooie tijden voor het zwaard waren geweest. Hijzelf was niet zo expirimenteel. Meer van praktische aard was hij: gezien de hoeveelheid hartelozen die rondwaren in de bossen van de wereld leek het hem zinniger hoofden te doorklieven dan borsten.
De troepenmacht was veranderd van een stofwolk tot een grotere stofwolk. Grombord keek zijn maat aan. Die fluisterde een gedicht.
'Bloedrode avondnacht,
Kijk in mijn hart
Kijk in mijn beenderen
Vindt de kracht.'
Grombord knikte instemmend, Zelf was hij geen dichter. Maar hij voelde het, wanneer woorden wáár waren. De mannen haalden hun zwaarden uit de scheden en renden schreeuwend hun noodlot tegemoet.

No comments:
Post a Comment