Tuesday, June 28, 2011
3:12
De Orakels van de waarzeggers spraken kwaad over de Heere, en over zijn dienaar riepen zij vloeken uit en zij bedeelden hem niets dan het tragische, het zelf-vernietigende on-lot, en hun schaduwen wierpen zich als duistere grijnzen over de afwezigheid van het geloof. Er was niets in deze dag dan een bittere leegte, en zo moest het zijn, want de werkelijkheid, die de Heere geschapen had, keerde zich soms tegen hem, en tegen zichzelf. En de dienaar van de Heere begreep dit, en ploeterde voort, an haalde zich open aan de doorns om te voelen, dat hij nog bestond, en niet verzwolgen was door die ideeen, die de waarzeggers in zijn hoofd hadden doen ontspruiten als giftige gewassen, die de bloemen verstiken. Bloed vloeide uit zijn vinger, en hij proefde het en dacht aan de oceaan, en zijn hoofd klaarde zich. En toen was het nacht geworden en de vreselijkste dag was voorbij, want de dromen die nu opkwamen waren zoet van aard en bevatten boodschappers van liefde en voortekenen van leven. En de dienaar van de Heere hoopte stilletjes, dat deze boodschappers niet alleen hem, maar alle dieren in het woud bezochten, en dat hun boodschap ook aan de andere kant van de oceaan post zou vatten en zou doen vergeten, wat voor een afgrijselijke leegte er soms bestond, als je er teveel aandacht aan besteedde.
Sunday, June 26, 2011
4:14
En de Heere keek me aan en zei: Het is goed jongen, wat je denkt. Je bent een beest, een woesteling van de barre woestijn en je bent op zoek naar het beekje, dat je redden zal. Maar geen beekje zal je tegenkomen, maar vloeden zullen je overspoelen. Het is goed jongen, maar breng mee je spieren, om te zwemmen, dat je je redden zal in de vloed, die komen gaat. Want de vloed is goed, maar jij bent slechts goed in denken, en jouw spieren zullen moeten groeien. Vergeet de beek en kom tot jezelf, want daar zal de vloed plaatsvinden. En ik begreep en stopte met denken.
Saturday, June 25, 2011
He stadje
Het is koud.
De kachel staat aan.
In de fokking zomer!
Ik ben terug hier in de stad
dit oord
en dit huis
dat nu - na "al die" jaren
leeg is.....
gedachten varen uit
arriveren gezwind
drijvend op hete lucht
aan de Donau
warme kades
hand in hand
één of ander gedoe
altijd wel weer
De ruimte vult zich nu
met iets van sfeer
het kale hout de het gele verf
ik sla er even geen acht op
verdwijn in mezelf
zoals ik loop,
bezig, met straks
als ik kan ontsnappen
De kachel ruist
het gillende kind
buiten in de regen
verdwijnt ook weer
ik vraag aan mezelf
wat hier eigenlijk is
er moet hier iets zijn
ik heb het nooit gevonden
Ooit waren hier havens
ooit waren hier provo's
ooit waren hier Beates
ooit was hier mijn jeugd
ooit scheen hier de zon
zonder dat hij loog
een eerlijke zon
een leven geleden
Verschrikkelijke nacht
al die jaren terug
het lijkt wel een eeuw
of twee, of drie
sindsdien ken ik Grieken
en Duitsers en Fransen
Romeinen, New-Yorkers
maar niet deze stad
Voor mij komt de dag
steeds weer als de nacht
die volgt op die avond
dat ik om de hoek kwam
de deur kwam genaderd
het kwaad was geschied
ik wist al zo iets
toen ik de sleutel omdraaide
Vervloekt, scherpe pijnen
die jij moest verduren
jij arme, jij verre vriend
ik dacht dicht bij je
te zijn met begrip
en wijsheid in de aanslag
voor als jij daar ooit
om vragen zou...
Sindsdien is de Aarde
een plaats voor de Gieren
ik haat alle dingen
veracht alle mensen
wantrouw alle ogen
begrijp het kwaad
doe nooit meer iets anders
dan zinken en stikken
Ik wou dat je hier was
in rechte gestalte
met komische ogen
en trotse glimlach
dan gaan we naar boven
ik zink in je stoel
jij zet muziek op
en kijkt me aan
we spreken elkaar
we stijgen tezamen
ons schaakspel neemt vorm aan
de muren verdwijnen
het licht komt ons nader
en als het ons grijpt
breekt er een lach
en misschien wel veel meer
ach trieste waarheid
mijn rug is nu stram
de kachel loeit door
mijn minachting groeit
maar nu slechts voor de stad
die de hitte niet afdwingt
maar gedwee
de zomer laat verregenen.
De kachel staat aan.
In de fokking zomer!
Ik ben terug hier in de stad
dit oord
en dit huis
dat nu - na "al die" jaren
leeg is.....
gedachten varen uit
arriveren gezwind
drijvend op hete lucht
aan de Donau
warme kades
hand in hand
één of ander gedoe
altijd wel weer
De ruimte vult zich nu
met iets van sfeer
het kale hout de het gele verf
ik sla er even geen acht op
verdwijn in mezelf
zoals ik loop,
bezig, met straks
als ik kan ontsnappen
De kachel ruist
het gillende kind
buiten in de regen
verdwijnt ook weer
ik vraag aan mezelf
wat hier eigenlijk is
er moet hier iets zijn
ik heb het nooit gevonden
Ooit waren hier havens
ooit waren hier provo's
ooit waren hier Beates
ooit was hier mijn jeugd
ooit scheen hier de zon
zonder dat hij loog
een eerlijke zon
een leven geleden
Verschrikkelijke nacht
al die jaren terug
het lijkt wel een eeuw
of twee, of drie
sindsdien ken ik Grieken
en Duitsers en Fransen
Romeinen, New-Yorkers
maar niet deze stad
Voor mij komt de dag
steeds weer als de nacht
die volgt op die avond
dat ik om de hoek kwam
de deur kwam genaderd
het kwaad was geschied
ik wist al zo iets
toen ik de sleutel omdraaide
Vervloekt, scherpe pijnen
die jij moest verduren
jij arme, jij verre vriend
ik dacht dicht bij je
te zijn met begrip
en wijsheid in de aanslag
voor als jij daar ooit
om vragen zou...
Sindsdien is de Aarde
een plaats voor de Gieren
ik haat alle dingen
veracht alle mensen
wantrouw alle ogen
begrijp het kwaad
doe nooit meer iets anders
dan zinken en stikken
Ik wou dat je hier was
in rechte gestalte
met komische ogen
en trotse glimlach
dan gaan we naar boven
ik zink in je stoel
jij zet muziek op
en kijkt me aan
we spreken elkaar
we stijgen tezamen
ons schaakspel neemt vorm aan
de muren verdwijnen
het licht komt ons nader
en als het ons grijpt
breekt er een lach
en misschien wel veel meer
ach trieste waarheid
mijn rug is nu stram
de kachel loeit door
mijn minachting groeit
maar nu slechts voor de stad
die de hitte niet afdwingt
maar gedwee
de zomer laat verregenen.
Thursday, June 23, 2011
the holy handshake
I created your world in the blink of an eye
first let it thunder then let it rain
made for you bridges to walk on and rest
above all my maddest desires
a day came for you when you had to look
into what I had for you not intended
then you became me, you craziest fool
and bound us in precarious love
Grasp, keep on reaching
I give you my millions of hands
Take them and one by one follow
these mad finishing touches of truth
first let it thunder then let it rain
made for you bridges to walk on and rest
above all my maddest desires
a day came for you when you had to look
into what I had for you not intended
then you became me, you craziest fool
and bound us in precarious love
Grasp, keep on reaching
I give you my millions of hands
Take them and one by one follow
these mad finishing touches of truth
Wednesday, June 22, 2011
Nederland
Gekke dwaas
Volkomen geirriteerde strandjongen
Gratis bij de patat:
Zuipschuiten!
En bij de Boer
een Vrouw!
En wat voor één!
Nu nog naar de poelier.
Één kippetje twéé vijftig!
Soms gaan we naar school.
Dan leren we.
Van rassenhaat!
maar dan niet - haha!
We vinden ons
in leugens om slechtwil
In het eggie zijn zijn we zo slecht niet.
(goed zal het wel nooit worden) [Een afvoerputje slurpt]
Volkomen geirriteerde strandjongen
Gratis bij de patat:
Zuipschuiten!
En bij de Boer
een Vrouw!
En wat voor één!
Nu nog naar de poelier.
Één kippetje twéé vijftig!
Soms gaan we naar school.
Dan leren we.
Van rassenhaat!
maar dan niet - haha!
We vinden ons
in leugens om slechtwil
In het eggie zijn zijn we zo slecht niet.
(goed zal het wel nooit worden) [Een afvoerputje slurpt]
Tuesday, June 21, 2011
1:4
En zo kwam de Heere tot de zoon en de zoon tot de Heere: in bevelen die als daden schalden. Dalen beefde op hun grondvesten en bergen spuwden vuur. Dit was eindig, en de Zon slokte het op. Geen mens die overbleef durfde zich te herinneren, wat er voorgevallen was. Er was er slechts één, die door de herinnering overweldigd werd, als door een rover in het bos die hem in zijn slaap overviel. En dit was nu juist Hein, die goed in varen was. Zo kwam het dat God de zeeen veroverde en de kanalen beheerste, havens uitademde en steden leven inblies. En zo kwam het dat het nageslacht van Hein koningen voortbracht, die hun weelde deelden met het vragende volk. En het volk leerde en baadde in de glorie van Heins God, en permitteerde zich een grote weegschaal, welke men vulde met goud aan de linkerzij, en aan de rechterzij zichzelf maat gaf aan het Goud. En zo kwam het, dat de dikste mens werd uitverkoren om te worden geofferd naar God, die zich in walging afkeerde. En zo was het volk Gods verloren.
1:3
De woeste ploeteringen van de Heere voerden door tot de hallen van de zuinigheid, en de kanalen van beknepenheid. En hij begreep, en vaarde, in ondiepe wateren en leerde te trotseren: het eindige. En hij bekwam een zoon. En zijn zoon groeide op zonder hem, maar met hem in zich en begreep dat hij begreep. En de Heere wist dat het goed zat. En toen de zoon negentien was geworden haalde de Heere een troef uit zijn mouw. En het gebeurde, dat zijn nageslacht paden insloeg, die niet voor hem bedoeld waren. En de Heere leunde achterover in zijn troon, en liet het donderen.
Monday, June 20, 2011
2:8
En de Heere liet me toe in zijn schatkamer. Voor maar één seconde, maar ik zag twintigduizend eeuwigheden in de fonkeling van één parel, en dertigduizend in de glinstering van een gouden ring, die ik ontwaarde rond de vinger van wat een standbeeld leek te zijn, van een vrouw aan een poel, waaruit muziek opsteeg als bijen en zwermen libellen, betoverende, beheksende muziek. Deze poel was rood, de stof was geen bloed en geen wijn, maar iets erboven, iets dat fonkelde als het gesneden oppervlak van een robijn, maar zacht uitnodigde als fluweel. Ik had echter geen tijd om de poel te benaderen, of uit te vinden of de vrouw van steen was of dat zij leefde, of enige andere wetenschappelijke observatie te betrachten. Ik stond weer buiten, ook al zag ik niet om me heen, maar was ik in gedachten nog voor lange uren bij wat ik gezien had. Toen ik het koud begon te krijgen merkte ik dat het nacht was, en dat ik in de bergen stond, en huiverde bij het vallen van sneeuw op mijn hals. Ik zette krachtdadig de pas erin naar beneden, en arriveerde met gelukzalig bonzend hart en ruisend bloed in het veilig oord, waar ik mijn stee had staan. Voor ik ging slapen echter zat ik aan tafel met de mannen van het dorp en vertelde verhalen, die ze niet geloofden, en voelde me bevoorrecht, te weten dat hoe goed ik ook vertelde, ik nooit zou kunnen beschrijven wat ik gezien had.
Sunday, June 19, 2011
3:1
En de Heere vergat wie ik was, en liet me onbedoeld achter op de bergtop, waar ik stierf van de kou. Mijn geest verliet mijn lichaam, en dwaalde door de bergen en de wolken, die er hetzelfde uitzagen. Ik zag niet, wat waarheid was en wat leugen, ze deden er niet, toe, alles was een mist. En de Heere bestond nog, ergens, en er was muziek, die klonk door kastelen en in sferen waar engelen en satyren ronddansten, maar ik was uitgesloten van dit alles, en van eten en drinken en ademen, aanraken en proeven, ruiken en alles, dat ik me nog wel vaag herinnerde, als een spijt, onder de naam Heere. Ik bad, en ik knielde voor zover mijn lichaamsloze gestalte dit toeliet, en ik herhaalde de naam van mijn spijt keer op keer, en er veranderde niets. Naar verloop van tijd begon ik patronen te zien, en dacht dat ik mezelf begon te kennen. Vierkanten, driehoeken en cirkels, en ik dacht dat ik mijn ziel zag, gemaakt van objecten, die eeuwig bestonden, overal in het universum. En toen ik dit geloofde werd ik ook een verzameling algemeenheden, en verloor ik zelfs de bergen en wolken uit het oog, en bevond me nu in een zwarte ledigte, met alleen vaag opflakkerende schijnsels van figuren om me heen. En toen ik zelfs voor deze vormen mijn interesse verloor, en niet meer dacht dat ik ze was, toen verdween ik zelf voor mezelf, en was er alleen nog pijn. En toen wist ik plots weer, wie ik was, en verschenen eerst weer de bergen, die ik afbrak, en de wolken, die ik tot regenen bracht, en de brokstukken en tranen regenden neer op de Aarde en vormden kraters vol water en modder. Ik liet mij neervallen in een zo'n modderpoel, en woelde en wemelde en schreeuwde, en de naam van de Heere was mij vreemd. Al wat ik wist uit te brengen was een schreeuw van haat tegen het eeuwige, dat niet bestond maar zich toch opdrong aan mij, als een vliegenplaag, terwijl ik me vastgreep in de blubberige substantie van mijn smart.
Friday, June 17, 2011
1:2
En God schiep de epische bergen en dalen, de grote vloeden en de wouden die hele continenten overspannen. En hij schiep de regenbogen en de beren en de wolven die zich ophouden in de bergen en de bijen en hun honing waarvan de beren smullen en zo schiep hij het geluk, dat hiervanaf straalde en ook de zon, die straalt evenals dit geluk en de maan die dit schijnen weerschijnt en rukt en sleurt aan het grote water van de zee, en daarmee de barensweeen op gang brengt in de woeste kolkende natuur waarin alles gebeurt, en waarover God met een glimlach van oor tot oor toeziet, zonder zich er verder mee te bemoeien; want hij zag, ziet en zal altijd zien dat het goed is.
Thursday, June 16, 2011
1:7
Op een nacht droomde ik en die ochtend vergat ik. Terwijl ik zocht naar mijn ontbijt en me daarbij openhaalde aan de braamstruiken vloeide waar bloed me verliet een herinnering binnen. Ik zag de kasteelwand van mijn oude vesting en er was een gat in geslagen, en rovers liepen in en uit. Een van de rovers had een baard, en hij droeg een graal en grijnsde. Ik wist niet wie deze dief was maar hij kwam me bekend voor - bekender dan mij aangenaam was. Hierna kwam ik weer bij mijn zinnen want ik rook het sap van fruit.
Tuesday, June 14, 2011
2:2
De boosheid van de Heere wierp een schaduw over mijn schouder alsof er een raaf op zat. Ik bereikte de stroom die klaterde en waste me maar de schaduw week niet. Ik keek toen in de zon en zag duister. Zo keerde ik mij in mijn ziel en trok terug van de zaken, die de Heere mij beloofd had.
Voortdurend leefde ik onder bomen, in gezelschap van holdieren, en van kruipende beesten van de grond. Ik was niet gelukkig, maar voelde ook geen smart. tijd trok aan mij voorbij als mist, en de Heere sprak niet tot mij. Soms rende ik en verwondde mij, en dan vloekte ik, alsof ik de Heere nooit gekend had. In de nacht werd ik soms wakker met een stekende pijn in mijn hart. Soms sliep ik diep, dagen lang.
Toen ik tenslotte vrienden had gemaakt met enkele dieren begon ik te voelen, dat ik de Heere miste. Ik ging op zoek naar de grenzen van het woud, maar vond ze niet. Ik vroeg de dieren me te helpen, maar zij misleidden me. Ik was hen dierbaar. Tenslotte slachtte ik een van hen, en joeg de anderen op de vlucht. Zo was ik alleen in het bos, wakker, met open ogen. En zo zag ik, dat er soms licht door de bladeren viel.
Ik klom in een boom en speurde de vier windstreken af. Ik zag niets dan bladerdek. Toch vulde hoop mijn buik en ik daalde af naar de grond met vernieuwde wil. Stappen zette ik, duizenden, met krachtige tred, en toen kwam ik bij een ruine, die mij deed vermoeden, dat het woud spoedig zou ophouden. Een vreemde spanning kwam over mijn leden, en ik begon te trillen. Toen hoorde ik de stem van de Heere:
Mijn zoon: jij hebt gedwaald, moedwillig heb je je voor mij verscholen. De wereld heeft zich in tweeen gespleten. Er is een brug, ergens verborgen in mijn rijk. De zon schijnt er, maar ook is er regen, en hoewel er wind staat, is het er ook stil. Vind nu deze plek, en verbind net als deze brug de twee delen van mijn rijk. Zo zul je mij dienen, en niet meer dwaas zijn maar redelijk.
Wederom ging ik op weg, en ik voelde dat hete nevels in mijn hoofd hadden gestaan, die nu wegtrokken door mijn neusgaten. Ik brieste als een stier terwijl ik paden zocht, en toen ik ze gevonden had zag mijn hart de schaduw niet meer, want die was gevlogen.
Voortdurend leefde ik onder bomen, in gezelschap van holdieren, en van kruipende beesten van de grond. Ik was niet gelukkig, maar voelde ook geen smart. tijd trok aan mij voorbij als mist, en de Heere sprak niet tot mij. Soms rende ik en verwondde mij, en dan vloekte ik, alsof ik de Heere nooit gekend had. In de nacht werd ik soms wakker met een stekende pijn in mijn hart. Soms sliep ik diep, dagen lang.
Toen ik tenslotte vrienden had gemaakt met enkele dieren begon ik te voelen, dat ik de Heere miste. Ik ging op zoek naar de grenzen van het woud, maar vond ze niet. Ik vroeg de dieren me te helpen, maar zij misleidden me. Ik was hen dierbaar. Tenslotte slachtte ik een van hen, en joeg de anderen op de vlucht. Zo was ik alleen in het bos, wakker, met open ogen. En zo zag ik, dat er soms licht door de bladeren viel.
Ik klom in een boom en speurde de vier windstreken af. Ik zag niets dan bladerdek. Toch vulde hoop mijn buik en ik daalde af naar de grond met vernieuwde wil. Stappen zette ik, duizenden, met krachtige tred, en toen kwam ik bij een ruine, die mij deed vermoeden, dat het woud spoedig zou ophouden. Een vreemde spanning kwam over mijn leden, en ik begon te trillen. Toen hoorde ik de stem van de Heere:
Mijn zoon: jij hebt gedwaald, moedwillig heb je je voor mij verscholen. De wereld heeft zich in tweeen gespleten. Er is een brug, ergens verborgen in mijn rijk. De zon schijnt er, maar ook is er regen, en hoewel er wind staat, is het er ook stil. Vind nu deze plek, en verbind net als deze brug de twee delen van mijn rijk. Zo zul je mij dienen, en niet meer dwaas zijn maar redelijk.
Wederom ging ik op weg, en ik voelde dat hete nevels in mijn hoofd hadden gestaan, die nu wegtrokken door mijn neusgaten. Ik brieste als een stier terwijl ik paden zocht, en toen ik ze gevonden had zag mijn hart de schaduw niet meer, want die was gevlogen.
Monday, June 13, 2011
2.1
Duivels was de berg en zijn hart trilde luid.
Tevergeefs stonden de bomen nog opgericht met hun stammen en ademden met hun kruinen het leven dat hen als licht geschonken werd uit de Hemel, die zich nu uitspande en de Aarde losliet. Spoedig zouden zij vallen en niemand zou er zijn om het te zien of horen. Maar de berg ziet en hoort en vergeet niet, en daarom sprak hij nu deze woorden, die als rillingen over de huid van de Aarde trokken.
Vergeefs heeft gij verstoten, de Uwen!
Vergeefs heeft gij gedacht, dat ik zou wijken!
Vergeeft heeft gij gepredikt uw grenzeloze beloften!
En toen zweeg de berg en had zijn boosheid wortel geschoten onder zijn vesten
en de wateren die hun onvatbare wegen door de gewelven banen beefden en zonken dieper in de Aarde en raakten het vuur, en sissende dampen vulden de gewelven nu, en spoedig was het stoom doorgedrongen totin de kortst en maakte het land vruchtbaar. Zo kwamen de ruimten onder de Heere leeg te staan.
Tevergeefs stonden de bomen nog opgericht met hun stammen en ademden met hun kruinen het leven dat hen als licht geschonken werd uit de Hemel, die zich nu uitspande en de Aarde losliet. Spoedig zouden zij vallen en niemand zou er zijn om het te zien of horen. Maar de berg ziet en hoort en vergeet niet, en daarom sprak hij nu deze woorden, die als rillingen over de huid van de Aarde trokken.
Vergeefs heeft gij verstoten, de Uwen!
Vergeefs heeft gij gedacht, dat ik zou wijken!
Vergeeft heeft gij gepredikt uw grenzeloze beloften!
En toen zweeg de berg en had zijn boosheid wortel geschoten onder zijn vesten
en de wateren die hun onvatbare wegen door de gewelven banen beefden en zonken dieper in de Aarde en raakten het vuur, en sissende dampen vulden de gewelven nu, en spoedig was het stoom doorgedrongen totin de kortst en maakte het land vruchtbaar. Zo kwamen de ruimten onder de Heere leeg te staan.
1:14
En de Heere sprak tot mij: jij ijzeren gordijn,
vertoon de barsten van mijn wil,
smelt in het vuur van mijn koningschap
draag de vestingen niet meer, die mij verstoten
berg je voor mijn onheil
als ik het uitstort over de jouwen, die de mijnen niet zijn
kom hier in mijn wateren
duik onder in eeuwigheid
doorvloei de aderen van mijn overvloed
en ken mijn hart.
En ik schrok als na een bliksemslag
en keek de schapen in de ogen
zoals zij om mij heen stonden verzameld
in de dorder wordende vlakte
en in mijn hart gehoorzaamde ik de Heere al
toen ik huiswaarts keerde.
vertoon de barsten van mijn wil,
smelt in het vuur van mijn koningschap
draag de vestingen niet meer, die mij verstoten
berg je voor mijn onheil
als ik het uitstort over de jouwen, die de mijnen niet zijn
kom hier in mijn wateren
duik onder in eeuwigheid
doorvloei de aderen van mijn overvloed
en ken mijn hart.
En ik schrok als na een bliksemslag
en keek de schapen in de ogen
zoals zij om mij heen stonden verzameld
in de dorder wordende vlakte
en in mijn hart gehoorzaamde ik de Heere al
toen ik huiswaarts keerde.
1:13
En de Heere sprak tot mij: Geel zal je worden, en groen van jaloezie - en paars van woede;
Ja waarlijk een regenboog van nijd en andere afgrondelijke sentimenten zal zich over jou uitspannen, voordat je zal ontwaken in het goud van mijn hart.
En ik begreep de Heere niet, en ik zei: grom!
En de Heere zweeg.
En na verloop van tijd fluisterde de Heere in mijn oor:
Ja mijn zoon, het is zo, dat alles zich tegen je heeft gekeerd.
en de vogels vlogen op van hun takken en krasten, dit waren de raven in het veld.
En de zon was bleek en verschool zich, en wolken trokken over de velden.
En de Heere zweeg weer. En het duurde honderd jaren voor hij weer sprak,
en toen lag ik al stil in mijn stee, want ik was vergeten, dat dingen nog leefden.
en dat de wereld nog niet vergaan was zoals hij was gestorven in mijn hart.
En de Heere sprak toen: Ontwaak, mijn zoon. De heldere morgen is hier: de beek
kabbelt en klatert muziekvol van de berg, en de stammen breken met hun wortels
door de koele stenen bij de bedding
en alles vermengt en verheugt
zich en jij zal je verheugen, deel te zijn van dit vermengen en verheugen.
En ik stond op en kraakte en geeuwde, want de morgen was gekomen.
Ja waarlijk een regenboog van nijd en andere afgrondelijke sentimenten zal zich over jou uitspannen, voordat je zal ontwaken in het goud van mijn hart.
En ik begreep de Heere niet, en ik zei: grom!
En de Heere zweeg.
En na verloop van tijd fluisterde de Heere in mijn oor:
Ja mijn zoon, het is zo, dat alles zich tegen je heeft gekeerd.
en de vogels vlogen op van hun takken en krasten, dit waren de raven in het veld.
En de zon was bleek en verschool zich, en wolken trokken over de velden.
En de Heere zweeg weer. En het duurde honderd jaren voor hij weer sprak,
en toen lag ik al stil in mijn stee, want ik was vergeten, dat dingen nog leefden.
en dat de wereld nog niet vergaan was zoals hij was gestorven in mijn hart.
En de Heere sprak toen: Ontwaak, mijn zoon. De heldere morgen is hier: de beek
kabbelt en klatert muziekvol van de berg, en de stammen breken met hun wortels
door de koele stenen bij de bedding
en alles vermengt en verheugt
zich en jij zal je verheugen, deel te zijn van dit vermengen en verheugen.
En ik stond op en kraakte en geeuwde, want de morgen was gekomen.
Thursday, June 9, 2011
illogical algorythm
driving miss crazy
eating the fruits of oblivion
hollow swallow
radical interest
fascinating versatility
ultimate interconnectivity
once upon a time
twice upon a life
three times great
eating the fruits of oblivion
hollow swallow
radical interest
fascinating versatility
ultimate interconnectivity
once upon a time
twice upon a life
three times great
Wednesday, June 8, 2011
recept van de dag
ochtendzon blijft roeren
opkloppen
als aardbij verorberd
voelt zacht hemelwater
mij een aap
dan de rit
door machines en spiegels
die ons blind vervormen
tot glashelder beeld
laat ik me passeren
wacht, drink zon
in de koffie
't vlees van de dag
wacht onder vroege sterren
opkloppen
als aardbij verorberd
voelt zacht hemelwater
mij een aap
dan de rit
door machines en spiegels
die ons blind vervormen
tot glashelder beeld
laat ik me passeren
wacht, drink zon
in de koffie
't vlees van de dag
wacht onder vroege sterren
Tuesday, June 7, 2011
stoffer en blik op stof
Die gruzelementen die daar liggen
in die plassen bloed, of wijn,
wat het ook is, of was,
ook die die vergaan in vergetelheid
Strand is zo eeuwig als wind
daar wil ik wel op wedden
de schelpen, de beesten, het leven
die tel ik uit als winst
in die plassen bloed, of wijn,
wat het ook is, of was,
ook die die vergaan in vergetelheid
Strand is zo eeuwig als wind
daar wil ik wel op wedden
de schelpen, de beesten, het leven
die tel ik uit als winst
Een geschiedenis van niets
PROLOOG
Aan een bureau zit hij
tranend nog niet
maar wel al met een hand
in de bloedige aanslag
NU BEGINT HET
Zelfs die gooi ik weg
die walgkroket
die amateur, lapzwans
dweil
nee ik houd niets
in mijn opgeheven hand
naar God, of althans
de totale duisternis
een wandeling langs
de Leidsestraat, onze melkweg
trap, exodus, mayonaise
druipend en levend en schoppend
verdriet blijft uit
als de kaars zomaar dooft
wat mag geweest zijn
als het er is geweest?
EPILOOG
Strandwinter, een beest
gruwelt door de greppel
zijn naakte lijf schrijnt
tegen de helkoude zon
Aan een bureau zit hij
tranend nog niet
maar wel al met een hand
in de bloedige aanslag
NU BEGINT HET
Zelfs die gooi ik weg
die walgkroket
die amateur, lapzwans
dweil
nee ik houd niets
in mijn opgeheven hand
naar God, of althans
de totale duisternis
een wandeling langs
de Leidsestraat, onze melkweg
trap, exodus, mayonaise
druipend en levend en schoppend
verdriet blijft uit
als de kaars zomaar dooft
wat mag geweest zijn
als het er is geweest?
EPILOOG
Strandwinter, een beest
gruwelt door de greppel
zijn naakte lijf schrijnt
tegen de helkoude zon
Kever over de Regenboog
Deze wereld
groen blauw
rode horizon
sporen trekken in zand
hout kloven door water waden
kinderen rennen een bal rolt
torens rijzen en vallen
miljarden hysterische gesprekken
krekels in de avondrust
ik zie vuur knetteren
ik hoor vuur knetteren
ik voel vuur knetteren
ik ruik vuur
stenen zijn warm
wolken hopen op
wit barst uit de hemel
groen blauw
rode horizon
sporen trekken in zand
hout kloven door water waden
kinderen rennen een bal rolt
torens rijzen en vallen
miljarden hysterische gesprekken
krekels in de avondrust
ik zie vuur knetteren
ik hoor vuur knetteren
ik voel vuur knetteren
ik ruik vuur
stenen zijn warm
wolken hopen op
wit barst uit de hemel
naar A. Adler
Droom in zicht
grote schoffelende waarheidsploert
ruige zeerots scherp rand snij bloed
druipt in de grauwe golven
schuim ja prinses van oer gewald
bitter glanzen, de cruelle hemel
bomen schaars maar heet en grijs
is het kokend steen onder
mijn afgesleten zool
Mijn lieve diepe haatje
kerend tegen hen
die niet zien mijn totalitaire
meesterübermachtsverdrag
met de godinnezonen & zon
& maan & sterren & planetenkorps
rode stormen, gouden ringen
wat weet jij nou helemaal, knuppel?
vraagt de stier aan zijn lap
grote schoffelende waarheidsploert
ruige zeerots scherp rand snij bloed
druipt in de grauwe golven
schuim ja prinses van oer gewald
bitter glanzen, de cruelle hemel
bomen schaars maar heet en grijs
is het kokend steen onder
mijn afgesleten zool
Mijn lieve diepe haatje
kerend tegen hen
die niet zien mijn totalitaire
meesterübermachtsverdrag
met de godinnezonen & zon
& maan & sterren & planetenkorps
rode stormen, gouden ringen
wat weet jij nou helemaal, knuppel?
vraagt de stier aan zijn lap
(Martin) Heidegger
Hier dit huis
dit witte steen deze traptreden
deze glazen deur omlijst met hout
dit koele zomerse marmer
veilig, vogels zingen
planten druipen tevreden
wat zoek ik nog meer?
buiten is de wereld weer
de wereld, mensen, grauzig steen
en klei en haren, stroef en bot
zoals de mensen zijn
zijn ze hier dan nog vooral
oud en wrevelig,
ondenkende kerkgangers
de toekomst kan ik zien als stap
voor stap voor stap een flauwe kluft
omringd door bomen, en dan iets
dat tastbaar is als een gareel
een keukenrek, een wassersplaat
gereedschapskist? en doe-het-zelf
wonen bouwen, denken dus.
dit witte steen deze traptreden
deze glazen deur omlijst met hout
dit koele zomerse marmer
veilig, vogels zingen
planten druipen tevreden
wat zoek ik nog meer?
buiten is de wereld weer
de wereld, mensen, grauzig steen
en klei en haren, stroef en bot
zoals de mensen zijn
zijn ze hier dan nog vooral
oud en wrevelig,
ondenkende kerkgangers
de toekomst kan ik zien als stap
voor stap voor stap een flauwe kluft
omringd door bomen, en dan iets
dat tastbaar is als een gareel
een keukenrek, een wassersplaat
gereedschapskist? en doe-het-zelf
wonen bouwen, denken dus.
Monday, June 6, 2011
Traum B
Het schip over de baa-haa ren,
biefstuk aan boord
naamplaatje zegt mijn vriend
verleden onderin de tas
onzichtbaar, bed ervan vrij
wat is dit, onleesbaar boek?
Koers zetten naar het open
het al, of althans het veel
het groot, het ruime sop
biefstuk aan boord
naamplaatje zegt mijn vriend
verleden onderin de tas
onzichtbaar, bed ervan vrij
wat is dit, onleesbaar boek?
Koers zetten naar het open
het al, of althans het veel
het groot, het ruime sop
Sunday, June 5, 2011
beek en huis
De wereld zal nooit perfect zijn
maar altijd veel mooier en meer
en het beste het vreemds van alles
maar altijd veel mooier en meer
en het beste het vreemds van alles
breeduit goud stiers gegeeld
Opaaaalen nacht!
Nog meer a's. AAAaaaa
wat mooi.
Deze hier dier
he wat lekker die zat erin.
deze kooi,
hier,
leeg
behalve
de TOTALE VOLte.
Het Dier
Beest Ding
Gene
Barazoen! Zomaar een
woord
Ik schep op
Bal met rijst
klauw
gurk
De betekenis is NIET
zowaar ik nacht heet
GURK
Een ridder heft zwaar
heeft zwaar
heeft het zwaar
van het heffen van het zware zwaard
"Zwaarder dan het Zwaard van Mijn Vader"
had mijn vreugdemaat
op zijn zalmroze ziel
en perzikgele huid
waar ik
geluk
ig wa
s.
+s = †
Het raam stond open
dat weet ik nog zo verdomd, uitzinnig goed
we sleepten godverdomme een bank
helemaal van de rivier
om op te zitten en in te verdwijnen
gedurende wat er restte.
Die grindpad
die geluid
dat niet
+s
Dat S
+ niet
= dus ja
verborgen goud achter blauwe hemel
verdwalen, vaag, veel en lang
gebroken iets
uitblijvend niets
het had niet zo moeten zijn
maar heeft zo gezijnd
Sinterklaas
Nee, die bestaat niet
nooit niet
en is geen permanente meteoorinslag
oorverdovend vanwege
onze samenwerking.
Nog meer a's. AAAaaaa
wat mooi.
Deze hier dier
he wat lekker die zat erin.
deze kooi,
hier,
leeg
behalve
de TOTALE VOLte.
Het Dier
Beest Ding
Gene
Barazoen! Zomaar een
woord
Ik schep op
Bal met rijst
klauw
gurk
De betekenis is NIET
zowaar ik nacht heet
GURK
Een ridder heft zwaar
heeft zwaar
heeft het zwaar
van het heffen van het zware zwaard
"Zwaarder dan het Zwaard van Mijn Vader"
had mijn vreugdemaat
op zijn zalmroze ziel
en perzikgele huid
waar ik
geluk
ig wa
s.
+s = †
Het raam stond open
dat weet ik nog zo verdomd, uitzinnig goed
we sleepten godverdomme een bank
helemaal van de rivier
om op te zitten en in te verdwijnen
gedurende wat er restte.
Die grindpad
die geluid
dat niet
+s
Dat S
+ niet
= dus ja
verborgen goud achter blauwe hemel
verdwalen, vaag, veel en lang
gebroken iets
uitblijvend niets
het had niet zo moeten zijn
maar heeft zo gezijnd
Sinterklaas
Nee, die bestaat niet
nooit niet
en is geen permanente meteoorinslag
oorverdovend vanwege
onze samenwerking.
Friday, June 3, 2011
onmogelijke openingszin
De Supermens stootte zich aan het nachtkastje. Hij wreef zijn knie en ging door met rondstruinen.
len is
Berend. Was een man. Dat had hij bedacht. Hij was stoer. Had hij ook bedacht. Toen was het afgelopen. Met de stoerheid. En met Berend. Zo heette die gast toch? Ja. Hij zat op een stoel. Hij was moe. (weer). Het leven van Berend. Jezus man, Mozes man, Abrhaham, ham in general - Berend at alles. Met Jam.
Tot, toen, en.
De deur ging open.
het draakje kwam binnen.
Berend ging zitten, van zijn stoel.
[hier een tekening]
Zoals u ziet, veel groen en geel.
Nu was er een boskabouter.
Die had een geel eendje.
En een zeilbootje, met een drenkeling aan boord
een Superman.
Deze was geacht, de wereld in zijn grote sterke armen te nemen, en er mee naar de overkant te vliegen.
Maar hij had zijn cape verloren
en droeg nu die van zijn vriend,
Batman.
Muterende oorlogen vinden plaats op het stapelbed.
Maar in de grotten van de harige Sjeik is geen stapelbed.
Ach drie grachten ploert
zegende kluin
roterende klucht
ploertenopperhoofd
Berend was nog steeds niet bij de ijskast. Het zou nog veertien annalen doorduren voor hij zijn kaas te pakken had, en begon zich te realiseren dat hij geen beschuit meer heeft, en dat de winkels al dicht zijn, en dat de nacht aan het val...
Tot, toen, en.
De deur ging open.
het draakje kwam binnen.
Berend ging zitten, van zijn stoel.
[hier een tekening]
Zoals u ziet, veel groen en geel.
Nu was er een boskabouter.
Die had een geel eendje.
En een zeilbootje, met een drenkeling aan boord
een Superman.
Deze was geacht, de wereld in zijn grote sterke armen te nemen, en er mee naar de overkant te vliegen.
Maar hij had zijn cape verloren
en droeg nu die van zijn vriend,
Batman.
Muterende oorlogen vinden plaats op het stapelbed.
Maar in de grotten van de harige Sjeik is geen stapelbed.
Ach drie grachten ploert
zegende kluin
roterende klucht
ploertenopperhoofd
Berend was nog steeds niet bij de ijskast. Het zou nog veertien annalen doorduren voor hij zijn kaas te pakken had, en begon zich te realiseren dat hij geen beschuit meer heeft, en dat de winkels al dicht zijn, en dat de nacht aan het val...
strak trek de ochtend
De woede is triomf, zo is het gewoon
ik haat al die dingen, vreedzaam geleuter
sinas, fanta, mensen die weten
hoe ze mosterd op hun kroketten smeren
hoe ze waggelend zich erkennen, bellend
hoe ze hun kamertje opgeruimd hebben
of hun villa met gepolijst hout als vloer
honden hebben ze, twee, en een man
(of een vrouw)
en dat is het ergste niet, ze hebben zichzelf
op die manier, die 'savonds vergeet
waar het plaatsvindt.
De verhalen die verteld worden
in Godsnaam wat zijn ze waard
wie herinnert ze zich nog, nadien
als het echte verhaal ontspint
als de leeuwen los zijn, de vogels
krijsend en de zon voor de wolken hangt
de regen horizontaal door de straten jaagt
de straten met ooit winkels
waar ooit een aankoop een daad was
languit lachen we dan, gestrekte gezichten
in wakkere koppen met heldere blikken
de wind trotserend met tranen
Ik ratel misschien in dit oerwoud
deze hoopvolle brandhaard, de tong
van een vlam laait en lurkt aan de lucht
de maan vervormt in de zinderende spiegel
de zon is overal
de wouden op Venus ze zingen dit lied
Mercurius met zijn stalen, koude kant
beraamt de toekomst, rotsvast en hard
klassiek als de zuilen waarop de tijd rust
de Goden hebben het bepaald zonder gok
in een opwelling weliswaar maar een grote
als het leven zelf
Ja oorlog, geen twijfel, die woekert
alsof het er één is, één brandend hart
één zeis, één sikkel, één korenveld
waarover de sikkelaar struint
waarboven de raven opvliegen
waar een vogelverschrikker verrot
waar zonlicht geen schaduwen werpt
omdat niemand achter zich kijkt
maar voor zich, in gifgroene ogen
van noodlot, van vuurrode tongen
en stevent, vooruit met de borst
gehavend, geschonden, verhit
onverdeeld, gebundeld als mankracht
van alle gestorven legioenen
toen ze nog ploeterden richting horizon
ik haat al die dingen, vreedzaam geleuter
sinas, fanta, mensen die weten
hoe ze mosterd op hun kroketten smeren
hoe ze waggelend zich erkennen, bellend
hoe ze hun kamertje opgeruimd hebben
of hun villa met gepolijst hout als vloer
honden hebben ze, twee, en een man
(of een vrouw)
en dat is het ergste niet, ze hebben zichzelf
op die manier, die 'savonds vergeet
waar het plaatsvindt.
De verhalen die verteld worden
in Godsnaam wat zijn ze waard
wie herinnert ze zich nog, nadien
als het echte verhaal ontspint
als de leeuwen los zijn, de vogels
krijsend en de zon voor de wolken hangt
de regen horizontaal door de straten jaagt
de straten met ooit winkels
waar ooit een aankoop een daad was
languit lachen we dan, gestrekte gezichten
in wakkere koppen met heldere blikken
de wind trotserend met tranen
Ik ratel misschien in dit oerwoud
deze hoopvolle brandhaard, de tong
van een vlam laait en lurkt aan de lucht
de maan vervormt in de zinderende spiegel
de zon is overal
de wouden op Venus ze zingen dit lied
Mercurius met zijn stalen, koude kant
beraamt de toekomst, rotsvast en hard
klassiek als de zuilen waarop de tijd rust
de Goden hebben het bepaald zonder gok
in een opwelling weliswaar maar een grote
als het leven zelf
Ja oorlog, geen twijfel, die woekert
alsof het er één is, één brandend hart
één zeis, één sikkel, één korenveld
waarover de sikkelaar struint
waarboven de raven opvliegen
waar een vogelverschrikker verrot
waar zonlicht geen schaduwen werpt
omdat niemand achter zich kijkt
maar voor zich, in gifgroene ogen
van noodlot, van vuurrode tongen
en stevent, vooruit met de borst
gehavend, geschonden, verhit
onverdeeld, gebundeld als mankracht
van alle gestorven legioenen
toen ze nog ploeterden richting horizon
Thursday, June 2, 2011
Tandenborstel des Tijds
Ze kwam bij het etalageraam staan
ook zij, nu was iedereen er
en keek uit op de buit
die ik verworven had
in mijn babywagen
Mijn hagelwitte ik
mijn tandeborstel des tijds
poetsend het vuil der eeuwen
wassend het donkere glas
brandend vergeeld perkament
Dit gruis hier was ooit
iets anders dan niets
dit poeder, dit stofje dit buskruit
dit middel tot iets was ooit
een verschijning van iets anders.
ook zij, nu was iedereen er
en keek uit op de buit
die ik verworven had
in mijn babywagen
Mijn hagelwitte ik
mijn tandeborstel des tijds
poetsend het vuil der eeuwen
wassend het donkere glas
brandend vergeeld perkament
Dit gruis hier was ooit
iets anders dan niets
dit poeder, dit stofje dit buskruit
dit middel tot iets was ooit
een verschijning van iets anders.
spekvet gistmolen
graafzand van droesem
eega, draagpost
steen afgezaagde klok
tikkend, heersend
ad-rem is die buil
kop op, zet hem/haar
tegenin, tegendraads
radeloze windstreek
achterom, de steeg
kromhout, beschutte kroeg
schuimkraag, barst in
gebroken witte kroes
de kastelein, een krachtterm
die avond was nog jong
als bloed dat dampend vloeit
terwijl de peuk nog rookt
eega, draagpost
steen afgezaagde klok
tikkend, heersend
ad-rem is die buil
kop op, zet hem/haar
tegenin, tegendraads
radeloze windstreek
achterom, de steeg
kromhout, beschutte kroeg
schuimkraag, barst in
gebroken witte kroes
de kastelein, een krachtterm
die avond was nog jong
als bloed dat dampend vloeit
terwijl de peuk nog rookt
conversations with rip van wilke
There comes a time
in the time of time
when time stands still
in a stone dove on top of a round pillar
and ruby-red eyes.
Yes this time comes my friends
but it is not now
nor then nor ever
My king, my maiden
my holy angel bird
my wings of paper
my tempting crash-and-burn
keep friends forever
grow grass on the treasure
rely on the dead
mechanism of time
that will come
in turn, when this passes, this
eternal now.
in the time of time
when time stands still
in a stone dove on top of a round pillar
and ruby-red eyes.
Yes this time comes my friends
but it is not now
nor then nor ever
My king, my maiden
my holy angel bird
my wings of paper
my tempting crash-and-burn
keep friends forever
grow grass on the treasure
rely on the dead
mechanism of time
that will come
in turn, when this passes, this
eternal now.
Subscribe to:
Posts (Atom)
Blog Archive
-
▼
2011
(127)
-
▼
June
(32)
- 3:12
- 4:14
- He stadje
- the holy handshake
- Nederland
- 1:4
- 1:3
- 2:8
- 3:1
- 1:2
- 1:7
- 2:2
- 2.1
- 1:14
- 1:13
- illogical algorythm
- recept van de dag
- stoffer en blik op stof
- Een geschiedenis van niets
- Arnold Van Akkeren
- Kever over de Regenboog
- naar A. Adler
- (Martin) Heidegger
- Traum B
- beek en huis
- breeduit goud stiers gegeeld
- onmogelijke openingszin
- len is
- strak trek de ochtend
- Tandenborstel des Tijds
- spekvet gistmolen
- conversations with rip van wilke
-
▼
June
(32)
