Ik dwaalde door donkere dalen, dagen leken nachten, nachten leken op niets.
Ik zwierf er weken, misschien maanden, zonder een teken van bewustzijn om me heen.
Ik was alleen, alleen met het geritsel van onzichtbare dorre bladeren onder mijn voeten. Alleen met de onhoorbare kille wind die soms plotseling langs mijn nek scheerde.
En toen, toen ik alle besef van tijd en ruimte verloren had, zag ik het schouwspel, het steekspel in de koepel van licht tussen de vijf stenen torens.
Mijlenver leek het, maar met mijn eerste stap stond ik er middenin.
Midden tussen de briesende krijgers op schreeuwende rijdieren.
Voor een moment hield ik mijn aden in, en het tafereel stokte, de krijgers versteenden.
Toen liet ik de adem uit me ontsnappen en loste ik op in de lucht boven de koepel van licht, die blies in de wind en me bracht naar de avond van de nacht. Naar daar waar ik het wit onstuimig tegen de deuren hoorde kolken. En daar sprak ik met de Adelaar. Hij kwam, gevleugeld als een vogel naar me toe vanuit een draaikolk in de donderwolk onder ons. Hij ontsloot zijn snavel en heette me welkom. Ik betrad hem en raakte verzeild in gewelven van bloesemroze en breekbaar geel.
En weer dwaalde ik, dagen en dagen, de nachten werden overgeslagen.
Eens, toen ik een lieflijk zijpaadje van de vloeiende tranenweg in was geslopen, kwam ik bij een groene woning.
Ik luidde de zilveren klankhoorn en toen stond ik midden in het vertrek waar de goedmoedige verenbal omringd werd door gelukkige tijden en bloemen met meeldraden die op gouden harpen speelden.
De ruimte had geen muren, maar werd afgesloten van de zaken die er niet toe deden door een ondoordringbare zweem van vreemde klanken, die iedereen die zich verwonderde meevoerden in een kolkende droom naar het kasteel van kleuren.
Daar werden zij, samen met mij, onthaald door de koning met het manengewaad.
Als hij sprak schitterden irissen die opgloeiden uit de glinsterende lucht.
Als je hem aankeek vloeide zijn blik je ogen binnen als fonkelende wijn en dan voelde je warme, bruisende vloeistoffen dansen met je bloed, dat in euforie je aderen verliet voor je zenuwen, om daar in harmonie omheen te wentelen.
Door een luik in de wolken vloer daalde ik af tot in de rups die toen in een vlinder veranderde en vloog als een veulen naar de zon, en toen naar binnen, waar het warm was en koel tegelijk, en licht, maar niet verblindend zodat je kon kijken terwijl je droomde.
[1998, Kfar Giladi]

No comments:
Post a Comment