Monday, December 20, 2010
Blub
Stekelige transparantie radikaliseert de meute in het goede-gedragsconservatorium. Ik resplendeer in graniet. Komt allen tot mij, spreekt het wassen beeld. Allen weigeren. Maar de terugkeer tot God is volbracht, steeds in de sneeuw, waar bloed lekt uit een kachelpijp. Roest. Altijd roest. Motoren. Waar brommen die, behalve achter de bomen? De gekapzijsde realiteit verkeert in doodsnood, verdrinkt en komt tot inzicht. Maar waartoe? De vissen hebben al besloten, dat hij niet bestaat, en de vissen zijn rechters, als er ooit rechters waren. Blub.
Wednesday, November 10, 2010
Wie A zegt moet ook B zeggen
Verpletter simpelweg het imago
ruineer het aan de kant
beschaam het.
Alliantie mijn aars
nee nog beter mijn laars
Klap! En toen was er, dus.
ruineer het aan de kant
beschaam het.
Alliantie mijn aars
nee nog beter mijn laars
Klap! En toen was er, dus.
ruk in
Machtige vuistgreep
klemvast in mn romp
knarsend, scuimbekkend
jodelend erbij
alsof het niets is.
Warsige fluimen en roest
slot rot kut kop barst
zebra nat gele regencape
dat lullige torentje
met dat lullige poortje
Zoef ik zaf veng vang
verder pneeerw
zap dat was de brug
alweer ik ga goed
deze route ken ik.
klemvast in mn romp
knarsend, scuimbekkend
jodelend erbij
alsof het niets is.
Warsige fluimen en roest
slot rot kut kop barst
zebra nat gele regencape
dat lullige torentje
met dat lullige poortje
Zoef ik zaf veng vang
verder pneeerw
zap dat was de brug
alweer ik ga goed
deze route ken ik.
Kruisridder
zomer:
Een doorgang, verstopt in het midden
Met een boom ervoor in het lichte raam
daar zit ze
haar lichaam is als lucht
op de traimrails wordt ingehakt het is zomer.
O het paleis, op de heilige dag
dat is er ook.
winter:
Hatsjie ze niest een boot rommelt
ik zoek in een blind raam.
een heilig zwaard aan mijn zij.
Wol mooi zoet
lief lopend naast mij
de spinzazie is maar tachtig cent!
Een doorgang, verstopt in het midden
Met een boom ervoor in het lichte raam
daar zit ze
haar lichaam is als lucht
op de traimrails wordt ingehakt het is zomer.
O het paleis, op de heilige dag
dat is er ook.
winter:
Hatsjie ze niest een boot rommelt
ik zoek in een blind raam.
een heilig zwaard aan mijn zij.
Wol mooi zoet
lief lopend naast mij
de spinzazie is maar tachtig cent!
Tuesday, November 9, 2010
nog één!
Het vliegtuig zakt in morgenwind
en een zeemeeuw schreeuwt
hier staan mensen, op barricades.
Kan ik niet verkroppen
wat ik ben?
De modder maakt uit klei een gnoom.
Toen er een gloeilamp
naast me lag dood als object
woedde er woede in Franse voorsteden.
en een zeemeeuw schreeuwt
hier staan mensen, op barricades.
Kan ik niet verkroppen
wat ik ben?
De modder maakt uit klei een gnoom.
Toen er een gloeilamp
naast me lag dood als object
woedde er woede in Franse voorsteden.
Wednesday, November 3, 2010
Freud
Het oude en het nieuwe
duurt zich
redelijkheid vraagt en bedelt
knappende remmen
gestuurde onwil
brekende kapsones in bad
lopers op deuren van grotten
evenbeeld wit licht
graancirkel
tovenaarsbehandeling
schaarste op de wereldmarkt
roterende hemelrijken
blueband in de pan
het vlees is gaar
Tuesday, November 2, 2010
in dit knusse dorp
De ribbeltjes van het bleke zonnetje
dat nu, net, zo plots, even streelt
en me doet beseffen dat ik het toch
niet echt begrepen heb in mijn berusting.
Dit watertje dus, deze bootjes hier voor me
al zo knus en de blaadjes geel
dure auto, dat wel, hier voor de deur
van het huis waar ik woon en ontbijt.
Oh kijk een ganzenpaar, zo wit!
en dan die bank daar op die boot
waaorp niemand ooit zit want kom op
hij is natuurlijk altijd nat met dit weer.
Maar toch die goede intenties
en dat warme gevoel in die kraag
van die vrouw die daar zo parmantig
haar rug recht op de fiets zoef voorbij
Ik hoor een heesgeraspte stem roepen
de buurtgek, de pool die de arbeid
verricht die onooglijk is en draagt
wat er allemaal aan humeuren voorbijschuift
in dit knusse dorp.
dat nu, net, zo plots, even streelt
en me doet beseffen dat ik het toch
niet echt begrepen heb in mijn berusting.
Dit watertje dus, deze bootjes hier voor me
al zo knus en de blaadjes geel
dure auto, dat wel, hier voor de deur
van het huis waar ik woon en ontbijt.
Oh kijk een ganzenpaar, zo wit!
en dan die bank daar op die boot
waaorp niemand ooit zit want kom op
hij is natuurlijk altijd nat met dit weer.
Maar toch die goede intenties
en dat warme gevoel in die kraag
van die vrouw die daar zo parmantig
haar rug recht op de fiets zoef voorbij
Ik hoor een heesgeraspte stem roepen
de buurtgek, de pool die de arbeid
verricht die onooglijk is en draagt
wat er allemaal aan humeuren voorbijschuift
in dit knusse dorp.
Sunday, October 10, 2010
Opulentie
o opuulentie
dat is wat ik wil
tentzeilen
bakzeilen
een weervolf met fluweelrode ogen
geuren walmen diep tot in
mij
ik hier
grot ruchtbaar gracht
ragebol
terscheets schaats kleeft daar
waar ik ben
grenzend
ben
leggend
echter
ik adem
wemelend zand
in mijn toernedos
grootkompas
dragend, dat kasteel
numero uno
op de angstklif
schoven we aan
bij de tafel
aan de duivel
tegenstribbelingen
De Regen
stort neer
op het hulpeloze hoopje
as
in de modder.
Terug
Op het water
de vissen turen
met dode ogen
heen
van zich
ipse
terug tot mijn dal
armoede geluk
wuivend weengedrag
als tralievelden
zonder kolven
naar mijn hand
Alles is gepermitteerd
ondanks mij
en jou
en noem de hele godganse kracht maar op
Grenzeloos verlden
ondaarde rukwind
jurk waait op
in een mohammedaanse zandstorm
De stoere man
buigt en smeekt voor het grassprietje
dat zijn naam weet
Jezus huilt
onder een dak
tranen in een regenton
tot adem
is de wind niet
bestemd maar gedwee
raast hij over de gouden velden iets ten noorden van Dijon.
Risk
Alles mag
soms kan iets.
Brekende modder
gravende geulen
slobberend leer
Wereldoorlog
Grimmig prikkeldraad
in een Waalse nevel
terugkeer van de monnik in het korenveld.
De overwinning is woest
de dagen zijn lang
te groot is het leven
voor de slang
zijn oude huid kruipt langs
zijn huidige
en slieuwert
deze draak tot Leven.
Koolraap
stoelgang
evolutie
Reproduktie
achterbakse politie
in het achteruitkijkspiegeltje...
terug naar de rimboe
daar waar geld
en teleurstelling
radbraken
gloedvolle maan
o het mag
vandaag
Donald Duck
zonder grap
op de top van de boog die leven heet
Zaratoestra beweegt.
De klim die volgt op de val
zal het heelal in zijn greep nemen als een bal
je raadt het al
Ik schaak niet
maar speel honkbal
in de vroege ochtend
als er nog ergens
een zwerver loopt.
Tuesday, August 10, 2010
panta rhei
Door een nauwe sleuf zie ik de wereld
stilstaan, behalve een wuivende tak
en heel soms een mens door een duister glas
en de kleur van de lucht die verschuift
De rest van de wereld moet ik voorstellen
kan ik voorstellen, het is me gegeven
en ik zie rendier, os en olifant,
op de prairie van groen glanzend gras
Ook zie ik steden rijzende torens
met toppen die reiken in al maar bardere lucht
met lichten die priemend dwars door de wolken
maar tollend vervaagd door sneeuwvlokken.
En ook een rivier met een vuurtje erlangs
en warmende handen bij flakkerende vlammen
vis sist, braadsel en de hitte van de kolen
ze gloeien, rood zo diep als de wereld
De boom wuift nog steeds, met dezelfde rust
het grijs van de lucht is wellicht ook blauw
mijn duistere glas verraad geen nuances
Toch verschijnt het en staart het me aan.
stilstaan, behalve een wuivende tak
en heel soms een mens door een duister glas
en de kleur van de lucht die verschuift
De rest van de wereld moet ik voorstellen
kan ik voorstellen, het is me gegeven
en ik zie rendier, os en olifant,
op de prairie van groen glanzend gras
Ook zie ik steden rijzende torens
met toppen die reiken in al maar bardere lucht
met lichten die priemend dwars door de wolken
maar tollend vervaagd door sneeuwvlokken.
En ook een rivier met een vuurtje erlangs
en warmende handen bij flakkerende vlammen
vis sist, braadsel en de hitte van de kolen
ze gloeien, rood zo diep als de wereld
De boom wuift nog steeds, met dezelfde rust
het grijs van de lucht is wellicht ook blauw
mijn duistere glas verraad geen nuances
Toch verschijnt het en staart het me aan.
Friday, July 30, 2010
Doornen voor Deborah
Een meisje met donkere haar, gekruld viel het over haar schouders, zat belleblazend met roze smak-kauwgom uit het raam te staren, haar machinegeweer in haar armen als een pasgeboren baby. Het wapen was haar enige houvast, het enige vertrouwde, nu ze de weg af, het stof van de woestijn in reden.
Een paar bedoeinehutten, glimpen ervan ving ze op door het opwaaiende zand, en misschien een aantal vrouwen, in zwarte sari's, met manden op hun hoofd. Toen weer, voor uren lang niets dan zand. Witheet zand, en withete rotsen met scherpe kammen tegen een branded felle hemel. Af en toe wierp ze een blik op die hemel. Zou George zich daar nu werkelijk bevinden? Hoe moest ze zich dat voorstellen? Het zag er kaal uit, daarboven, zo mogelijk nog kaler dan hier, beneden. Ze hield haar geweer dichter tegen zich aan, ging met haar vingers langs de koele buizen, randen en hoeken, een universumpje voor haarzelf, waarbij ze wist dat ze veilig was.
Iedereen om haar heen was er tegen, wapens zijn slecht, en tegen de muur, en tegen de oorlog en tegen het land met zijn leider. Zij kon de verontwaardiging niet opbrengen. De wereld was koud en vreemd, hoe heet het er ook kon worden. Ze wist niet waar het heen ging, dit leven, alleen waar het vandaan kwam. Uit kille kamers vol hartstochtelijke wreedheid, door berekenende diplomatie naar kusten vol messentrekkende vaders van kinderen die nu kinderen hadden die zich opbliezen, via bloederige gevechten met bajonetten op uitgedroogde pestakkerjes naar dit land, dit kleine beschavinkje, in het midden van de grote hel waar ooit onze wereld uit ontstond, als ze de boeken en de hoge heren moest geloven. Waaruit moest ze opmaken, dat de wereld van liefde aan elkaar hing? Ze was blij dat ze de kibbutz verliet, dat ze af was van de gesprekken tot diep in de nacht, de waterpijpen, het warme bier, de kampvuren. Ze had zich zitten opvreten, met geen woord durfde ze te spreken over wat haar dwars zat. Nu kwam het er op aan, nu deden woorden er niet meer toe. Ze glimlachte, en liet de greep op haar geweer wat ontspannen. Het instrument lag nu comfortabel in haar handen, gereed om te worden ingezet. Ze wist dat het goed was. Liefde kende zij ook, die lag in de kolf van haar geweer. De handgreep van het lot. Het recht, door haar regering verstrekt, zich te verdedigen tegen de barre, willekeurige en onvoorstelbaar domme wendingen van het lot. Want dat lot had ze zien toeslaan, keer op keer, en als ze een ding wist was het dit: het lot, als je het uit je hand laat glippen, is liefdeloos, wreed en redeloos. Een keer had ze geprobeerd dit uit te leggen, aan drie Australische jongens, rond een van de kampvuren bij de barakken voor de vrijwilligers. Ze waren lachend opgestaan, op zoek naar het volgende meisje. Daarna was het niet meer nodig geweest om haarzelf te overtuigen, en geduldig had ze gewacht op het begin van haar diensttijd. Nu was ze zover, en reed ze de leegte in. De lege hitte, waar ze wist dat de echte wereld begon.
Een paar bedoeinehutten, glimpen ervan ving ze op door het opwaaiende zand, en misschien een aantal vrouwen, in zwarte sari's, met manden op hun hoofd. Toen weer, voor uren lang niets dan zand. Witheet zand, en withete rotsen met scherpe kammen tegen een branded felle hemel. Af en toe wierp ze een blik op die hemel. Zou George zich daar nu werkelijk bevinden? Hoe moest ze zich dat voorstellen? Het zag er kaal uit, daarboven, zo mogelijk nog kaler dan hier, beneden. Ze hield haar geweer dichter tegen zich aan, ging met haar vingers langs de koele buizen, randen en hoeken, een universumpje voor haarzelf, waarbij ze wist dat ze veilig was.
Iedereen om haar heen was er tegen, wapens zijn slecht, en tegen de muur, en tegen de oorlog en tegen het land met zijn leider. Zij kon de verontwaardiging niet opbrengen. De wereld was koud en vreemd, hoe heet het er ook kon worden. Ze wist niet waar het heen ging, dit leven, alleen waar het vandaan kwam. Uit kille kamers vol hartstochtelijke wreedheid, door berekenende diplomatie naar kusten vol messentrekkende vaders van kinderen die nu kinderen hadden die zich opbliezen, via bloederige gevechten met bajonetten op uitgedroogde pestakkerjes naar dit land, dit kleine beschavinkje, in het midden van de grote hel waar ooit onze wereld uit ontstond, als ze de boeken en de hoge heren moest geloven. Waaruit moest ze opmaken, dat de wereld van liefde aan elkaar hing? Ze was blij dat ze de kibbutz verliet, dat ze af was van de gesprekken tot diep in de nacht, de waterpijpen, het warme bier, de kampvuren. Ze had zich zitten opvreten, met geen woord durfde ze te spreken over wat haar dwars zat. Nu kwam het er op aan, nu deden woorden er niet meer toe. Ze glimlachte, en liet de greep op haar geweer wat ontspannen. Het instrument lag nu comfortabel in haar handen, gereed om te worden ingezet. Ze wist dat het goed was. Liefde kende zij ook, die lag in de kolf van haar geweer. De handgreep van het lot. Het recht, door haar regering verstrekt, zich te verdedigen tegen de barre, willekeurige en onvoorstelbaar domme wendingen van het lot. Want dat lot had ze zien toeslaan, keer op keer, en als ze een ding wist was het dit: het lot, als je het uit je hand laat glippen, is liefdeloos, wreed en redeloos. Een keer had ze geprobeerd dit uit te leggen, aan drie Australische jongens, rond een van de kampvuren bij de barakken voor de vrijwilligers. Ze waren lachend opgestaan, op zoek naar het volgende meisje. Daarna was het niet meer nodig geweest om haarzelf te overtuigen, en geduldig had ze gewacht op het begin van haar diensttijd. Nu was ze zover, en reed ze de leegte in. De lege hitte, waar ze wist dat de echte wereld begon.
Saturday, July 24, 2010
Laguiole
Het schip stoomt op, recht af op de brakke kusten van de roem-deemoed, de schuld plaveiende breek-macht der storm-woed-kering. Het zeil bolt, de zon priemt door het hoofd van "de Kappie" de rots-touw knagende wereldtrotseerder, aan het want gekluisterd met zijn slaven onder zijn voeten en zijn blik op oneindig. De redeloze tartarenhorde stevent af, onder gedonder van weergaloze nachtmerriehoeven, op het niets, waar de gedachte zich heeft genesteld, als een pijl in een rots waarop hij weigerde af te ketsen, en zo het niets heeft doen barsten, inwendig, en in dat inwendige sporen van een iets heeft bewerkstelligd. "De draak", die het niet kon, maar dat niet wist en het heeft gedaan, vliegt boven het schip. In het kraaienest staat een vrouw met vuurrode haren die de wind rukt en grijpt, zodat ze als de vlam van een toorts boven op het schop de hemel waarschuwen niet naar beneden te vallen, als hij niet wil verbranden.
Het schip meert aan, de wind gaat liggen, de kusten zijn bereikt. Wat rest is de beifstuk, aan tafel gesneden met het juiste mes, van de juiste plaats zonder kartels en inscripties.
Op weg naar de heilige plaats was hij, steeds, dwalend, schalend, balend, want steeds droeg alles dat schoon was en mooi en puur en dat zijn hart stal, een andere naam dan de Heilige. Zo kwam het hem voor, dat voorts op zijn weg landen nog mooier moesten worden, al kon hij zich dat nauwelijks voorstellen. En zo verging het hem al die tijd. En hij genoot maar hij wist het niet. En de bloemen waren paars en geel, de rotsen grijs, en de rest was blauw en groen - Hemel en Aarde.
Het vuur brandt hier op Aarde in onberispelijke cirkels - de torens reiken omhoog, trots en bescheiden. Ze weten dat ze nooit de sterren kunnen pakken, ook zij zijn hier gebonden aan het vuur, het mors, het mos, ook zij vergaan tot stof - wat een voorrecht is, iets dat de sterren nooit zullen bereiken.
De schoonheid verbleekt bij het geluid, de mug zoemt, de steen kraakt onhoorbaar - erbinnenin gebeuren dingen, die zich niet laten vertellen, die verborgen zijn en blijven en altijd zijn geweest. De zon brandt op onze huid, op de vleugels van de vogels en geeft hun stemmen, draagt hen mee op zijn licht, zijn lucht, zijn blauwe kleur, hier boven de aarde. Ons stulpje in de galactische puinhopen die rondtollen als een gigantische vuilnisbelt om het zwarte gat waar alles uitenndelijk in wordt opgeslokt. - Maar geen zaak om ons druk om te maken. We bestaan, en dat is ons lief. We nemen ene omweg naar de dood - de allerwijsten nemen de meest kronkelende paadjes, want niet alleen eerlijk duurt het langst, vooral ook verbazing, verwondering en totale ontreddering. Controle is een goede zaak, maar waarover? Controle over een rechte lijn, dat is een stompzin, dat kan elke kleun. Controle over afwijking, deviatie, vreemdheid en stoornis, daarin ligt meesterschap en levenskunst.
Het schip meert aan, de wind gaat liggen, de kusten zijn bereikt. Wat rest is de beifstuk, aan tafel gesneden met het juiste mes, van de juiste plaats zonder kartels en inscripties.
Op weg naar de heilige plaats was hij, steeds, dwalend, schalend, balend, want steeds droeg alles dat schoon was en mooi en puur en dat zijn hart stal, een andere naam dan de Heilige. Zo kwam het hem voor, dat voorts op zijn weg landen nog mooier moesten worden, al kon hij zich dat nauwelijks voorstellen. En zo verging het hem al die tijd. En hij genoot maar hij wist het niet. En de bloemen waren paars en geel, de rotsen grijs, en de rest was blauw en groen - Hemel en Aarde.
Het vuur brandt hier op Aarde in onberispelijke cirkels - de torens reiken omhoog, trots en bescheiden. Ze weten dat ze nooit de sterren kunnen pakken, ook zij zijn hier gebonden aan het vuur, het mors, het mos, ook zij vergaan tot stof - wat een voorrecht is, iets dat de sterren nooit zullen bereiken.
De schoonheid verbleekt bij het geluid, de mug zoemt, de steen kraakt onhoorbaar - erbinnenin gebeuren dingen, die zich niet laten vertellen, die verborgen zijn en blijven en altijd zijn geweest. De zon brandt op onze huid, op de vleugels van de vogels en geeft hun stemmen, draagt hen mee op zijn licht, zijn lucht, zijn blauwe kleur, hier boven de aarde. Ons stulpje in de galactische puinhopen die rondtollen als een gigantische vuilnisbelt om het zwarte gat waar alles uitenndelijk in wordt opgeslokt. - Maar geen zaak om ons druk om te maken. We bestaan, en dat is ons lief. We nemen ene omweg naar de dood - de allerwijsten nemen de meest kronkelende paadjes, want niet alleen eerlijk duurt het langst, vooral ook verbazing, verwondering en totale ontreddering. Controle is een goede zaak, maar waarover? Controle over een rechte lijn, dat is een stompzin, dat kan elke kleun. Controle over afwijking, deviatie, vreemdheid en stoornis, daarin ligt meesterschap en levenskunst.
Thursday, July 22, 2010
Roger Rabbit
Het zit niet mee en het ziit niet tegen. Het zit gewoon niet en dat zit niet lekker. Ik zit, maar ik dans rond en ik ren, en ik buig en strek, voorover, halfoverslag, overstag en dan dag met je handje, dat was weer een dag. Maar wat doe ik ondertussen? Ik zit, ik sta, ik wentel en tol, maar ik doe dit niet voor m'n lol! Toch ben ik lui. Als een uil overdag zit ik in mijn kuil en huil. Ach ja en ik lieg, dat kan er ook nog wel bij. Wat is er te doen? Wat is er te geven? Wat is er te menen? Wat is er - te delen? Dit rijmen begint me in ieder geval te vervelen. Heel veel levens krakelen om eten maar ik zit hier maar te breken en meten. Wat doe ik? Wat is dit? Waarom? Is er een reden? Of is er alleen - een oorzaak? En die oorzaak, die oerzaak, wat een zak wat een ploert wat een boer. Geen geloel.
Monday, July 5, 2010
grote bergen steen. Ze glijden, rollen langzaam naar omlaag, de groene helling af, en laten daarbij ravage achter in hun spoor. De helling zal zich herstellen, als het weer mee zit. Als het niet regent, en de aarde geen modder wordt. Maar de stenen zijn ondertussen beneden aangeland en komen verspreid te liggen, en worden in de jaren die volgen overwoekerd door de uitbundig aanwezige vegetatie. Zo ontstaat er een vreemd heuveltje, met woeste planten en verraderlijke kloven voor wie de beklimming waagt.
Thursday, June 24, 2010
een zekere beweging
Niets is er meer
geen kust op de kaart
geen schat bij het kruis
nee een draaikolk
zo'n rode vlek
oorlog, wie weet schepping
blind van woede
ja dier, ja
in je bestaat macht
in je dient zich aan.
Onzichtbaar, verdrukt
lijkend op het niets, op een vloek
daarbinnen in knarst
de tand des tijds
Monday, June 21, 2010
Bal Binnengebleven (Niet helemaal over de lijn)
Plakkende adem schuurt zich los
ragt als de tijd door een rots
die zich dan weer sluit
Nederige woorden tot slot
en een zachtgeprevelde opening
de kerk beeft om meer
Rakelings langs de eeuwigheid
die rijke steengroeve
scheert de houweel en schampt
Radeloos ontwortelen
verbijten van leegte
op de wandeling terug.
Saturday, June 19, 2010
Evil Eye
So long Ein Gedi! En tot nooit meer ziens.
In de bus naar Jeruzalem. Hoe dat zo is gekomen, daar kan ik lang over uitwijden, maar ik zal het kort houden. Gisteren ben ik ontslagen uit het restaurant. Nadat ik om een rap regel op te schrijven op de achterplaats ver uit het zicht van een eventuele baas was gaan zitten, begon ik te schrijven, en onmiddelijk komt er een Amerikaanse bak aanrgereden die precies voor mijn neust stopt, en achter het suur zat de baas.
Eerder die dag had ik er al serieus aan gedacht om per direct op te donderen, dus mijn ontslag kwam niet als een onwelkome verassing. Meteen heb ik naar huis en naar ISTA opgebeld, en als ik vandaag voor sluitingstijd op het kantoor in Tel Aviv ben kan ik woensdag vertrekken.
Bart is meegegaan.
Dinsdag 9-6 - 20:15. Laatste dag in Israel. Ik zit op m'n bed - een bovenbed - in een groene kamer die uitkijkt op Dizenkoff Centre. De ventilator aan het plafond werpt flitsende schaduwen over Justins bed. De die Zuidafrikanen zijn hier nog steeds. Nick is naar huis en Bryan had na 3 weken 2000 shekel en is naar Egypte vertrokken.
Vanmiddag, toen Bart en ik uit de supermarkt hier tegenover kwamen, liepen we ineens tegen de twee dikke Deense meisjes uit Kfar Giladi op. Zij waren hier om er effe tussenuit te zijn - Anne en Linette heten ze trouwens - en ze vertelden dat Dave gisteren naar Ein Gedi was afgereisd om ons een bezoek te brengen! Arme Dave! Wel cool dat hij dat doet, trouwens. Ik ben beniwued wat voor verhalen de mensen daar over ons te vertellen hebben. Dave moet deze zomer naar Amsterdam komen.
01:30 Kibbutz EIN GEDI.
Ik lig in bed, op een kamertje met 2 Zweden. Tenminste, van één weet ik dat hij Zweeds is, met hem heb ik gesproken. Hij zit nu een boek te lezen. Op ht bed boven hem ligt de ander te slapen. Ik kom een hald uurtje geleden van de pub, of het tv hol met tafeltennis waar je bier en sigaretten kan kopen, en waar voor de deur de volunteers, of ten minste een deel ervan de avond doorbrengen op picknicktafelbanken en matrassen op de grond. Mensen leren kennen gaat snel, ik ontmoette in de tv room een engelsman, Nick die op Gullit lijkt en erg relaxt is, er is Theun, een Amsterdammr met een hoofdletter A die Bart en mij een hoop heeft verteld. Masada? Dat is gewoon een berg met wat ouwerwetse teringstenen... Je moet minstens twee flessen wodka op hebben om het daar leuk te vinden.
Toen we aankwamen, na een lange rit door het dode zeegeboed en wat rondliepen door de kibbutz verlangden we even terug naar Kfar Giladi, waar alles plotseling zo mooi leek. Maar ik wist wel dat dat zou verdwijnen, vanavond of morgen als je hiet hier leert kennen. De omgeving is vanzelfsprekend supermooi, de kibbutz ziet er goed uit, ietsje t goed misschien. Het is niet groot, maar er schijnen zestig voluneers te zijn.
De kibbutz ligt vrij hoog, als je aan de rand staat kijk je uit over de ontzettend blauwe dode zee en daarachter de geelbruine bergen van Jordanie. Ik geen kussen, dus zal ik in de tovenaarshoudin gaan slapen. De Zweed doet het licht uit, goed teken, of duidelijk in ieder geval. Welterusten. orgen slaap ik met Bart in een kamer.
SATAN HEEFT EEN KANKERBAAN!
In de bus naar Jeruzalem. Hoe dat zo is gekomen, daar kan ik lang over uitwijden, maar ik zal het kort houden. Gisteren ben ik ontslagen uit het restaurant. Nadat ik om een rap regel op te schrijven op de achterplaats ver uit het zicht van een eventuele baas was gaan zitten, begon ik te schrijven, en onmiddelijk komt er een Amerikaanse bak aanrgereden die precies voor mijn neust stopt, en achter het suur zat de baas.
Eerder die dag had ik er al serieus aan gedacht om per direct op te donderen, dus mijn ontslag kwam niet als een onwelkome verassing. Meteen heb ik naar huis en naar ISTA opgebeld, en als ik vandaag voor sluitingstijd op het kantoor in Tel Aviv ben kan ik woensdag vertrekken.
Bart is meegegaan.
Dinsdag 9-6 - 20:15. Laatste dag in Israel. Ik zit op m'n bed - een bovenbed - in een groene kamer die uitkijkt op Dizenkoff Centre. De ventilator aan het plafond werpt flitsende schaduwen over Justins bed. De die Zuidafrikanen zijn hier nog steeds. Nick is naar huis en Bryan had na 3 weken 2000 shekel en is naar Egypte vertrokken.
Vanmiddag, toen Bart en ik uit de supermarkt hier tegenover kwamen, liepen we ineens tegen de twee dikke Deense meisjes uit Kfar Giladi op. Zij waren hier om er effe tussenuit te zijn - Anne en Linette heten ze trouwens - en ze vertelden dat Dave gisteren naar Ein Gedi was afgereisd om ons een bezoek te brengen! Arme Dave! Wel cool dat hij dat doet, trouwens. Ik ben beniwued wat voor verhalen de mensen daar over ons te vertellen hebben. Dave moet deze zomer naar Amsterdam komen.
01:30 Kibbutz EIN GEDI.
Ik lig in bed, op een kamertje met 2 Zweden. Tenminste, van één weet ik dat hij Zweeds is, met hem heb ik gesproken. Hij zit nu een boek te lezen. Op ht bed boven hem ligt de ander te slapen. Ik kom een hald uurtje geleden van de pub, of het tv hol met tafeltennis waar je bier en sigaretten kan kopen, en waar voor de deur de volunteers, of ten minste een deel ervan de avond doorbrengen op picknicktafelbanken en matrassen op de grond. Mensen leren kennen gaat snel, ik ontmoette in de tv room een engelsman, Nick die op Gullit lijkt en erg relaxt is, er is Theun, een Amsterdammr met een hoofdletter A die Bart en mij een hoop heeft verteld. Masada? Dat is gewoon een berg met wat ouwerwetse teringstenen... Je moet minstens twee flessen wodka op hebben om het daar leuk te vinden.
Toen we aankwamen, na een lange rit door het dode zeegeboed en wat rondliepen door de kibbutz verlangden we even terug naar Kfar Giladi, waar alles plotseling zo mooi leek. Maar ik wist wel dat dat zou verdwijnen, vanavond of morgen als je hiet hier leert kennen. De omgeving is vanzelfsprekend supermooi, de kibbutz ziet er goed uit, ietsje t goed misschien. Het is niet groot, maar er schijnen zestig voluneers te zijn.
De kibbutz ligt vrij hoog, als je aan de rand staat kijk je uit over de ontzettend blauwe dode zee en daarachter de geelbruine bergen van Jordanie. Ik geen kussen, dus zal ik in de tovenaarshoudin gaan slapen. De Zweed doet het licht uit, goed teken, of duidelijk in ieder geval. Welterusten. orgen slaap ik met Bart in een kamer.
SATAN HEEFT EEN KANKERBAAN!
wat ligt me?
Lang heb ik geen echte mensen leren kennen. Ik heb ze afgezworen. Het gaat me goed af, met ze kennis te maken, maar minder om het met ze te onderhouden. Het is een leven, geheel ingericht op het eigen beleven. Of het een kunstenaarsleven is weet ik niet - hoe dan ook wel, maar is dit nodig, om als kunstenaar te leven? Of zijn er ook mogelijkhieden, met mensen om te gaan, zonder dat dit pijn doet, een last is, iets is om te doorstaan, en er dan weer vanaf te zijn?
het hangt af van het soort mensen, het type, of de mens je ligt.
Wie ligt me? Wat ligt me? Dat moet ik uitvinden, voor mijn eigen gezondheid.
het hangt af van het soort mensen, het type, of de mens je ligt.
Wie ligt me? Wat ligt me? Dat moet ik uitvinden, voor mijn eigen gezondheid.
Monday, June 7, 2010
het raadsel van het raadsel van het raadsel van het..
Het raadsel strekt zich uit tot over de horizon. Laat staan het antwoord, de sleutel. Het gaat om het raadsel. Het gaat erom, te beseffen hoe groot, hoe allesomvattend het raadsel is. Dat is de sleutel. Het onvatbaren van het raadsel - dat is het enige juiste antwoord.
Tuesday, June 1, 2010
Brothers of the left hand path,
I show you the golden arm of God,
The one who comes before heaven from which all good is made
That towers like ten thousand suns above the horizon and all canyons below and floods Gods land with all juices that make its herbs and green things grow.
I show you my friends the well from which all is born that I hold dear and thrust from my heart.
Black towers stood before me, before I acted and shed my light -
Black rocks and kings and knights and servants and goats and women - before the immaculate gesture came from above.
Sunday, May 30, 2010
STOMMELINGEN!
POTSIERLIJKE HANSWORSTEN!
RADIKALE PEERVORMIGE ZURE-ZULTETERS!
KAPITULEERDERS!
RANSBAKKEN!
KLOOTVERDOEMENISLIJERS!
Niemendal was iemand die niet veel te zeggen had. Daarom is dit verhaal ook een stom verhaal. Het gaat heel lang door maar dat merkt niemand. Het geheim, maar niet doordat iemand het geheim houdt. Het speelt zich af in stilte, in de ultieme marge. Het is zogezegd KULT.
KUL met een T.
KUT met een L.
Zeg het maar. U kunt uw stem NIET uitbrengen, stelletje uitvreters. Patatgeneratiekloof-uitbuiters. Rans-kastelijnen. Snikkels. Zelfs niemendal zegt er iets van. Al is het maar met de uitdrukking van zijn gezicht. :(
POTSIERLIJKE HANSWORSTEN!
RADIKALE PEERVORMIGE ZURE-ZULTETERS!
KAPITULEERDERS!
RANSBAKKEN!
KLOOTVERDOEMENISLIJERS!
Niemendal was iemand die niet veel te zeggen had. Daarom is dit verhaal ook een stom verhaal. Het gaat heel lang door maar dat merkt niemand. Het geheim, maar niet doordat iemand het geheim houdt. Het speelt zich af in stilte, in de ultieme marge. Het is zogezegd KULT.
KUL met een T.
KUT met een L.
Zeg het maar. U kunt uw stem NIET uitbrengen, stelletje uitvreters. Patatgeneratiekloof-uitbuiters. Rans-kastelijnen. Snikkels. Zelfs niemendal zegt er iets van. Al is het maar met de uitdrukking van zijn gezicht. :(
Saturday, May 29, 2010
2 3
Roger Charlie Alpha Delta Charlie Bravo Excellent
Never mind you touch that I get inside you like a tramphole couchnail cannot Bravo Charlie Hickup never yes sir.
Complete 2 o clock 2 clicks radical insurgent commando Charlie Bravo Palm Beach West
White Clothing
That's what it looks like to Us.
Never mind you touch that I get inside you like a tramphole couchnail cannot Bravo Charlie Hickup never yes sir.
Complete 2 o clock 2 clicks radical insurgent commando Charlie Bravo Palm Beach West
White Clothing
That's what it looks like to Us.
Kanarie Met Gesloten Vizier
Derhalve. Wat is er toch met dit woord? Weet u het? Waarom gebruik ik het, hier?
De Koningszoon zat in zijn ochtendgewaad aan het raampje van zijn torenkamer, waar hij tot diep in de nacht stratego had gespeeld met zijn kanarie die hem voortdurend op listige wijze wist te verslaan. De kanarie nu was al slapende, en de koningszoon was vroeg opgestaan (waarbij zijn pezen kraakten van ellende, en zijn longen blaasbalgden van walging) om zonder het gekscherende getoeter van zijn piepkleine vriendje nu eens de zetten van de vorige avond na te gaan. Het was toch donders vervelend, voortdurend te verliezen zonder dat hij er erg in had, dat hij aan het verliezen was. De nederlaag kwam altijd zo onverwacht, als zo'n vernederende verrassing, zijn balon van overwinningsroes (want hij was altijd zo goed bezig, zeker gisteren) werd altijd op zo'n geniepige manier doorgeprikt door het snaveltje van het gevleugelde maarschalkje dat hij toch liever niet als zijn strategische meerdere wilde erkennen. De koningszoon verzette de poppetjes, stuk voor stuk, stap voor stap, precies zoals het gegaan was de vorige avond - plok, plok, plok, kets, zo klonk het in het torenkamertje, en het zweet des aanschijns parelde in dikke droppen over het noblele gelaat van de koningszoon naar beneden, en viel dan ook weer op het bord - zo dat het ging van plok, drup, plok, kets, drup, plok, drup, plok plok, kets, drup - het was een klein wondertje dat het kanariepietje er niet wakker van werd.
Jeetje kreetje - daar had je het! De koningszoon was er zich plotselingerwijze bij zich van in de smiezen geraakt, wat hij den vorige avond aan misstappen had gedaan! Hij zag bliksemscherp in, dat zijn poppetjes heel anders gepositioneerd waren gestonden dan die van zijn miniscule tegenstander! Wat bleek nu, het kanariepietje had op geheel listige wijze, zijn poppekens met de plaatjes naar zichzelf toe gekeerd! Geen wonder dat diens strategie (ook de titel van het spel blonk nu ineens in de volle betekenis aan hem uit) voor de geheel eerlijk en met open vizier opererende Prins verborgen was gebleven! En geen wonder ook, dat de strategie van zijn piepkleine toeverwant door het diertje zelf begrepen en door-ontwikkeld kon worden! De koningszoon slaakte een snoodaardige triomfkreet (Iuuuaargllihee!) en positioneerde nu, als experiment, ook zijn eigen poppetjes (ploppetiepokplioppikletterketsplokplokkert) op Machiavelliaanse wijze met de gezichtjes naar hem zelf toe! En hij verbaasde zich, bij het tafereel dat zich toen voor zijn nobele ogen (die groen en goud waren, dat moet gezegd, zodat het opgenomen kan worden in de notulaties die bij de stamboom worden bijgeleverd als men de speciale, in beverhuid gebonden editie verkiest aan te schaffen en niet de paperback, waarbij de details in het ongewisse worden gelaten, en terecht, want paarlen gooit men niet voor de zwijnen, ik kan hier toch zo boos om worden, wie koopt er nou een paparback stamboom, verdomme, he, niet vloeken) openbaarde, en wachtte om te worden afgespeeld. Want nu, ja, slechts, nu, nobele lezer, nu pas begreep de Koningszoon, dat het spel der strategische krijgshaft "zich" niet slechts afspeelt, maar wordt gemanipuleerd door listige wezens, zoals kanaries, en in de toekomst ook, past u op uw tellen, door koningszonen.
De Koningszoon zat in zijn ochtendgewaad aan het raampje van zijn torenkamer, waar hij tot diep in de nacht stratego had gespeeld met zijn kanarie die hem voortdurend op listige wijze wist te verslaan. De kanarie nu was al slapende, en de koningszoon was vroeg opgestaan (waarbij zijn pezen kraakten van ellende, en zijn longen blaasbalgden van walging) om zonder het gekscherende getoeter van zijn piepkleine vriendje nu eens de zetten van de vorige avond na te gaan. Het was toch donders vervelend, voortdurend te verliezen zonder dat hij er erg in had, dat hij aan het verliezen was. De nederlaag kwam altijd zo onverwacht, als zo'n vernederende verrassing, zijn balon van overwinningsroes (want hij was altijd zo goed bezig, zeker gisteren) werd altijd op zo'n geniepige manier doorgeprikt door het snaveltje van het gevleugelde maarschalkje dat hij toch liever niet als zijn strategische meerdere wilde erkennen. De koningszoon verzette de poppetjes, stuk voor stuk, stap voor stap, precies zoals het gegaan was de vorige avond - plok, plok, plok, kets, zo klonk het in het torenkamertje, en het zweet des aanschijns parelde in dikke droppen over het noblele gelaat van de koningszoon naar beneden, en viel dan ook weer op het bord - zo dat het ging van plok, drup, plok, kets, drup, plok, drup, plok plok, kets, drup - het was een klein wondertje dat het kanariepietje er niet wakker van werd.
Jeetje kreetje - daar had je het! De koningszoon was er zich plotselingerwijze bij zich van in de smiezen geraakt, wat hij den vorige avond aan misstappen had gedaan! Hij zag bliksemscherp in, dat zijn poppetjes heel anders gepositioneerd waren gestonden dan die van zijn miniscule tegenstander! Wat bleek nu, het kanariepietje had op geheel listige wijze, zijn poppekens met de plaatjes naar zichzelf toe gekeerd! Geen wonder dat diens strategie (ook de titel van het spel blonk nu ineens in de volle betekenis aan hem uit) voor de geheel eerlijk en met open vizier opererende Prins verborgen was gebleven! En geen wonder ook, dat de strategie van zijn piepkleine toeverwant door het diertje zelf begrepen en door-ontwikkeld kon worden! De koningszoon slaakte een snoodaardige triomfkreet (Iuuuaargllihee!) en positioneerde nu, als experiment, ook zijn eigen poppetjes (ploppetiepokplioppikletterketsplokplokkert) op Machiavelliaanse wijze met de gezichtjes naar hem zelf toe! En hij verbaasde zich, bij het tafereel dat zich toen voor zijn nobele ogen (die groen en goud waren, dat moet gezegd, zodat het opgenomen kan worden in de notulaties die bij de stamboom worden bijgeleverd als men de speciale, in beverhuid gebonden editie verkiest aan te schaffen en niet de paperback, waarbij de details in het ongewisse worden gelaten, en terecht, want paarlen gooit men niet voor de zwijnen, ik kan hier toch zo boos om worden, wie koopt er nou een paparback stamboom, verdomme, he, niet vloeken) openbaarde, en wachtte om te worden afgespeeld. Want nu, ja, slechts, nu, nobele lezer, nu pas begreep de Koningszoon, dat het spel der strategische krijgshaft "zich" niet slechts afspeelt, maar wordt gemanipuleerd door listige wezens, zoals kanaries, en in de toekomst ook, past u op uw tellen, door koningszonen.
Friday, May 28, 2010
En toen Harrie aangekomen was bij de stekelige brug, zat hij even neer om de door hem afgelegde weg te overpeinzen. Hij kon immers wel direct doorsteken, maar om nu in de afgrond te tuimelen zonder bij de ontberingen die hij getrotseerd had, om bij diezelfde afgrond aan te landen te bespiegelen, en zichzelf erom nog even te prijzen voordat het noodlot hem in de verstikkend earmen sloot, dat leek hem toch een dwaasheid. En dwaasheden, daarvan had Harrie er al zoveel begaan in zijn leven, dat de lol er nu wel een beetje af was.
Maar wat viel er te overpeinzen? Harrie had met draken gevochten - draken die later, toen ze opengereten aan Harries voeten lagen, zijn vrienden bleken te zijn. Harrie had tunnels gegraven, onder brandende velden, en onder de grond had hij dieren ontmoet, die hem geheimen ingefluisterd hadden, die Harrie ter harte had genomen, maar die later leugens bleken te zijn geweest. Harrie hard kortom vriend voor vijand aangezien, en had volhardt in deze fout, en daarmee was hij bij deze brug aangeland. Geen wonder dus, dat hij zich even beraadde, voor hij de stap naar de overkant durfde te wagen.
Zo bezorgd en vertwijfeld was Harrie, dat hij aan de rand van de afgrond kamp opsloeg, een vuurtje maakte en zijn gangen nog eens naging, maar nu bij het licht van de knetterende vonkjes, en de fonkelende sterren boven hem. Dat de sterren nog boven hem stonden, dat was een geruststelling - hij, Harrie, mocht nog zoveel fouten hebben begaan - de Hemel was erdoor onveranderd. Dit besef stemde Harrie enigszins tot rust, en hij begon onwillekeurig een wijsje te fluiten, waarmee hij een klein diertje naar zich toe lokte - een diertje dat hem eens in een ver verleden terzijde had gestaan, bij het einde van een wereld, die Harrie al lang vergeten was.
Maar Harri eherkende het diertje wel degelijk, en hij was geroerd door het weerzien. En samen zaten Harrie en het diertje bij de vlammen, en dachten even aan niets, want het leek alsof de tijd niet bestond, en zij elkaars gezelschap tot in de eeuweigheid zouden genieten. Maar Harrie dommelde in, en toen hij wakker werd, was het diertje verdwenen, en het vuur gedoofd. Het smeulde niet eens meer, en evenmin brandden de sterren nog aan het firmament. Het enige dat nog hetzelfde was was de brug, de stekelige brug, die voor Harries ogen een pad trok naar de toekomst, onbekend, onbezongen en onvoorgesteld. De toekomst was duister, zelfs duisterder, dan de afgrond. Maar Harrie besefte dat hij verder moest - want teruggaan, daar zag hij niets in. Dus hij stond op, en zette voet op de brug.
Tot Harries verbazing stortte de brug niet onmiddelijk in. Voetje voor voetje schuifelde hij zich een pad over de afgrond, de stekels voorzichtig ontwijkend, en na verloop van tijd begon in de duisternis aan de overtoom een vaag schijsel de flakkeren. Een zucht wind trok door Harries hart en blies iets van het stof, waarmee het bedekt was, weg van zijn ziel. Voor een moment - toen was het lichtje weer weg, en de toekomst weer duister. Maar het was genoeg geweest - harrie besefte, dat hij zich een weg ploeterde door een donkere nacht, en dat als hij maar doorging, het licht weer door de duisternis verwekt zou worden - verwekt van duisternis en wanhoop - moeder en vader van de toekomst - zo mijmerde Harrie, zoekend naar een houvast voor zijn geest op deze penibele brug.
En nog een vonk verscheen, voor een moment, aan de overzijde. Wellicht was het een zwaard in de hand van ee rover, dacht Harrie. Wellicht het schijnsel in een boosaardig oog - maar er was licht. Er was iets. Harrie versnelde zijn pas, hij werd roekelozer, maar behendig dansde hij nu tussen de stekels door. En uiteindelijk begon nu echt de overkant te gloren, een paars-roze licht, en ook een geur drong door tot Harries brein, voor het eerst sinds het vuur van de afgelopen nacht. Een zoete geur was het, van een soort bloemen die we hier niet kennen - een geur als het gezang van meerminnen wellicht - en hoe Harrie het licht aanzag voor duister, hoe zijn hersens zich wreekten voor jarenlange teloorgang - dit alles deed niets af aan het feit dat de afgrond bijna overbrugd was, en dat Harrie zich voelde als een vreemde in zijn eigen ziel. Hij had zijn bestaan verlaten, de grens overschreden, en was nu niet langer een mens. Hij kwam aan op de oever, stapte op het vaste land, waar gras bleek te groeien, en geen rover hem opwachtte. Teleurgesteld dat er geen gevaar was, om mee te kampen, maar slechts een nieuwe ruimte om te doorkruisen, sprong Harrie alsnog in de afgrond. Hij viel en hij viel en hij viel, en het werd nog donkerder dan het al was geweest, en uiteindelijk sleog hij te pletter op de rotsen in de diepte. Bloed kroop waar het niet gaan kon, en voedde de bodem, die kreunde en openspleet, en Harries lijk nog verder deed zakken, tot hij aankwam in de Hel, diep onder de aarde, en aan Satans voeten kwam te liggen.
Zo werd hij wakker, in ketens, herboren doch dood, starend in fonkelend vuur, maar doof voor de pijn die hij zou moeten voelen. "Wat doe ik hier?"" vroeg hij aan niemand in het bijzonder. Het antwoord kwam van Satan: Je bent hier om te leren leven.
U ziet beste lezer, dat het verdomd lastig is voor een Harrie, om daadwerkelijk ten onder te gaan, en vergeten te worden. U heeft het hiermee te stellen.
Maar wat viel er te overpeinzen? Harrie had met draken gevochten - draken die later, toen ze opengereten aan Harries voeten lagen, zijn vrienden bleken te zijn. Harrie had tunnels gegraven, onder brandende velden, en onder de grond had hij dieren ontmoet, die hem geheimen ingefluisterd hadden, die Harrie ter harte had genomen, maar die later leugens bleken te zijn geweest. Harrie hard kortom vriend voor vijand aangezien, en had volhardt in deze fout, en daarmee was hij bij deze brug aangeland. Geen wonder dus, dat hij zich even beraadde, voor hij de stap naar de overkant durfde te wagen.
Zo bezorgd en vertwijfeld was Harrie, dat hij aan de rand van de afgrond kamp opsloeg, een vuurtje maakte en zijn gangen nog eens naging, maar nu bij het licht van de knetterende vonkjes, en de fonkelende sterren boven hem. Dat de sterren nog boven hem stonden, dat was een geruststelling - hij, Harrie, mocht nog zoveel fouten hebben begaan - de Hemel was erdoor onveranderd. Dit besef stemde Harrie enigszins tot rust, en hij begon onwillekeurig een wijsje te fluiten, waarmee hij een klein diertje naar zich toe lokte - een diertje dat hem eens in een ver verleden terzijde had gestaan, bij het einde van een wereld, die Harrie al lang vergeten was.
Maar Harri eherkende het diertje wel degelijk, en hij was geroerd door het weerzien. En samen zaten Harrie en het diertje bij de vlammen, en dachten even aan niets, want het leek alsof de tijd niet bestond, en zij elkaars gezelschap tot in de eeuweigheid zouden genieten. Maar Harrie dommelde in, en toen hij wakker werd, was het diertje verdwenen, en het vuur gedoofd. Het smeulde niet eens meer, en evenmin brandden de sterren nog aan het firmament. Het enige dat nog hetzelfde was was de brug, de stekelige brug, die voor Harries ogen een pad trok naar de toekomst, onbekend, onbezongen en onvoorgesteld. De toekomst was duister, zelfs duisterder, dan de afgrond. Maar Harrie besefte dat hij verder moest - want teruggaan, daar zag hij niets in. Dus hij stond op, en zette voet op de brug.
Tot Harries verbazing stortte de brug niet onmiddelijk in. Voetje voor voetje schuifelde hij zich een pad over de afgrond, de stekels voorzichtig ontwijkend, en na verloop van tijd begon in de duisternis aan de overtoom een vaag schijsel de flakkeren. Een zucht wind trok door Harries hart en blies iets van het stof, waarmee het bedekt was, weg van zijn ziel. Voor een moment - toen was het lichtje weer weg, en de toekomst weer duister. Maar het was genoeg geweest - harrie besefte, dat hij zich een weg ploeterde door een donkere nacht, en dat als hij maar doorging, het licht weer door de duisternis verwekt zou worden - verwekt van duisternis en wanhoop - moeder en vader van de toekomst - zo mijmerde Harrie, zoekend naar een houvast voor zijn geest op deze penibele brug.
En nog een vonk verscheen, voor een moment, aan de overzijde. Wellicht was het een zwaard in de hand van ee rover, dacht Harrie. Wellicht het schijnsel in een boosaardig oog - maar er was licht. Er was iets. Harrie versnelde zijn pas, hij werd roekelozer, maar behendig dansde hij nu tussen de stekels door. En uiteindelijk begon nu echt de overkant te gloren, een paars-roze licht, en ook een geur drong door tot Harries brein, voor het eerst sinds het vuur van de afgelopen nacht. Een zoete geur was het, van een soort bloemen die we hier niet kennen - een geur als het gezang van meerminnen wellicht - en hoe Harrie het licht aanzag voor duister, hoe zijn hersens zich wreekten voor jarenlange teloorgang - dit alles deed niets af aan het feit dat de afgrond bijna overbrugd was, en dat Harrie zich voelde als een vreemde in zijn eigen ziel. Hij had zijn bestaan verlaten, de grens overschreden, en was nu niet langer een mens. Hij kwam aan op de oever, stapte op het vaste land, waar gras bleek te groeien, en geen rover hem opwachtte. Teleurgesteld dat er geen gevaar was, om mee te kampen, maar slechts een nieuwe ruimte om te doorkruisen, sprong Harrie alsnog in de afgrond. Hij viel en hij viel en hij viel, en het werd nog donkerder dan het al was geweest, en uiteindelijk sleog hij te pletter op de rotsen in de diepte. Bloed kroop waar het niet gaan kon, en voedde de bodem, die kreunde en openspleet, en Harries lijk nog verder deed zakken, tot hij aankwam in de Hel, diep onder de aarde, en aan Satans voeten kwam te liggen.
Zo werd hij wakker, in ketens, herboren doch dood, starend in fonkelend vuur, maar doof voor de pijn die hij zou moeten voelen. "Wat doe ik hier?"" vroeg hij aan niemand in het bijzonder. Het antwoord kwam van Satan: Je bent hier om te leren leven.
U ziet beste lezer, dat het verdomd lastig is voor een Harrie, om daadwerkelijk ten onder te gaan, en vergeten te worden. U heeft het hiermee te stellen.
Thursday, May 27, 2010
the crooked and narrow road
Road of my heart, little side-track
hidden in bushes of sorrow and lack
splits off the road that bathes in light
where no pain exist and all acts are right.
What lies there, hidden in dark, wet woods?
what wisdom, utility, passion or truth?
What possible virtue could grow on this path
when none enters here who is without wrath?
Take this little secret, dear travelling soul
forget it, until at some moment your goal
will come into view at the end of the way
like a cloud, turning light and dark into grey.
If chance favors you, you'll fall on your face
and bleeding and cursing you'll crawl in a daze
away from the straight, wide road to the end
side-tracked from fate you'll find life in your hands.
hidden in bushes of sorrow and lack
splits off the road that bathes in light
where no pain exist and all acts are right.
What lies there, hidden in dark, wet woods?
what wisdom, utility, passion or truth?
What possible virtue could grow on this path
when none enters here who is without wrath?
Take this little secret, dear travelling soul
forget it, until at some moment your goal
will come into view at the end of the way
like a cloud, turning light and dark into grey.
If chance favors you, you'll fall on your face
and bleeding and cursing you'll crawl in a daze
away from the straight, wide road to the end
side-tracked from fate you'll find life in your hands.
Sunday, May 16, 2010
Zo jongens! Zei de leraar gemaakt - opgewekt, zijn schurftige slaap proberend te vergeten en zich dingen inbeeldend, glorieuze dingen, die hij nu op het schoolbord zou gaan schrijven. Maar het werd hem belet. Het bleek een praktikumles te worden, door verschuivingen op het rooster. Dus de glorieuze dingen speelden nog bij hem in het achterhoofd, toen hij weer aan zijn slaap dacht, en daar allerlei bijgedachtes bij had, die hij liever niet wilde hebben, dus maar min of meer soort van insliep, waar hij bijstond, tot hij wakker werd van een propje tegen zijn hoofd, waarop hij pardoes in een punaise op zijn stoel ging zitten, en met een gil opsprong. Nu sliep hij in ieder geval niet meer, en kon de les voortgaan. Hij bracht de leerlingen goede, degelijke kennis bij. Het ging zo.
Leraar: Jantje, zeg het eens.
Jantje: Meester, ik weet het niet.
Leraar: Doe eens een gokje.
Jantje: Eh, drie!
Leraar: Bijna goed! Sabrine. Probeer jij het eens.
Sabrine: Vier!
Leraar: Ja! Jaaaaaaa! Jaaaaaaaaaaa! Goed! Helemaal goed! Bijna goed! Biiiiiijjjjna! Piet!
Piet: Vijf!
Leraar: Nee. Fout. Jullie moeten nog veeeeel leren. Volgende onderwerp.
Zo bracht de leraar de jongens en meiden bij hoe het eraan toe gaat in de echte wereld. Hij was er trots op, toen hij met zijn salamisandwich naar huis fietste voor de lunsj, en nog steeds toen hij aan het eten was, aan het smekken werkelijk, en nog steeds toen hij het schoolgebouw weer betrad, en toen hij plaats nam op de punaise en weer opsprong dacht hij, dat hij zijn leerlingen wel zoveel kennis had meegegeven dat hij wel met pensioen kon. Hij stelde het onderwerp aan de orde. Verscheidene leerlingen namen het voor hem op, en de meesten bleven met hun mobiele telefoontjes spelen. Net het echte leven, dacht de leraar, en besloot zijn pensioen uit te stellen, en de les voort te zetten.
Pientje. Wat denk jij dat het is?
Pientje: Wat wat is, meester?
Leraar: De vraag! Het antwoord!
Pientje: Oh! Ik denk dat de vraag is: Heeft u zichzelf wel eens bekeken in de spiegel? En het antwoord moet dan zijn: Ik kan geen spiegel betalen!
De klas giechelde, en Pientje kreeg een tien, voor straf. Om te laten zien, dat hij niet te bedwingen was, met dit soort klassenbewustzijn.
Ja, het leven van een leraar gaat gepaard moet moeilijke en onbegrijpelijke beslissingen. Toen de meester weer naar huis fietste, bedacht hij dat hij geluk had, dat de punaises in zijn reet staken, en niet in zijn band.
Leraar: Jantje, zeg het eens.
Jantje: Meester, ik weet het niet.
Leraar: Doe eens een gokje.
Jantje: Eh, drie!
Leraar: Bijna goed! Sabrine. Probeer jij het eens.
Sabrine: Vier!
Leraar: Ja! Jaaaaaaa! Jaaaaaaaaaaa! Goed! Helemaal goed! Bijna goed! Biiiiiijjjjna! Piet!
Piet: Vijf!
Leraar: Nee. Fout. Jullie moeten nog veeeeel leren. Volgende onderwerp.
Zo bracht de leraar de jongens en meiden bij hoe het eraan toe gaat in de echte wereld. Hij was er trots op, toen hij met zijn salamisandwich naar huis fietste voor de lunsj, en nog steeds toen hij aan het eten was, aan het smekken werkelijk, en nog steeds toen hij het schoolgebouw weer betrad, en toen hij plaats nam op de punaise en weer opsprong dacht hij, dat hij zijn leerlingen wel zoveel kennis had meegegeven dat hij wel met pensioen kon. Hij stelde het onderwerp aan de orde. Verscheidene leerlingen namen het voor hem op, en de meesten bleven met hun mobiele telefoontjes spelen. Net het echte leven, dacht de leraar, en besloot zijn pensioen uit te stellen, en de les voort te zetten.
Pientje. Wat denk jij dat het is?
Pientje: Wat wat is, meester?
Leraar: De vraag! Het antwoord!
Pientje: Oh! Ik denk dat de vraag is: Heeft u zichzelf wel eens bekeken in de spiegel? En het antwoord moet dan zijn: Ik kan geen spiegel betalen!
De klas giechelde, en Pientje kreeg een tien, voor straf. Om te laten zien, dat hij niet te bedwingen was, met dit soort klassenbewustzijn.
Ja, het leven van een leraar gaat gepaard moet moeilijke en onbegrijpelijke beslissingen. Toen de meester weer naar huis fietste, bedacht hij dat hij geluk had, dat de punaises in zijn reet staken, en niet in zijn band.
lutter
Nou wel de tyfus. Zei ze behakt, terwijl het vliegtuig al te sputteren stond. Ga je nog mee, of blijf je bij je hond?
Hij (Henkie) had hier even niet zo een twee drie een antwoord paraat op, dus hij shurkte wat. Zij schamperde wat in zijn richting en trip trapte het vliegtuigje in. Zonder dat zij het zag wreef Henkie in zijn handen en gniffelde wat. Heh heh heeeeeh. Nu zal ik met mijn radiografisch besturende pitbull dit vliegtuigje eens lekker laten neerstorten boven Kirchiezie-stad, waar ik toch al zo'n hekel aan heb als vakantiebestemming. Twee vliegen in een klap.
Waarom wilde Henkie de dame met de hakjes vermoorden? Dat kwam, omdat zij hem zuurkool gevoerd had, ten overstaan van de buurman, die hij eens had vertelt, over zijn lijk nog geen zuurkool te zullen vreten, wat hem al genoeg hoofdbrekens had bezorgd zonder dat kuttelientje hem ermee kwam opzadelen in de eerste graad - door het spul eens terwijl hij zat te kwijlen door zijn strot te douwen. Hoesten, hoesten dat hij deed! Nee, dan. Dat je zegt. Wat een ranzig gehork. Het hele tapijt lag onder het slijm en het bloed, het leek wel, alsof Henkie zijn longen uit zijn lijf had gehoest. Maar dat was niet zo - het waren gewoon de restanten van zijn vorige maaltijd - paardeworst met paardelul, gekookt in een boerensoepje. Dat kwam er uit, en dat beviel niet zo goed qua kleurschakering en de geur was ook niet helemaal tip-top, maar ja, toen ging de tv aan en was iedereen het allemaal weer vergeten gelukkig. De redding is altijd nabij, natuurlijk. Zo zie je maar weer. Maar toch moest kuttelientje het ontgelden. De eer te na, wat al dan niet, boven de wolken merkte ze ineens een vreemdsoortig geratteketat aan de linkerzijkant. Ze maakte zich er niet druk om en ging verder met Sudoku. Toen was ze in het paradijs.
Ze kwam tot overstaan van Petrus in een dialoogje terecht, dat we in deze analen zullen opnemen.
Kuttelientje: Ja?
Petrus: Eh, ja. U wilt naar binnen. begrijp ik?
Kuttelientje: Ik? U komt toch naar mij toe?
Petrus: Ehm. Nee, dat is niet zo. Ik sta hier al vrij lang te wachten. U bent er net.
Kuttelientje: Oh. Sorry hoor, ik was even aan het Sudokuen.
Petrus: Dat kan iedereen gebeuren.
Kuttelientje: Wat bedoelt u daarmee?
Petrus: U bent verontschuldigt.
Kuttelientje: Oh fijn zeg. U ook. Of dat zeg ik nou wel, maar nee, verdomme, u bent helemaal niet verontschuldigd. Wat doe ik hier? Wat is dit? Waarom ben ik hier? Wie ben u, godverdomme?
Petrus: Godslasterares! Zap! Zie hier! Tuig! U vliegt naar onderen!
Kuttelientje: Ja zeg kwaad worden kan ik ook. Leg me nu eerst maar eens uit wie u bent, en waarom u tegen mij aan staat te lurken.
Petrus: Wel - alle - dit heb ik nog nooit hoeven slikken. Maar goed ik ben Gods dienaar, zijn schoenlapper blijkbaar, ik zal het eens haarfijn uitleggen. U bent dood. U mag naar de hemel, als ik u binnenlaat. Anders moet u naar de hel. of het vagevuur.
Kuttelientje: Ga toch weg vreemde man. Gluurder. Naarling. Dood. Wat denk je wel?
Petrus: Ja, dood. Kijkt u maar eens om u heen.
Kuttelientje: Ik zie helemaal niets, behalve wat pluizige wolken.
Petrus: Zie je wel! Hahahahaaaaaa zie je lekker wel, nananananaaaana. Wolken, die heb je toch alleen in de doooood, Kuttlelientje.
Kuttelientje: Oh ja, dat is ook zo. Ik word daar wel wat beteuterd van. Ik had nog zulke grootse plannen.
Petrus: Ja en die gaan dus nu NIET door. Neneneneeeeneneeene.
Kuttelientje: Shit zeg. Dat valt tegen.
Petrus: Ja maar het ergste komt nog: misschien moet je wel naar de hellllllll.
Kuttelientje: Oh da's kut. Nou, hoe ontkom ik daaraan?
Petrus: Dan moet je even een dansje voor me doen. Dan zal ik zien of we je kunnen gebruiken in de hemel.
Kuttelientje: Eene dansje? Wat denk je wel schavuit, schoelje, schurk, dat ik een hoer ben?
En toen mocht Kuttelientje maar binnen want ze was geen hoer. Beneden was Henkie nog aan het kijken hoe de brokstukken naar beneden kukelden boven Kirchizie-stad, waar hij woonde. Hij werd er weemoedig van, al dat vuur en die ellende. Het herinnerde hem, aan de oorlog. Toen hij nog een vent was. toen hij nog dagelijks mensen om het leven hielp en daarbij gesteund werd door zijn moraal, die hem van alle kanten opjutte als zegevierde hij in een bomvol olympisch stadion. Maar nu was zijn moraal bedompt, nu moordde hij alleen nog zo nu en dan, als het uitkwam, als het nut had. Dat was toch zo verschirkkelijk, een doodzonde. Het moorden gereduceerd tot iets nuttigs. Een nuts-object. Wat een wereld. Die dagen, dat de dingen nog in hun volle glorie werden ondergaan, zonder dat men zed verder ergens voor nodig had. Het paradijs, was dat. Dat. Dit was nu de hel, zeker. Henkie had plotseling spijt dat hij Kuttelientje in rook had doen opgaan - deze hel was haar verdiende loon. En hij had haar laten wegkomen. Wel verdomme met kutsaus en worstepap. Hij hield er niet van, van dit leven. Hij pleegde maar zelfmoord en liet het daar verder bij. Zijn pitbull had nog een gelukkig leven tot hij in een vuilnisbak aan zijn eind kwam, wat nog een heel verhaal is. Hij zat daar namelijk in, en kon er niet meer uitkomen. Dus ging hij dood. Tsja. Zo gaat dat als je heeeeel erg kut bent.
Hij (Henkie) had hier even niet zo een twee drie een antwoord paraat op, dus hij shurkte wat. Zij schamperde wat in zijn richting en trip trapte het vliegtuigje in. Zonder dat zij het zag wreef Henkie in zijn handen en gniffelde wat. Heh heh heeeeeh. Nu zal ik met mijn radiografisch besturende pitbull dit vliegtuigje eens lekker laten neerstorten boven Kirchiezie-stad, waar ik toch al zo'n hekel aan heb als vakantiebestemming. Twee vliegen in een klap.
Waarom wilde Henkie de dame met de hakjes vermoorden? Dat kwam, omdat zij hem zuurkool gevoerd had, ten overstaan van de buurman, die hij eens had vertelt, over zijn lijk nog geen zuurkool te zullen vreten, wat hem al genoeg hoofdbrekens had bezorgd zonder dat kuttelientje hem ermee kwam opzadelen in de eerste graad - door het spul eens terwijl hij zat te kwijlen door zijn strot te douwen. Hoesten, hoesten dat hij deed! Nee, dan. Dat je zegt. Wat een ranzig gehork. Het hele tapijt lag onder het slijm en het bloed, het leek wel, alsof Henkie zijn longen uit zijn lijf had gehoest. Maar dat was niet zo - het waren gewoon de restanten van zijn vorige maaltijd - paardeworst met paardelul, gekookt in een boerensoepje. Dat kwam er uit, en dat beviel niet zo goed qua kleurschakering en de geur was ook niet helemaal tip-top, maar ja, toen ging de tv aan en was iedereen het allemaal weer vergeten gelukkig. De redding is altijd nabij, natuurlijk. Zo zie je maar weer. Maar toch moest kuttelientje het ontgelden. De eer te na, wat al dan niet, boven de wolken merkte ze ineens een vreemdsoortig geratteketat aan de linkerzijkant. Ze maakte zich er niet druk om en ging verder met Sudoku. Toen was ze in het paradijs.
Ze kwam tot overstaan van Petrus in een dialoogje terecht, dat we in deze analen zullen opnemen.
Kuttelientje: Ja?
Petrus: Eh, ja. U wilt naar binnen. begrijp ik?
Kuttelientje: Ik? U komt toch naar mij toe?
Petrus: Ehm. Nee, dat is niet zo. Ik sta hier al vrij lang te wachten. U bent er net.
Kuttelientje: Oh. Sorry hoor, ik was even aan het Sudokuen.
Petrus: Dat kan iedereen gebeuren.
Kuttelientje: Wat bedoelt u daarmee?
Petrus: U bent verontschuldigt.
Kuttelientje: Oh fijn zeg. U ook. Of dat zeg ik nou wel, maar nee, verdomme, u bent helemaal niet verontschuldigd. Wat doe ik hier? Wat is dit? Waarom ben ik hier? Wie ben u, godverdomme?
Petrus: Godslasterares! Zap! Zie hier! Tuig! U vliegt naar onderen!
Kuttelientje: Ja zeg kwaad worden kan ik ook. Leg me nu eerst maar eens uit wie u bent, en waarom u tegen mij aan staat te lurken.
Petrus: Wel - alle - dit heb ik nog nooit hoeven slikken. Maar goed ik ben Gods dienaar, zijn schoenlapper blijkbaar, ik zal het eens haarfijn uitleggen. U bent dood. U mag naar de hemel, als ik u binnenlaat. Anders moet u naar de hel. of het vagevuur.
Kuttelientje: Ga toch weg vreemde man. Gluurder. Naarling. Dood. Wat denk je wel?
Petrus: Ja, dood. Kijkt u maar eens om u heen.
Kuttelientje: Ik zie helemaal niets, behalve wat pluizige wolken.
Petrus: Zie je wel! Hahahahaaaaaa zie je lekker wel, nananananaaaana. Wolken, die heb je toch alleen in de doooood, Kuttlelientje.
Kuttelientje: Oh ja, dat is ook zo. Ik word daar wel wat beteuterd van. Ik had nog zulke grootse plannen.
Petrus: Ja en die gaan dus nu NIET door. Neneneneeeeneneeene.
Kuttelientje: Shit zeg. Dat valt tegen.
Petrus: Ja maar het ergste komt nog: misschien moet je wel naar de hellllllll.
Kuttelientje: Oh da's kut. Nou, hoe ontkom ik daaraan?
Petrus: Dan moet je even een dansje voor me doen. Dan zal ik zien of we je kunnen gebruiken in de hemel.
Kuttelientje: Eene dansje? Wat denk je wel schavuit, schoelje, schurk, dat ik een hoer ben?
En toen mocht Kuttelientje maar binnen want ze was geen hoer. Beneden was Henkie nog aan het kijken hoe de brokstukken naar beneden kukelden boven Kirchizie-stad, waar hij woonde. Hij werd er weemoedig van, al dat vuur en die ellende. Het herinnerde hem, aan de oorlog. Toen hij nog een vent was. toen hij nog dagelijks mensen om het leven hielp en daarbij gesteund werd door zijn moraal, die hem van alle kanten opjutte als zegevierde hij in een bomvol olympisch stadion. Maar nu was zijn moraal bedompt, nu moordde hij alleen nog zo nu en dan, als het uitkwam, als het nut had. Dat was toch zo verschirkkelijk, een doodzonde. Het moorden gereduceerd tot iets nuttigs. Een nuts-object. Wat een wereld. Die dagen, dat de dingen nog in hun volle glorie werden ondergaan, zonder dat men zed verder ergens voor nodig had. Het paradijs, was dat. Dat. Dit was nu de hel, zeker. Henkie had plotseling spijt dat hij Kuttelientje in rook had doen opgaan - deze hel was haar verdiende loon. En hij had haar laten wegkomen. Wel verdomme met kutsaus en worstepap. Hij hield er niet van, van dit leven. Hij pleegde maar zelfmoord en liet het daar verder bij. Zijn pitbull had nog een gelukkig leven tot hij in een vuilnisbak aan zijn eind kwam, wat nog een heel verhaal is. Hij zat daar namelijk in, en kon er niet meer uitkomen. Dus ging hij dood. Tsja. Zo gaat dat als je heeeeel erg kut bent.
Wednesday, April 28, 2010
Terstond: een poeem
De grond van de graven verroerde ich terdege, en het halve zand was gescheiden. Terdege beleefde de Ene en stevende voort.
Torg-oeg! Geen woorden meer.
Torg-oeg! Geen woorden meer.
Monday, April 19, 2010
modder en genade
De zware modder trok de aarde voort als een goederenwagon, bergopwaarts, bergafwaarts, de zure regen stompt af waar het in de rotsen dringen kan en in de kleren van hen die ongelukkig genoeg zijn kleren te dragen. De morgendauw - de takken zijn nat en de bladeren druipen het zoete vocht van hun hart vermengd met het vuile uitwerpsel van de hemel, en dit mengsel plenst neer of de aarde waar de diertjes net hun kop opsteken om zich te verwonderen over de dag, dat het geen nacht is gebleven, zoals iedereen verwacht had.
Ergens, achteraf, op een terrein, onontgonnen en onbezongen, wacht een stel leeuwen, versteend door de eeuwigdurende nacht op de eerste middagzon, die hun kille kokonnen zal opensplijten met een schreeuw van erbarmen. Want de koning heeft nog het meest de genade nodig van alle stervelingen: zijn deel is de genade van God zelf.
Sunday, April 18, 2010
Akkerblakeraar
Het stalen ros van mijn wil suggereert met onzichtbaar subtiele bewegingen de richting voor mijn noeste torso, waarvandaan de speer vooruitsteekt, ver te zien vanuit de afgebrande en tot op de graat toe leeggerukte boerderijen. Karkassen steken af tegen de zon, die mijn kaak en profile verlicht met de laatste, bloedrode stralen.
Gehuchten doemen op en gaan neer, zonder dat ik omkijk. Mijn mannen brengen achter me mijn razende wil tot uitvoer, ik verroer geen spier want dat zou fataal zijn. Correctie van hogerop is alleen bij een uiterst breekpunt in te zetten. Fouten in een duister verleden. Ik grijns, onwillekeurig. Twijfel breekt uit. Ik storm voort - 'laat ze met rust' - ! het zou een fatale fout geweest zijn, te blijven. Er is niets verderfelijkers dan volgevreten instincten. Ik neem mijn wil onder me en wijs de weg over de afgrond die is opengereten. Mijn mannen zien alleen de brug, en denken dat het de aarde is. Als de wolf in schaapskleren over de dam is volgen de schapen en blijven de schapen in wolfskleren steken in de wielen van karma. Ik denk veel na, tegenwoordig. Sinds die ene dag, dat die soldaat me kwam vermaken. Zijn geest was een harp, een waarlijk zuiver gestemde.
mr. X
x x
x x
x x
xxx
x x
x x
x x
x x
Geef het op voor mr. X! Ik zweet. Ik strompel het podium op. Alcohol. Het duivelse vuur. Gedverdemme. Dat bittere nasmaakje. Ik moet nu rappen. Van een leien dakje. Ik roep beelden op voor hun ogen. Hen. De fans. Zij die het weten, als ze het horen. Maar nu nog niet. Ik bezie, overzie ze, zielen vol dorst naar - verheffing. Bam. Het gaat los. De eerste zinnen raas ik over hun kale koppen. Djeng djeng. trommelvliezen rammelen als cymbalen. Ha. Ik heb er zin an. Tweede couplet. Het gaat retehard. Scheurende beats. Dan is het op. Zo hard als het kwam. Applaus - de volgende. Terug in de coulissen. Veiligheid. Superioriteit, ontlading. Ik drink en rook, ik rink en drook - yeah. Treinvaart. Poezie. Gedichten van de eerste orde. Tijdsgeest. Nederwalm. Ik ben hier, het dak is er nog op. Hoe kan dat? Ik trek me terug op de heldenzee en slaap.
Ik ben hier.
Niemand ziet mij.
Mijn ster is ver, in het oosten. Ik drink hem in, ik praat met De Grote Rapper. Hij weet. Ik ben - hij is groot. Ik ben ook groot - groter misschien. Mijn held. Ik ga hem aftroeven. Het wordt een hevige strijd. Een hevig, helder bestaan aan de toppen van het vuurzicht. Ik ben de onderricht voor de zwakzieligen, maar de drank, nektar voor de helden van welleer, die oprijen in mijn brein. Ik ben hier, ik ben daar, ik ben overal. Ik ben de man. De alleskunner, de genoegdoener, , de Nedertaler, de weerstand om de hoek die op je wacht, met een fokking honkbalknuppels. Sukkels weten niets. Ik was in de buurt dus ik slachtte ja. Dat is het motto. Yeah.
Voor alles komt een einde. En dan een begin. Aan alles vast, zit het niets. Met gouden veters. Ronduit vergeten dagen, toen we van daken schreeuwden - ze zijn nu. Ik ben hier. Ik schreeuw mijn stem aan flarden. Woorden, opgevoerd uit de pulploze massa, de goudader van mijn bewustzijn. Ik emmer uit de sloot van dode koeien en rompel je over met stront, haas! Vlucht, hup, vooruit, de vernietiging tegemoet. Ik overspoel je. Ik ben de veel betere dan beste, de ultieme.
Jawel jeweet. Ik zit op mijn leren fauteuil in de brandende middagzon. Met een joint in mijn klauw en een plaat op de pickup. Het is Masta Killah! Wat een timing. Deze rapper heeft niets te bewijzen. Ik echter nog wel. Daarom ligt er een grote schrijfmap voor me. Al voor de helft gevuld met briljante geschriften. Nu de andere helft nog, met nog genialere creaties. Ik ga hard aan het werk. Rijg regel na regel rijm aan rijm, en bevind me in de Zone. Niet de lasergame, maar mijn eigen, private, persoonlijke zone waarin alles zich afspeelt zoals ik dat wil. Ik ben een rapper. Ik hou niet van neppers. Zoals mijn neef zijn vriend ooit zo mooi zei, voordat ik boven de sterren uitrees en echte rijms begon te schrijven, en de tijden daarvoor uitwiste als vaag gekriebel op een schoolbord. Om plaats te maken voor een levensgroot portret van De Gene - Ik, de meesterrapper. Ik schrijf verder en verder en ben tevredener en tevredener. Dan loop ik naar beneden voor een stuk zalm uit de oven. Ha. Het leven is goed. Vooral het mijne. Ik regeer! Ik zit aan de top, ik ben op de top geboren, ik begin aan de top en ik zit erop... een regel voor een nieuwe rap.
Waar voor besta ik, dan om gezichten met mijn gedichten te verlichten? Is er een andere reden? Zo niet, waarom zou ik me dan onderwerpen aan het barbaarse regime van mijn uitzendbureau-werkgevers? Waarom zou ik me in werkmanskleren hullen en samen met andere ongelukkigen het lot van een werkdag ondergaan? Ik pijnig mijn brein af maar ik kom er niet achter. Dit is mijn roeping, de literatuur, de muziek! De wereld moet me steunen. Anders had ze me niet moeten voortbrengen. Dat is gemeen, oneerzaam en oneerlijk. De wereld is een oen, als hij denkt dat ik me naar dit soort regimes ga voegen. Belachelijk. Fascistoide. Ik doe wat ik doe en niks anders. Daar heeft de wereld maar mee te leven.
Yes! Geniale zin.
"The World is coming to my party to night!"
x x
x x
xxx
x x
x x
x x
x x
Geef het op voor mr. X! Ik zweet. Ik strompel het podium op. Alcohol. Het duivelse vuur. Gedverdemme. Dat bittere nasmaakje. Ik moet nu rappen. Van een leien dakje. Ik roep beelden op voor hun ogen. Hen. De fans. Zij die het weten, als ze het horen. Maar nu nog niet. Ik bezie, overzie ze, zielen vol dorst naar - verheffing. Bam. Het gaat los. De eerste zinnen raas ik over hun kale koppen. Djeng djeng. trommelvliezen rammelen als cymbalen. Ha. Ik heb er zin an. Tweede couplet. Het gaat retehard. Scheurende beats. Dan is het op. Zo hard als het kwam. Applaus - de volgende. Terug in de coulissen. Veiligheid. Superioriteit, ontlading. Ik drink en rook, ik rink en drook - yeah. Treinvaart. Poezie. Gedichten van de eerste orde. Tijdsgeest. Nederwalm. Ik ben hier, het dak is er nog op. Hoe kan dat? Ik trek me terug op de heldenzee en slaap.
Ik ben hier.
Niemand ziet mij.
Mijn ster is ver, in het oosten. Ik drink hem in, ik praat met De Grote Rapper. Hij weet. Ik ben - hij is groot. Ik ben ook groot - groter misschien. Mijn held. Ik ga hem aftroeven. Het wordt een hevige strijd. Een hevig, helder bestaan aan de toppen van het vuurzicht. Ik ben de onderricht voor de zwakzieligen, maar de drank, nektar voor de helden van welleer, die oprijen in mijn brein. Ik ben hier, ik ben daar, ik ben overal. Ik ben de man. De alleskunner, de genoegdoener, , de Nedertaler, de weerstand om de hoek die op je wacht, met een fokking honkbalknuppels. Sukkels weten niets. Ik was in de buurt dus ik slachtte ja. Dat is het motto. Yeah.
Voor alles komt een einde. En dan een begin. Aan alles vast, zit het niets. Met gouden veters. Ronduit vergeten dagen, toen we van daken schreeuwden - ze zijn nu. Ik ben hier. Ik schreeuw mijn stem aan flarden. Woorden, opgevoerd uit de pulploze massa, de goudader van mijn bewustzijn. Ik emmer uit de sloot van dode koeien en rompel je over met stront, haas! Vlucht, hup, vooruit, de vernietiging tegemoet. Ik overspoel je. Ik ben de veel betere dan beste, de ultieme.
Jawel jeweet. Ik zit op mijn leren fauteuil in de brandende middagzon. Met een joint in mijn klauw en een plaat op de pickup. Het is Masta Killah! Wat een timing. Deze rapper heeft niets te bewijzen. Ik echter nog wel. Daarom ligt er een grote schrijfmap voor me. Al voor de helft gevuld met briljante geschriften. Nu de andere helft nog, met nog genialere creaties. Ik ga hard aan het werk. Rijg regel na regel rijm aan rijm, en bevind me in de Zone. Niet de lasergame, maar mijn eigen, private, persoonlijke zone waarin alles zich afspeelt zoals ik dat wil. Ik ben een rapper. Ik hou niet van neppers. Zoals mijn neef zijn vriend ooit zo mooi zei, voordat ik boven de sterren uitrees en echte rijms begon te schrijven, en de tijden daarvoor uitwiste als vaag gekriebel op een schoolbord. Om plaats te maken voor een levensgroot portret van De Gene - Ik, de meesterrapper. Ik schrijf verder en verder en ben tevredener en tevredener. Dan loop ik naar beneden voor een stuk zalm uit de oven. Ha. Het leven is goed. Vooral het mijne. Ik regeer! Ik zit aan de top, ik ben op de top geboren, ik begin aan de top en ik zit erop... een regel voor een nieuwe rap.
Waar voor besta ik, dan om gezichten met mijn gedichten te verlichten? Is er een andere reden? Zo niet, waarom zou ik me dan onderwerpen aan het barbaarse regime van mijn uitzendbureau-werkgevers? Waarom zou ik me in werkmanskleren hullen en samen met andere ongelukkigen het lot van een werkdag ondergaan? Ik pijnig mijn brein af maar ik kom er niet achter. Dit is mijn roeping, de literatuur, de muziek! De wereld moet me steunen. Anders had ze me niet moeten voortbrengen. Dat is gemeen, oneerzaam en oneerlijk. De wereld is een oen, als hij denkt dat ik me naar dit soort regimes ga voegen. Belachelijk. Fascistoide. Ik doe wat ik doe en niks anders. Daar heeft de wereld maar mee te leven.
Gasten bekommeren zich om God. Of hij bestáát! Of wat bestaat? Define! Wie is God? Wat is God? Muziek, eikel! En natuurlijk bestaat ie, alleen niet in jouw botte brein! Ha. Dat moet ik opschrijven. Ik schrijf rijm in schijven, de gelaagdheid getuigt van mijn ijver. Rap is m'n drijfveer. Ik ben heer en ik blijf heer, en ik blijf hier in de vijver van naijver. WAAR om? Dáár om! Staar maar in het rond gare hond en zie dat je vanavond klaarkomt - ik brand blaren op je kont als je steompzinnigheid me in mn gelaat stompt. Hm. Nee. In de prullebak. Te boers. Ik zoek iets oerders, iets minder verloederds, iets stoerders met schroeven en moeren en bouten. Ach ja, je moet er maar van houden.
"The World is coming to my party to night!"
Cody Chessnut. Meer van deze gast horen. Utrechtsestraat, morgen, vrije dag in de zonneschijn, of in de maneschijn die me vanbinnen verlicht als het regent. Wel degelijk.
Sterfelijk, wel degelijk wreed, het universum wreekt zich steeds op je wezen, ik ben belezen maar ik ben alles vergeten, want ik space hem op m'n bezem om m'n torens. Ik neem het leven op m'n horens en boor het door de Sint Joris als een draak met een grotere porem dan die daarvoor. Ik boor je gehoord door - midden terwijl ik hier zit te zitten in deze zithouding. Zou ik kunnen staan in, eh ik bedoel kunnen zitten in een staande houding? Ik probeer het. Ja. Het lukt. Ondertussen val ik. Terdege besef ik. De wereld heeft me niet lief. Ik stal hun genoegen, toen ik het ontspoorde. Heh heh. Ik ben snood. Maar ik ben een rapper, ik hou niet van neppers. Dus ik zie niets door de vingers. Deze dingen dringen binnen en shit je dan weer uit met de pit want ik rip dit maar je split niet. Zit niet. Past niet. Ratel en ratel en ratjetoe.
De avond nadert. Ik bel, krijg gehoor en split hem. Ik kom later terug in deze kamer.
"Get your own hammer"
Move out the ghetto. Maar en en hoe? Rappend plavei ik mijn baan door de kosmos. Maar is de kosmos ook de, laten we zeggen, fnianciele wereld? Wat betekent geld voor me? Ik heb het niet, maar ik krijg het, als ik negers in zwijm rijm. Zaterdag niet teveel blowen voor ik rap. Moeilijk, Kasto is er. Arg. Sommige negers kan je alleen stoned verdragen. Unlike mijn neef, die eigenlijk onuitstaanbaar wordt, met dat goedje. Toch is het altijd op een vreemde manier cool. Uit een oud verleden of zo. Ik ben nu hier. In de muziek. Ik rip hem en ik - maak een beat. Nee! Ah! Daarvoor heb ik hem nodig. Biets maken! Yeah! Ik bel nog een keer. Hij is er nu wel. Schoft, Ik kom naar beneden.
"Ill be with you darlin' soon
Ill be with you when the stars start falling"
De trap gaat neerwaarts, en we bellen aan... zijn moeder doet open. Mijn tante. Ze is altijd aardig. Ik ga naar binnen en wacht. Dan ga ik naar benede. Hoe deze dwaas tegemoet te treden? Ik zal hier een gebaar maken, dat hij daar maar moet registreren. Ik grondvest het lot. Ik kan hem niet het voordeel geven. Neen! Dat is niet randstedelijk. Van welhaast Drenths allooi. Ik moet het ongedaan maken. Maar dat kan niet. Dan maar een - daar is hij. De draak zelve. Onaangenaam onaangedaan. Ik staar daar tegenaan en breek uit mijn waan, het is hier vet.
We doen niets. Toch gebeurt er van alles. Dat is hoe het moet. Dat is hoe het beziet. Ik zit scheef, maar verlicht. Ik doe stoer.
Death comes to my doorstep voor ik het door heb. Ha, I like it. But - hm. It's not nice. I moet het omdraaien. Death is at your doorstep voor je het doorheb. Hm. Mwoah. Daar gaat ie weer - ik ben on a roll, Maar die dwaas onderbreekt me. Met een joint, nog wel. Voor stref rook ik hem half op voordat ik hem teruggeef. Hij heeft er geen erg in. Straks rook ik hem helemaal op. Maar dat doet hij al. Ik rol een nieuwe. Ik vergeet niets dan mijn wrok. En zelfs die niet. Zelfs dat niet. YZ Zaracus. Mijn militaire identiteit. Haha. Ik ben stoer. Maar ook - niet. Het zij zo. Ik ben blij zo.
"Just like a child..." wonderlijk. Hij is zo wijs, en zo dom. Waarlijk een dwaas. Ik zie dit, maar be ik de magier? In den beginne was het woord. Jezus en Johannes. Ik hou van die mensen. Hemels gezelschap. Nu moet ik het doen, moeten wij het doen, in deze kelder, met elkaar. Waarom zijn we zo verschillend? Ik zie zo scherp, hij ziet zo vaag dat het allesomvattend is. En als onze conclusies samenkomen, als we er samen een bereiken - dan zijn we God. Dat durf ik te stellen. Rap is de noodzaak, de oorzak - kijk toe als ik doorzak en je gehoor kraak. De oorsprong, de oerspraak. Ik boer en roep om snoep. Die dwaas haalt het, oog nog. Ik kan er niets aan doen. Ik zal proberen het niet allemaal op te eten. Niet ineen hap, althans. Waarom ben ik hier? Om beats te maken. Ik hoop dat het niet te laat is om dat aan de orde te stellen.
We maken een geniale beat. Hij is althans behoorlijk vet. Morgen rap ik er mijn nieuwe nummer op. Limonade staat al klaar, zegt Brechthold. Kut. Nu moet ik wel dankbaar zijn. Ach ja, ik doe het gracieus. Maar zoals Stalin al zei, dankbaarheid is een hondenkwaal. Geen zaak voor beschaafde lieden.. Ik moet daar maar eens een discussie over aanspannen tussen Bertje Oeverloosheidsmans en Het Grote Gevaar. Dat op de schoorsteenmanten staat te prijken. Brechthold heeft Marx, ik Lenin op de schoorsteen. We wonen in hetzelfde huis. Ik boven, hij beneden. Ik ben dus de implementatie van de wortels die hij legt. Wat zijn die wortels? De wegen, die we samen bewandeld hebben. Ik overstijg deze paden, hij is er voor eeuwig gestrand. Hij weet het nog niet - hij ziet vooruit- in de mogelijkheid van het heden. Hij weet niet, dat het heden niet de toekomst is. Ik zie het wel. Hahaa. Ik ben snood. Maar ik ben ook stoned. De koning onttroond... ik doezel in een diepe slaap en wordt zo laat wakker dat ik de tijd niet meer begrijp. Dit is vreemd. Ik snap het echt niet meer. Ik duizel de trap op omhoog naar mijn reaalm, maar ondertussen ben ik niet wie ik ben. Ik ben een beeld, een gouden omhulsel - van een houten stronk in de rimboe van tijd.
"Just like a child..." wonderlijk. Hij is zo wijs, en zo dom. Waarlijk een dwaas. Ik zie dit, maar be ik de magier? In den beginne was het woord. Jezus en Johannes. Ik hou van die mensen. Hemels gezelschap. Nu moet ik het doen, moeten wij het doen, in deze kelder, met elkaar. Waarom zijn we zo verschillend? Ik zie zo scherp, hij ziet zo vaag dat het allesomvattend is. En als onze conclusies samenkomen, als we er samen een bereiken - dan zijn we God. Dat durf ik te stellen. Rap is de noodzaak, de oorzak - kijk toe als ik doorzak en je gehoor kraak. De oorsprong, de oerspraak. Ik boer en roep om snoep. Die dwaas haalt het, oog nog. Ik kan er niets aan doen. Ik zal proberen het niet allemaal op te eten. Niet ineen hap, althans. Waarom ben ik hier? Om beats te maken. Ik hoop dat het niet te laat is om dat aan de orde te stellen.
We maken een geniale beat. Hij is althans behoorlijk vet. Morgen rap ik er mijn nieuwe nummer op. Limonade staat al klaar, zegt Brechthold. Kut. Nu moet ik wel dankbaar zijn. Ach ja, ik doe het gracieus. Maar zoals Stalin al zei, dankbaarheid is een hondenkwaal. Geen zaak voor beschaafde lieden.. Ik moet daar maar eens een discussie over aanspannen tussen Bertje Oeverloosheidsmans en Het Grote Gevaar. Dat op de schoorsteenmanten staat te prijken. Brechthold heeft Marx, ik Lenin op de schoorsteen. We wonen in hetzelfde huis. Ik boven, hij beneden. Ik ben dus de implementatie van de wortels die hij legt. Wat zijn die wortels? De wegen, die we samen bewandeld hebben. Ik overstijg deze paden, hij is er voor eeuwig gestrand. Hij weet het nog niet - hij ziet vooruit- in de mogelijkheid van het heden. Hij weet niet, dat het heden niet de toekomst is. Ik zie het wel. Hahaa. Ik ben snood. Maar ik ben ook stoned. De koning onttroond... ik doezel in een diepe slaap en wordt zo laat wakker dat ik de tijd niet meer begrijp. Dit is vreemd. Ik snap het echt niet meer. Ik duizel de trap op omhoog naar mijn reaalm, maar ondertussen ben ik niet wie ik ben. Ik ben een beeld, een gouden omhulsel - van een houten stronk in de rimboe van tijd.
Godverdomme we komen erbij in de buurt, dit godvergeten gezeik heeft eindeloos geduurt.... waar zij we nou weer aangeland, aan de rand an de landkaart... is dat niet Alaxander, die man daar? Ik staar uit over mijn papier. Ik bedoel over de gracht. Beide. De gracht van mijn papier. De modderige stroom, met fietsenwrakken en al, waar bootjes van de competitie overheen tuffen zonder te weten dat ze zich allemaal op mijn brakke stijl baseren. Ik moet losbreken! Ik moet naar de zee! Maar de zee ligt godverdomme BOVEN mij. Het is niet waar. Hoe krijg ik dit ooit ongedaan? Het moet heet worden. Heel heet. Schroeiend, blakerend, al mijn vocht moet verdampen en de rauwe massa van ellende en onzin achter zich laten, als ik een lans breek voor het koninkrijk des Heemelen. Yeah. Ik ben de Verrijzer, ik laat het Puin van mijn bewustzijn achter me, in de diepte! Vanuit de bedding... roep ik de zon om redding.
De reden voor mijn afwezigheid is mijn bezigheid en mijn belezenheid, niet mijn spacigheid, hoeveel ik ook rook. Ik rook veel deze dagen. 'deze dagen' straat hier voor een zich over een glorieuze zomer uitstrekkende periode van zalig geluk, slechts onderbroken door de afzwezigheid van rookwaren, die verholpen wordt in een trance van noodzaak, die nauwelijks bewustzijn genoemd kan worden, en die dus wezenlijk niet bestaat. Desondanks beleef ik die momenten, struinend langs de straten bij nacht, zittend in mijn stoel, uren lang starend naar het zwarte raam. Ik wil er niet aan denken. Dat zou onrecht doen aan de arbeid waarmee ik de zak wiet die ik hier voor me op het tafeltje heb liggen heb verdiend, op geenszins zure wijze. Dus ik rook, en denk en ben. En ik schrijf, want ik rap. Ik besta, bij alle standaarden die ik mezelf gesteld heb. Het is zomer en de lucht is blauw. Het raam is geenszins zwart, en ik staar niet, ik kijk.
Maar die nacht wordt het raam zwart. Ik staar, nu. Ik realiseer me, dat iets in mij vanmiddag ook al staarde. Is dit een illusie, een projectie? Als, dan is er geen werkelijkheid die niet in twijfel getrokken moet worden. Ik ga er maar vanuit dan, dat ik nu projecteer, en dat ik vanmiddag gewoon helder was. Het was licht, dus ik was helder. Zo simpel kan het toch niet zijn? Ik bel Brechthold. Hij neemt niet op. Ik pak de tarotkaarten uit de kast en doe een legging. De Hogepriesteres vertelt me dat de noodzaak me leidt tot de 'burden of choice'. Wat moet ik hier nu mee beginnen. Het universum kwelt me als een te strak zittende broek. Ik wil hem uittrekken, en bloot door de straten rondrennen. En schreeuwen, en als het moet, wat mensen die me in de weg staan uit de weg slaan. Vooral dat, eigenlijk. Ik pak mijn spullen en ga naar buiten. Op naar Dread Drock. 'Dread'... interessante dubbele betekenis. Ik ga op dit moment voor de haardracht. Hiphop leeft, hiphop beeft - ik kom eraan. Ik ben hier de betekenis, de significator, de beeldenbreker, de standaard-zetter. Ik, en niemand anders. Dat is hiphop, en dat ben ik.
Ik rap en ik schijn, ik ben dus ik blijf. Ik ben onsterfelijk, dat heb ik vannacht wel verzekerd. Ondanks mijn voorlopige onvermogen me in een freestyle battle te doen gelden kraak ik koppen waar het op de schrijvende rap aankomt, en dat is toch de ware kunst. Of niet? Is mijn freestyle-gebrek een teken van mijn incompleetheid als rapper? Het bezorgt me een onbehaaglijk gevoel. Ik pers het gevoel de deur van mijn hoofd uit. Het mag buiten slapen, zwerven, bedelen en vuilnis eten. Ik voel echter dat het ronddwaalt voor mijn poort, en ik kan het niet van me af zetten. Ik begin in mijn hoofd te improviseren.
Dreadrock, vet hok, rappend stel ik snel op
fel, rellend, kwellend bellend als een welp-sok...
welp-sok. Geweldig. Ik zink in een depressie. Maar ik ga verder met de sessie.
Depri-leprahebbend volop kwekkend rijm brein
zwijm-na-zwijm-na-zwijm pijnigend slijm...
pijnigend slijm. Bah. Dat is waarom ik nooit freestyle. Er komt te veel slijm naar boven.
Redelijkheid en onbaatzuchtigheid. Een of andere mongool probeert het me te verkopen. Staat het tegen me te spuien. Is haat een doodzonde? Als dat zo is, dan ben ik ten dode opgeschreven. Ik haat de mensen hier. Krioelend om elkaar heen - nog erger - om mij heen. Ik sta hier mijn wodka te drinken. Mijn joint te roken. Komen ze tegen mee aanschurken, willen ze iets van me. Van mij. Zij. Hun. Wat scheelt het? Een paar honderd generaties aan evolutie - ze kunnen me van alles gaan melden, maar ik sta hier alleen, op eenzame hoogte. Onverbiddelijk, ik kijk ze aan en probeer mijn walkging te verbergen. Ik ben een goed mens. Mijn hart bonst. Liefde. Dat is waar het op aan komt. Ik geef een van de ventjes een klopje op zijn schouder. Dat had hij niet verwacht. Hij staart me aan. Wil hij iets van me? Ik keer terug tot mijn wodka, en mijn joint. Later rap ik. Ik blaas alle bezwaren van tafel. Talent wordt herkend. Mensen zijn mijn vrienden. Dat vinden ze. Ik speel het spel mee. Ik wil stijgen. Ik wil torenen, ik wil zijn wie ik ben, in het gezicht van alle dwazen die dat niet zijn. Ze zullen voelen wat het betekent, een obstakel te zijn voor grootsheid. Ach natuurlijk zullen ze dat niet. Ze zullen denken, dat ik van ze hou, dat ik ze respecteer. Ik herinner me Jim Morrison, in de film van Oliver Stone. Hij schold ze uit, zijn publiek. "You're all a bunch of slaves!" Dat zou ik moeten roepen. Maar ik ben er nog niet. Bovendien, ik ben niet in Amerika. Ik ben in het drassige sompige Holland, waar de mensen je bijten met rabies, als je ze niet over hun bolletje aait. Het is hier eng, psychotisch. Ik rap erover, omfloerst, zodat niemand het merkt, hebalve ik. Ik heb schik. Ik glimlach wetend. Morgen moet ik om zes uur opstaan. Godverdomme. Ik schop een bierflesje kapot tegen de muur. Het publiek juicht. Het weet niets van leed, existentieel leed...
Ik kom achter de waarheid als inspecteur Verpetten, ongeacht of je me dat wil beletten. Ik kom met de vette teksten die je pletten... waarom rap ik altijd over pletten? Spiderman plette. Pletten in Spiderman is als klirr in Tom en Jerry. Cultuur is al raar, maar bij lange na niet zo raar als vertaalde cultuur. Dat is pas raar. Was het maar waar dat we babbelen in het Babeliaans. Niet als bavianen in het bos er op los in het Pakistaans en het Afghaans, Hoang - ho's of Italiaans, Germaans en Drenths. Alles went. Maar niets leidt to meer. Verdeel en heers, aldus het motto van de logos. Waar gáát dit over? Waar p®aat ik over? Zaad erover. Eh, zand erover. Bank over. Val. Knal! Ik ben niet halal Ik klim uit het dal met Allahs hand en wordt zijn vazal. Dan laat ik hem los en strooit hij bommen op me los. Ik zomp en zuig door de bagger. Ineengekrompen strompelt het lot me achterna, als ik schuil achter een boom voor een dom konijntje. Hebbelief. Ik schrik wakker als De Grote Rapper op mijn schouder tikt. Wil ik een biertje? En of. De avond begint te beginnen.
Ik raak in de zone. Grote dromen overkomen me, bewonen me. Voor even, dan beginnen ze te leven. In de plannen die we maken. Ik en De G R. We zullen de wereld gaan veroveren met Nederlandse rap. Hij lacht ironisch, ik meen het - een dynamisch duo. Daar moet hij om lachen.
-Jij bent echt gefreakt man.
-Denk je?
-Mwoah, joah, dat denk ik ja!
-Ha!
-Dat is geen compliment hoor. Ik heb menig gefreakte ziel van een dak af zien springen.
Hier weet ik niet op te reageren. Zelfmoord... wat een verschrikkelijke gedachte. Ik word kwaad op De Grote Rapper. Denkt hij dat ik daartoe in staat ben? Wat een rotgedachte. Ik probeer het weg te drinken en eroverheen te praten. Het lukt me niet. Ik zie het raam. Het zwarte raam. Ik zie de woeste takken van de Grote Boom, wuiven als vleugels. Ze nodigen me uit. Vrij te zijn. Vrij van dit tranendal. Ik vraag de Grote Rapper direct. "Zie je mij aan voor een zelfmoordpatient?" Hij lacht schaterend. Zelfmoordpatient! Mannen! "Zie wat we hier op de barkruk hebben! Een serie-zelfmoordenaar! Met negen levens, een zwarte kat!" "Kom op" zegt hij. De anderen zijn naar ons omgedraaid. "We geven een showtje weg. " Ik verlies het zicht op het zwarte raam. Ik zie het niet meer. Ik merk dat ik het probeer. Waarom? Doet er niet toe. Niet doen. Bam! De beat rakelt er in, haakt in, breekt in, en ik verhef mijn stem. "Hier is de akelig getalenteerde nooit verkeerde geleerde die jij meer begeerde dan je eerder beweerde! Je jeremejeerde maar daar kan ik wel tegen, komt het daarentegen gelegen dat ik je smoel overpoel met weer wat meer rijmregen? Scherp als een degen of een dolk kom ik als een regenwolk en spoel ik jattend volk weg als een draaikolk.
Ik zie ze kluisteren, aan mijn geluid. Ik ben eer rapper. Ik kan dit. Ik moet vechten om het te geven! Ik wordt erin gezogen, naar buiten toe, net zoals ik net naar binnen toe, het raam in werd gezogen. Zuigers, stelletje zuigers! Ik lach, proest door mijn zin heen. Ik raak de maar kwijt. De Grote zet in. Hij ramt er een paar bars uit die ongenaakbaar, onevenaarbaar zijn. Ik lach. Twee inevenaarbaren, naast elkaar, onafhankelijk en ultiem samen. Samen Ultiem. Goede naar voor een album. Ik rap en verzwelg, de macht is een zwandbak voor mijn kastelen, ik weet dat de zee ze ze zal verzwelgen. Ik rap door. Maar ik merk, mijn doodswanhoop klinkt door mijn keel. Vreemd geknepen Ze weten niet waarom, maar ze merken het. Ze ondergaan het. Wat vreselijk. De macht van een kunstenaar is des duivels. Ik sidder en lach. De nacht duur nog lang. Raps gieren door de nachtelijke kelen, in een heksenketel zonder backstage geprevel... backstage is alleen het zwarte raam. De Boom, met zijn wiegende weemoed.
"Eet je arm, sukkel!"
Waarom vind ik dit zo'n intrigerende zin? Ik zit 'De Moord op Mosman' te kijken. Een film van Brechthold en Djoesef. Mosman vergaat zo ongeveerd tot stront in een onbegrijpelijke fetish van bloedzucht en spaghettipezen in pindakaas. Het is akelig vreselijk. Ik lach maar ik sta er bij stil. Dit kan toch niet? Wat is dit voor wereld? Waarom kan ik dit zien, terwijl het niet gebeurt? Ik sta er alwéér bij stil. Door het raam zie ik de boom, maar daarachter een serie glazen, waarachter zich levens afspelen. Ik projecteer. Twee mannen, een vrouw... ze schaken. Mijn beeld van de mensen verandert in een wiskundig probleem. Ik zie de ruiten, vier zijn het er, door de taken. Vier vierkanten door een grillige waas van anderen door de blikzuivere lucht. Ik slaak een pikszwarte zucht. Het geluk slaat op de vlucht en komt nooit meer terug - tenzij dit alles ongedaan wordt gemaakt. Dit kan niet. Ik huiver. Ik heb iemand pijn gedaan.
Mr. X! Ik weet niet, wie ik ben! Ik ben dit lijden, dat weet ik zeker. Maar ben ik ook mijn naam, de gast die ik schijn te zijn? Ben ik wel diegene die rapt? Of is dat juist het properen ongedaan te maken vandit lijden, dit subject zijn? Als ik rap is er slechts de rap, en dan voel ik me heel anders - dan ben ik iets anders. Ik ben dit lichaam dat lijdt, maar ongeacht of je me op het podium ziet of een plaat (zucht, vyniel, ik wil een platenpers in mijn kasteel) van me opzet, degene die rapt is lijkt me degene die rapt, en niet degene die daarvoor en daarna zit te lijden. Ik geloof niet in ik. Ik geloof in leed.
De reden voor mijn afwezigheid is mijn bezigheid en mijn belezenheid, niet mijn spacigheid, hoeveel ik ook rook. Ik rook veel deze dagen. 'deze dagen' straat hier voor een zich over een glorieuze zomer uitstrekkende periode van zalig geluk, slechts onderbroken door de afzwezigheid van rookwaren, die verholpen wordt in een trance van noodzaak, die nauwelijks bewustzijn genoemd kan worden, en die dus wezenlijk niet bestaat. Desondanks beleef ik die momenten, struinend langs de straten bij nacht, zittend in mijn stoel, uren lang starend naar het zwarte raam. Ik wil er niet aan denken. Dat zou onrecht doen aan de arbeid waarmee ik de zak wiet die ik hier voor me op het tafeltje heb liggen heb verdiend, op geenszins zure wijze. Dus ik rook, en denk en ben. En ik schrijf, want ik rap. Ik besta, bij alle standaarden die ik mezelf gesteld heb. Het is zomer en de lucht is blauw. Het raam is geenszins zwart, en ik staar niet, ik kijk.
Maar die nacht wordt het raam zwart. Ik staar, nu. Ik realiseer me, dat iets in mij vanmiddag ook al staarde. Is dit een illusie, een projectie? Als, dan is er geen werkelijkheid die niet in twijfel getrokken moet worden. Ik ga er maar vanuit dan, dat ik nu projecteer, en dat ik vanmiddag gewoon helder was. Het was licht, dus ik was helder. Zo simpel kan het toch niet zijn? Ik bel Brechthold. Hij neemt niet op. Ik pak de tarotkaarten uit de kast en doe een legging. De Hogepriesteres vertelt me dat de noodzaak me leidt tot de 'burden of choice'. Wat moet ik hier nu mee beginnen. Het universum kwelt me als een te strak zittende broek. Ik wil hem uittrekken, en bloot door de straten rondrennen. En schreeuwen, en als het moet, wat mensen die me in de weg staan uit de weg slaan. Vooral dat, eigenlijk. Ik pak mijn spullen en ga naar buiten. Op naar Dread Drock. 'Dread'... interessante dubbele betekenis. Ik ga op dit moment voor de haardracht. Hiphop leeft, hiphop beeft - ik kom eraan. Ik ben hier de betekenis, de significator, de beeldenbreker, de standaard-zetter. Ik, en niemand anders. Dat is hiphop, en dat ben ik.
Ik rap en ik schijn, ik ben dus ik blijf. Ik ben onsterfelijk, dat heb ik vannacht wel verzekerd. Ondanks mijn voorlopige onvermogen me in een freestyle battle te doen gelden kraak ik koppen waar het op de schrijvende rap aankomt, en dat is toch de ware kunst. Of niet? Is mijn freestyle-gebrek een teken van mijn incompleetheid als rapper? Het bezorgt me een onbehaaglijk gevoel. Ik pers het gevoel de deur van mijn hoofd uit. Het mag buiten slapen, zwerven, bedelen en vuilnis eten. Ik voel echter dat het ronddwaalt voor mijn poort, en ik kan het niet van me af zetten. Ik begin in mijn hoofd te improviseren.
Dreadrock, vet hok, rappend stel ik snel op
fel, rellend, kwellend bellend als een welp-sok...
welp-sok. Geweldig. Ik zink in een depressie. Maar ik ga verder met de sessie.
Depri-leprahebbend volop kwekkend rijm brein
zwijm-na-zwijm-na-zwijm pijnigend slijm...
pijnigend slijm. Bah. Dat is waarom ik nooit freestyle. Er komt te veel slijm naar boven.
Redelijkheid en onbaatzuchtigheid. Een of andere mongool probeert het me te verkopen. Staat het tegen me te spuien. Is haat een doodzonde? Als dat zo is, dan ben ik ten dode opgeschreven. Ik haat de mensen hier. Krioelend om elkaar heen - nog erger - om mij heen. Ik sta hier mijn wodka te drinken. Mijn joint te roken. Komen ze tegen mee aanschurken, willen ze iets van me. Van mij. Zij. Hun. Wat scheelt het? Een paar honderd generaties aan evolutie - ze kunnen me van alles gaan melden, maar ik sta hier alleen, op eenzame hoogte. Onverbiddelijk, ik kijk ze aan en probeer mijn walkging te verbergen. Ik ben een goed mens. Mijn hart bonst. Liefde. Dat is waar het op aan komt. Ik geef een van de ventjes een klopje op zijn schouder. Dat had hij niet verwacht. Hij staart me aan. Wil hij iets van me? Ik keer terug tot mijn wodka, en mijn joint. Later rap ik. Ik blaas alle bezwaren van tafel. Talent wordt herkend. Mensen zijn mijn vrienden. Dat vinden ze. Ik speel het spel mee. Ik wil stijgen. Ik wil torenen, ik wil zijn wie ik ben, in het gezicht van alle dwazen die dat niet zijn. Ze zullen voelen wat het betekent, een obstakel te zijn voor grootsheid. Ach natuurlijk zullen ze dat niet. Ze zullen denken, dat ik van ze hou, dat ik ze respecteer. Ik herinner me Jim Morrison, in de film van Oliver Stone. Hij schold ze uit, zijn publiek. "You're all a bunch of slaves!" Dat zou ik moeten roepen. Maar ik ben er nog niet. Bovendien, ik ben niet in Amerika. Ik ben in het drassige sompige Holland, waar de mensen je bijten met rabies, als je ze niet over hun bolletje aait. Het is hier eng, psychotisch. Ik rap erover, omfloerst, zodat niemand het merkt, hebalve ik. Ik heb schik. Ik glimlach wetend. Morgen moet ik om zes uur opstaan. Godverdomme. Ik schop een bierflesje kapot tegen de muur. Het publiek juicht. Het weet niets van leed, existentieel leed...
Ik kom achter de waarheid als inspecteur Verpetten, ongeacht of je me dat wil beletten. Ik kom met de vette teksten die je pletten... waarom rap ik altijd over pletten? Spiderman plette. Pletten in Spiderman is als klirr in Tom en Jerry. Cultuur is al raar, maar bij lange na niet zo raar als vertaalde cultuur. Dat is pas raar. Was het maar waar dat we babbelen in het Babeliaans. Niet als bavianen in het bos er op los in het Pakistaans en het Afghaans, Hoang - ho's of Italiaans, Germaans en Drenths. Alles went. Maar niets leidt to meer. Verdeel en heers, aldus het motto van de logos. Waar gáát dit over? Waar p®aat ik over? Zaad erover. Eh, zand erover. Bank over. Val. Knal! Ik ben niet halal Ik klim uit het dal met Allahs hand en wordt zijn vazal. Dan laat ik hem los en strooit hij bommen op me los. Ik zomp en zuig door de bagger. Ineengekrompen strompelt het lot me achterna, als ik schuil achter een boom voor een dom konijntje. Hebbelief. Ik schrik wakker als De Grote Rapper op mijn schouder tikt. Wil ik een biertje? En of. De avond begint te beginnen.
Ik raak in de zone. Grote dromen overkomen me, bewonen me. Voor even, dan beginnen ze te leven. In de plannen die we maken. Ik en De G R. We zullen de wereld gaan veroveren met Nederlandse rap. Hij lacht ironisch, ik meen het - een dynamisch duo. Daar moet hij om lachen.
-Jij bent echt gefreakt man.
-Denk je?
-Mwoah, joah, dat denk ik ja!
-Ha!
-Dat is geen compliment hoor. Ik heb menig gefreakte ziel van een dak af zien springen.
Hier weet ik niet op te reageren. Zelfmoord... wat een verschrikkelijke gedachte. Ik word kwaad op De Grote Rapper. Denkt hij dat ik daartoe in staat ben? Wat een rotgedachte. Ik probeer het weg te drinken en eroverheen te praten. Het lukt me niet. Ik zie het raam. Het zwarte raam. Ik zie de woeste takken van de Grote Boom, wuiven als vleugels. Ze nodigen me uit. Vrij te zijn. Vrij van dit tranendal. Ik vraag de Grote Rapper direct. "Zie je mij aan voor een zelfmoordpatient?" Hij lacht schaterend. Zelfmoordpatient! Mannen! "Zie wat we hier op de barkruk hebben! Een serie-zelfmoordenaar! Met negen levens, een zwarte kat!" "Kom op" zegt hij. De anderen zijn naar ons omgedraaid. "We geven een showtje weg. " Ik verlies het zicht op het zwarte raam. Ik zie het niet meer. Ik merk dat ik het probeer. Waarom? Doet er niet toe. Niet doen. Bam! De beat rakelt er in, haakt in, breekt in, en ik verhef mijn stem. "Hier is de akelig getalenteerde nooit verkeerde geleerde die jij meer begeerde dan je eerder beweerde! Je jeremejeerde maar daar kan ik wel tegen, komt het daarentegen gelegen dat ik je smoel overpoel met weer wat meer rijmregen? Scherp als een degen of een dolk kom ik als een regenwolk en spoel ik jattend volk weg als een draaikolk.
Ik zie ze kluisteren, aan mijn geluid. Ik ben eer rapper. Ik kan dit. Ik moet vechten om het te geven! Ik wordt erin gezogen, naar buiten toe, net zoals ik net naar binnen toe, het raam in werd gezogen. Zuigers, stelletje zuigers! Ik lach, proest door mijn zin heen. Ik raak de maar kwijt. De Grote zet in. Hij ramt er een paar bars uit die ongenaakbaar, onevenaarbaar zijn. Ik lach. Twee inevenaarbaren, naast elkaar, onafhankelijk en ultiem samen. Samen Ultiem. Goede naar voor een album. Ik rap en verzwelg, de macht is een zwandbak voor mijn kastelen, ik weet dat de zee ze ze zal verzwelgen. Ik rap door. Maar ik merk, mijn doodswanhoop klinkt door mijn keel. Vreemd geknepen Ze weten niet waarom, maar ze merken het. Ze ondergaan het. Wat vreselijk. De macht van een kunstenaar is des duivels. Ik sidder en lach. De nacht duur nog lang. Raps gieren door de nachtelijke kelen, in een heksenketel zonder backstage geprevel... backstage is alleen het zwarte raam. De Boom, met zijn wiegende weemoed.
"Eet je arm, sukkel!"
Waarom vind ik dit zo'n intrigerende zin? Ik zit 'De Moord op Mosman' te kijken. Een film van Brechthold en Djoesef. Mosman vergaat zo ongeveerd tot stront in een onbegrijpelijke fetish van bloedzucht en spaghettipezen in pindakaas. Het is akelig vreselijk. Ik lach maar ik sta er bij stil. Dit kan toch niet? Wat is dit voor wereld? Waarom kan ik dit zien, terwijl het niet gebeurt? Ik sta er alwéér bij stil. Door het raam zie ik de boom, maar daarachter een serie glazen, waarachter zich levens afspelen. Ik projecteer. Twee mannen, een vrouw... ze schaken. Mijn beeld van de mensen verandert in een wiskundig probleem. Ik zie de ruiten, vier zijn het er, door de taken. Vier vierkanten door een grillige waas van anderen door de blikzuivere lucht. Ik slaak een pikszwarte zucht. Het geluk slaat op de vlucht en komt nooit meer terug - tenzij dit alles ongedaan wordt gemaakt. Dit kan niet. Ik huiver. Ik heb iemand pijn gedaan.
Mr. X! Ik weet niet, wie ik ben! Ik ben dit lijden, dat weet ik zeker. Maar ben ik ook mijn naam, de gast die ik schijn te zijn? Ben ik wel diegene die rapt? Of is dat juist het properen ongedaan te maken vandit lijden, dit subject zijn? Als ik rap is er slechts de rap, en dan voel ik me heel anders - dan ben ik iets anders. Ik ben dit lichaam dat lijdt, maar ongeacht of je me op het podium ziet of een plaat (zucht, vyniel, ik wil een platenpers in mijn kasteel) van me opzet, degene die rapt is lijkt me degene die rapt, en niet degene die daarvoor en daarna zit te lijden. Ik geloof niet in ik. Ik geloof in leed.
Ik vind op de boekenmarkt niks en koop bij de Athenaeum de verzamelde aforismen van Ascolo Parodites. De inleiding beweert dat hij een kluizenaar is, die al tien jaar zijn huis niet uit is geweest. Hij heeft een pessimistische levensbeschouwing (dat lijkt me inderdaad) maar bevestigt zijn leed met een ongekende eruditie ook eloquentie. Verkettered en verpletterd door de competitie en de concurrentie, ze beletten hem niet een dimensie te zien die er is - het woud tussen waarheid en leugen. Dit is waar zijn wil een pad trekt, door de wildernis - waar geen recht heerst behalve dat van de meest afschrikwekkende. In het geval van het Wilde Woud en Prins Viridian was dit natuurlijk het verschrikkelijke van de schoonheid - van zijn gelaat, en dan de akeligheid, van het vergif. Het gif op het scherp van het wapen van wee uit de krocht bij de kloof... Ik, koortsachtig, wees en sla, na een krachtsuitspatting op de glanzende plaat en delf derf, en dwaal ver van het erf aan deze kant van goed en kwaad... voorbij het prikkeldraad. Ick ben schnood. Ik bel de Grote Rapper. Hij neemt op en we spreken. Deze keer, spreken we over goed en geen kwaad, niet meer over gisteren maar over vandaag... ik denk na. Ik moet eerst eten, Daar op de brug. Dan over de wal naar de Rock. De dreads op het blok daar in het midden van dat stegenwoud. Ik eet twee frikadellen en twee tosti's. Dan op weg naar de tomatensap aan de bar, waarvoor ik uitgelachen zal worden. Dan: Bier! Is hier, voor plezier. Maar als ik aankom is de stemming moroos. De Grote Rapper zijn vriendin heeft een been gebroken. Iedereen heeft medelijden met haar. Het is ook erg zielig. Ze is door een auto geschept en De Grote Rapper heeft de bestuurder niet eens tot pulp kunnen slaan. In plaats daarvan slaat hij maar met zijn vuist op de muur, en vrij hard ook. Hij vloekt en tiert erbij, en iedereen knikt instemmend. Ik vraag me af wanneer we gaan rappen. Ik opper het, waarop de Grote Rapper fenomenaal boos op me word. Hij noemt me een ongevoelige hork. Ik vraag hem of zijn hand nog okee is. Volgens mij heeft hij hem gebroken zoals hij er bij hangt. Dat kalmeert hem, en hij vraagt de barkeeper om een emmer ijs. Met zijn hand in het ijs bepleit hij nu dat we inderdaad maar bier moeten gaan drinken en rappen. De dj, met wie ik overigens ook al eens zuzie heb gehad, Brax, neemt achter zijn platen plaats en gooit er een beat op. Het festijn gaat los. Ik rap mijn nieuwe tekst, die ik heb opgenomen op Brechtholds metaalgeluidenbeat. Hier doe ik hem op een gladde westcoast beat. Het vloeit zo goed dat ik iedereen aan het sprinen krijgt. Na afloop is er applaus en gejuig. De Grote Rapper legt zijn hand op mijn schouder en roept: De nieuwe belofte van hiphopminnend Nederland! Dan is hij aan de beurt, en rapt een van zijn tong-in-de-knoop-leggende teksten. Hij kan moeilijk bij mij achterblijven hier in zijn eigen stal - het blijft een genie.
Ik strompel naar huis. Ik heb zoveel gedronken en geblowd dat ik niet meer recht voor me uit kan kijken. Alles beweegt, totaal los van welke kant ik op probeer te gaan. Ik bots voortdurend met mijn hoofd tegen muren of val over autos heen. Ik probeer de straat te vermijden, maar dat kan niet altijd. Vaak moet ik oversteken. Op de Wibautstraat wordt het penibel. Ik merk aan getoeter en felle lichten dat een auto me net weet te ontwijken. Anders was ik dood geweest, wellicht. Ik ga verder, en kom heelhuids thuis. Wel val ik nog een stuk van de trap, waarbij ik mijn ouders en zusje wakker maak. Mijn vader brengt me bezorgd naar bed. Hij vraagt of alles wel goed met me is. 'kan niet beter' zeg ik, en mompel wat over de battle die ik gewonnen heb. Hij legt een koud washandje over mijn voorhoofd en ik zie tollende figuren door mijn gezichtsveld vallen. Ik leun opzij en braak plots mijn maag leeg, de vloer onder. Mijn vader is druk in de weer het op te ruimen. Ik val in slaap. Ik droom hectisch, met weel water en boten, en met vuur uit de hemel, en met microphoons waarvan smakelijk wordt gegeten aan een banket van knoestige mannen in een soort lederhosen. Als ik wakker wordt heb ik zo'n scheurende hoofdpijn dat ik die dag mijn bed niet meer uit kom, afgezien om stiekem een kleine joint te rollen en die uit het raam op te roken. Daarna zakt mijn hoofdpijn, maar mijn duizelingen blijven. Ik denk na over het leven. Wat heeft het me nog te bieden? Ik probeer inde toekomst te kijken. Ik zie mijn gebruikelijke fanasieen - ik ben een groot schrijver en musicus en ik woon in een kasteel op een klif. In mijn kelders, kerkers, heb ik een grammofoonplatenpers. Ik stel me er mee tevreden, al voelt het nog niet tastbaar. Hoe kom ik daar? Hoe kom ik van hier, naar daar? Waarmee verdien ik het geld? Met boeken? Ik ben vorige jaar aan mijn eerste roman begonnen, ik heb het eerste hoofdstuk af. Ik moet doorwerken. Ik denk aan de opzet van het verhaal, de twist tussen twee ridders - ik moet zepersoonlijkheden geven. Ze moeten niet alleen op macht uit zijn, maar emotionele redenen hebben voor hun machtslust. Misschien moet ik het er met Brechthold over hebben. Dat is zo'n emotioneel persoon, daar kijk ik soms van op. Ik besluit hem morgen te bellen.
Friday, April 16, 2010
kousebroek
Toen de bom viel, zat Kousebroek aan zijn keukentafel de krant te lezen, waarin berichtgegeven werd van het vredesaccoord. Het viel hem allemaal dus nogal rauw op zijn dak. In de chaos die volgde bleef hij echter kalm, en ging de trap af naar beneden, zodat hij niet met huis en al omlaag zou storten.
Uiteindelijk bleef zijn huisovereind staan, temidden van de enorme ravage, die het bombardement had achtergelaten. Kouseborke verwonderde zich hierover. Hij vroeg zich af of het toeval was, of iets anders.
Uiteindelijk bleef zijn huisovereind staan, temidden van de enorme ravage, die het bombardement had achtergelaten. Kouseborke verwonderde zich hierover. Hij vroeg zich af of het toeval was, of iets anders.
Sunday, April 4, 2010
Edit post 17
Het Bespottelijke Apostel
(De Lof der Zotheid aan Het Zielekruis)
In den beginnen was er de Heere.
Hij deedet zeer veele zaacken.
Zeven van deezen laagen beschlooten in het Eene.
Neegen van de dingen waaren twaalf,
Dertien daagen gingen voorbij.
Terstond stierf de Heere, aan veertien kruizen,
Eén halve maan.
______0 T +_________
Zaligheid weegt zich in het wijdse water
een monster raapt haar vruchten
De bevroren tijd levert een tik
een storm voltrekt en het monster
wordt een weggevaagdheid
Een Blauwe Mantel
Diep Onder De Kraag
Loopt het Enigma van het Woord!
Een Kamer - Een Doel - Twee Willen
Onderbuikgevoelens
bar verhulde barbaarsheid
tegen machtswil, noblesse
smaak en goede gestalte
Zo was het ene
zo was het andere
totdat het gene
dat al deed veranderen.
De diepte viel leeg
als een dood serpent
om me heen.
walging diep
maar ik draag trots
in mijn kielzog
Veredelde rasbarbaar
tegenzeggende onraad
kom hier met je mist
en omring ons -
Door de mist koomen de oogen
van den doodt.
Kasteelen, bevroren
verloren aan het doode serpent
Scherp Licht!
Woesj! Weg!
Maar
waar is het nu?
In de schaduw
daar voor eeuwig
jij godslaster,
dageraad ver van hier
bij de metalen kubus
Op de Bergrug van het Heden?
Incision in Nowhereland
Split the headache
redouble reality,
from profanity to sanity
by sheer force of gravity
within my reverie.
Feverish symmetrician
cutting egde realist
drumbass vernaculator
thrust and dirge
En de Heere werd wakker in zijn verdomde paleis. Het bliksemde ongenadig. Het Noodlot rammelt aan de dueurklink in de raggende rukwind Het geluid wordt overgenomen door een Ekster, bij de vuurtoren, en doorgecommuniceerd aan een onguur suject aan vrije brave kusten.
Aan den Leezer
die dit Leescht
Bijzwijk!
Loome mensch!
acht, geeft toch acht
kom nou,
raak de draad aan die haalbaar maakt wat aanstaat en aanslaat bij de massa, en kassa, was je handen in de was van milennia, de mensen zijn erger dan enge wensen van dieren in hier het is even wennen ja.
Na een bezoek van bezoek aan de kapper is je haar altijd wat knapper, knisperiger, fitter en sappiger.
Jasses wat een gehassewas. Ik gaf gas maar me band was plat.
Hats!
Nieuwe erop-
zoef, je hoort niets meer.
(De Lof der Zotheid aan Het Zielekruis)
In den beginnen was er de Heere.
Hij deedet zeer veele zaacken.
Zeven van deezen laagen beschlooten in het Eene.
Neegen van de dingen waaren twaalf,
Dertien daagen gingen voorbij.
Terstond stierf de Heere, aan veertien kruizen,
Eén halve maan.
______0 T +_________
Zaligheid weegt zich in het wijdse water
een monster raapt haar vruchten
De bevroren tijd levert een tik
een storm voltrekt en het monster
wordt een weggevaagdheid
Een Blauwe Mantel
Diep Onder De Kraag
Loopt het Enigma van het Woord!
Een Kamer - Een Doel - Twee Willen
Onderbuikgevoelens
bar verhulde barbaarsheid
tegen machtswil, noblesse
smaak en goede gestalte
Zo was het ene
zo was het andere
totdat het gene
dat al deed veranderen.
De diepte viel leeg
als een dood serpent
om me heen.
walging diep
maar ik draag trots
in mijn kielzog
Veredelde rasbarbaar
tegenzeggende onraad
kom hier met je mist
en omring ons -
Door de mist koomen de oogen
van den doodt.
Kasteelen, bevroren
verloren aan het doode serpent
Scherp Licht!
Woesj! Weg!
Maar
waar is het nu?
In de schaduw
daar voor eeuwig
jij godslaster,
dageraad ver van hier
bij de metalen kubus
Op de Bergrug van het Heden?
Incision in Nowhereland
Split the headache
redouble reality,
from profanity to sanity
by sheer force of gravity
within my reverie.
Feverish symmetrician
cutting egde realist
drumbass vernaculator
thrust and dirge
En de Heere werd wakker in zijn verdomde paleis. Het bliksemde ongenadig. Het Noodlot rammelt aan de dueurklink in de raggende rukwind Het geluid wordt overgenomen door een Ekster, bij de vuurtoren, en doorgecommuniceerd aan een onguur suject aan vrije brave kusten.
Aan den Leezer
die dit Leescht
Bijzwijk!
Loome mensch!
acht, geeft toch acht
kom nou,
raak de draad aan die haalbaar maakt wat aanstaat en aanslaat bij de massa, en kassa, was je handen in de was van milennia, de mensen zijn erger dan enge wensen van dieren in hier het is even wennen ja.
Na een bezoek van bezoek aan de kapper is je haar altijd wat knapper, knisperiger, fitter en sappiger.
Jasses wat een gehassewas. Ik gaf gas maar me band was plat.
Hats!
Nieuwe erop-
zoef, je hoort niets meer.
Monday, March 22, 2010
voor dat de dag weg is
Toen ze wakker werd was de dag al, godverdomme, helemaal op gang gekomen. Te laat. Gemist. Verpest. Kut. Dag weg. Eigenlijk wil ze weer naar bed. Het heeft toch geen zin meer. Maar iets weerhoud haar - misschien dat ze echt niet meer moe is - en ze loopt de houten wenteltrap af, naar de huiskamer, en bakt een ei. Gadverdamme. Bruine randen. Ze kiepert het mislukte maal in de vuilnsbak, die nodig geleegd moet worden. Opgetogen trekt ze de zak eruit en stommelt, in haar pijama, naar buiten. De zon priemt in haar ogen. Het harde "klang!" waarmee de afvalcontainer de zak opslokt breng haar bij de les. Ze is wakker. De wereld is goed, okee met haar. Ze heeft een rol, want vanavond is het feest. Yes! Ze ruikt aan haar handen - gedverdemme. Snel wassen. En douchen, maar meteen. Wat een traktatie. Als ze zich afboendert en haar handdoel om haar hoofd knoopt wordt ze weer moe. Ze gaat zitten op een van de barkrukken - vet hip, goed uitgezocht, en bladert wat door de Ikea gids. Pastelkleuren, Bah. Ze schuift de glossy brochure van het houten blad, de bar van haar inloopkeuken, af, zodat hij kreukelend op de vloer valt. De DVD speler gaat aan, seizoen 4 van The Sopranos.
Het is een paar uur later. Het namiddaglicht onstemt haar, dwingt haar naar buiten, voor de dag weg is. Ze doet een jurkje aan, en meteen weer uit, maar niet voor dat ze even heeft gedanst. Vanavond. Nu nog even niet, nu nog even voor mezelf. In mezelf, tot mezel, bij mezelf... koffie met een tijdschrift.
2.
De Alleenheerser staat voor de spiegel en bewondert zichelf. Gefascineerd door de pure schoonheid van zijn fonkelende groene irissen, in zijn al zo vroeg gegroefde gezicht, pakt hij de tandpasta van het marmer en grijnst zijn tanden bloot. Een rilling van genot trekt door hem heen. Fanatiek en achteloos borstelt hij zijn gebit en spuugt in de wasbak. Zonder zijn mond te spoelen kijkt hij weer op, in de reflectie, en ziet zichzelf loeren. Hij grijnst, hij is klaar voor de avond. Altijd klaar. Maar de wereld. Die laat het meestal afweten. Geeft niet. Als hij zijn plicht maar doet, en danst.
3.
De avond valt en de nacht komt naderbij. Ze voelt hem hangen zwoel en roze. Hmmm... Lekker is het juiste woord. Nu hopen dat er iemand zal zijn die haar avond compleet maakt. Het houdt maar niet op met de koffie - ze moet zolangzamerhand gaan overschakelen op wijn. Maar nog even, nog eentje. Even lekker achterover zitten. Met lectuur, met glossy bladzijden, waartegen haar gelakte nagels een mooi zacht contrast vormen. Esthetiek, van het lichaam en van het leven. De kustvorm van het zijn. Daar is ze in bedreven, daar wil ze nog bedrevener in worden. Ze staat op en betaalt. In een opwelling. Lekker is dat, als je dat gebeurt. Als je niet hoeft te beslissen, maar het gewoon doet, als het je, bij wijze van, overkomt. Niet letterlijk natuurlijk, ze houdt de touwtjes stevig in handen. Dit is een mannenwereld op papier, maar iedereen weet dat het anders is. Iedereen hier, in deze mooie stad. Ergens anders op de wereld, op zo'n achterlijke plaats in de woestijn of in het oerwoud, waar vrouwen zich bedekken of mannen in rokjes lopen, daar natuurlijk niet - maar die plekken doen er niet toe. Het leven is hier, in Amsterdam, het centrum van de moderne wereld. Iedereen wil hier zijn, en zij kent de stad van buiten.
Ooit is ze hier komen wonen als studente - al zo lang geleden, minstens vier jaar, ze kan zich de tijd daarvoor nauwelijks herinneren! Al dat getut, met de boerderij, dat was niet haar - ze had zichzelf nog niet ontdekt. Een grote ontdekkingsreis was haar studie, van de meest fijne plekjes, in de stad - en, ze glimlacht bij de gedachte, ook van meer persoonlijke plekjes... ze rekent af en geeft een kleine fooi, tien cent, aan het meisje achter de mahoniehouten, gladgepolijste bar. De gozer die haar net bediende is niet meer te bekennen - jammer, hij vond haar volgens haar wel aantrekelijk. Ze blijft nog even dralen, maar hij is er echt niet meer. Ze heeft hem niet zien gaan - echt niet dat ze daar op let. Het tijdschrift was zo interessant! Zo luchtig geschreven! Net zo luchtig fluttert ze de brasserie uit en klikt haar hakken gelukzalig de avond in. Alle posters aan de muur gaan aan haar voorbij, ze laat zich niet afleiden! Het geluk is te dichtbij, te belangrijk. Zal ze een taxi nemen? Wel sjiek. Of pakt ze de fiets? Dat heeft ook wel weer stijl. En toch ook weer niet. Wat een paradox! Het leven is zo diep, als je er over nadenkt. Ze studeert, mensenstudies, maar denk maar niet dat je daar echt iets leert. Al die boeken, geschreven door oude mannen, het leven zelf leert haar zoveel meer. Natuurlijk haalt ze haar tentamens, ze is razend slim. Ze had een acht voor wiskunde en een tien voor economie. Er is niets dat haar tegenhoudt, behalve zijzelf. Haar bescheiden verwachtingen, haar opgelegd door haar achtergrond. Eigenlijk heeft ze een culturele achterstand, maar die is ze aan het overwinnen, elke dag, op eigen kracht! De gedachte aan haar ouders doet haar even haar geluk vergeten, de nevel van de stad, de roze oranje kleuren, de etalages en de lonkende avond - ze is terug bij het veld voor het huis, de geur van gemaaid gras, haar broer die tegen haar schreeuwt vanaf het dak, en haar moeder door het keukenraam. Het was daar niet slecht! Ze moet even huilen. Ook daar geniet ze een beetje van. Het leven is zo rijk. Al die verschillen. Maar toch doet het pijn. Stom! Ze schopt een beetje tegen de stoeptegels en belooft zichzelf dat ze snel haar ouders weer gaat opzoeken. En dan neemt ze een cadeautje mee, een heel mooi caudeautje, hier uit de stad. Iets wat ze blij op de tafel zetten, en waarbij ze aan haar denken en weten dat ze het goed heeft, hun dochter. Dat ze zich geen zorgen hoeven maken, en dat alles okee is. Plotseling ziet ze een jongen en slaat haar ogen neer. Snel kijkt ze naar zichzelf, en dan in de verte. Onverschillig loopt ze door, maar hij kijkt niet naar haar. Godverdomme, het was het verdriet, het verdriet van thuis. Dat is niet sexy.
4.
Behoedzaam, uiterst behoedzaam glijdt hij van de trap af en slipt naar buiten. Kijkt om zich heen. Niemand te zien. Glanzend blauw van zijn gewaad, kleurt bij de nacht die straks vallen gaat. Op de toekomst ingespeeld, uitdagend en verwelkomend, het lot. De ogen stellen scherp, als een slang, vleugels van zijn geest slaan uit als een draak - een machtig creatuur, dat nu naar de Albert Heijn moet om iets te eten te halen. Het geglazuurde blauw wit van de winkel omringt hem met de koele zoem van de verlichting, het ziekenhuisachtige van de vaderlandse voedselindustrie, die hem zo bevalt, en toch zo beklemt. Overpeinzingen. Mooie vrouwen winkelend voor wijn. Op zijn hoede, noten en vlees, brandstof. Kassa, hoofddoekjes, raadsels achter donkere ogen. De bloemen bij de uitgang, hij ruikt er even aan. De zwerver bij de deur, de wachter bij de ziel - huren ze die man in, om hun opulentie te adverteren? Het contrast tussen wel en niet hebben? De Albert Heijn, het summum van het kapitalistische succes, en niet eens cynisch - ware het niet voor die zwerver, de kleur van zijn baard, en zijn structurele positie daar, bevestigend en betekenend, honger lijdend en bedelend, Jezus wat een bestaan. Hij geeft hem een euro en heeft daar spijt van. Wat een klootzak. Rot op bij die deur. Hij wil hem vermoorden, hem uit zijn lijden verlossen. En zijn euro terugpakken. Maar al dat gebeurt niet, want hij is verder gelopen, zijn gewaad wapperend in het lentebriesje, waar hij plotseling weer van geniet, als de zwerver verdwijnt uit zijn gedachten. De dag is nog jong, al loopt hij ten einde, en hij blijft jong, daar zal de draak wel voor zorgen. Sappig en nieuw, alles is vers, kleine druppels dauw, blij gegil uit een zijstraat, en achterop een fiets komt een schoonheid voorbij. De dans is volmaakt, elk moment grijpt hij aan, hij wandelt naar huis en komt aan, elke stap. Totdat de deur voor hem opdoemt, en hij zich insluit in kaders, kamers, muren, gangen en deuren, die, doordat hij ze kent, zo goed als zichzelf, geen substantie meer hebben. Er is alleen oppervlak, elke diepte is donker. Er is alleen licht, flinterdun, patronen op de vleugels van een vlinder die ontglipt, en elke greep erop is een gebaar, in een taal die we niet spreken. Verdomme wat smaken die noten goed. Jezus wat is dat vlees sappig. De lente is eeuwig, niets anders bestaat.
Het is een paar uur later. Het namiddaglicht onstemt haar, dwingt haar naar buiten, voor de dag weg is. Ze doet een jurkje aan, en meteen weer uit, maar niet voor dat ze even heeft gedanst. Vanavond. Nu nog even niet, nu nog even voor mezelf. In mezelf, tot mezel, bij mezelf... koffie met een tijdschrift.
2.
De Alleenheerser staat voor de spiegel en bewondert zichelf. Gefascineerd door de pure schoonheid van zijn fonkelende groene irissen, in zijn al zo vroeg gegroefde gezicht, pakt hij de tandpasta van het marmer en grijnst zijn tanden bloot. Een rilling van genot trekt door hem heen. Fanatiek en achteloos borstelt hij zijn gebit en spuugt in de wasbak. Zonder zijn mond te spoelen kijkt hij weer op, in de reflectie, en ziet zichzelf loeren. Hij grijnst, hij is klaar voor de avond. Altijd klaar. Maar de wereld. Die laat het meestal afweten. Geeft niet. Als hij zijn plicht maar doet, en danst.
3.
De avond valt en de nacht komt naderbij. Ze voelt hem hangen zwoel en roze. Hmmm... Lekker is het juiste woord. Nu hopen dat er iemand zal zijn die haar avond compleet maakt. Het houdt maar niet op met de koffie - ze moet zolangzamerhand gaan overschakelen op wijn. Maar nog even, nog eentje. Even lekker achterover zitten. Met lectuur, met glossy bladzijden, waartegen haar gelakte nagels een mooi zacht contrast vormen. Esthetiek, van het lichaam en van het leven. De kustvorm van het zijn. Daar is ze in bedreven, daar wil ze nog bedrevener in worden. Ze staat op en betaalt. In een opwelling. Lekker is dat, als je dat gebeurt. Als je niet hoeft te beslissen, maar het gewoon doet, als het je, bij wijze van, overkomt. Niet letterlijk natuurlijk, ze houdt de touwtjes stevig in handen. Dit is een mannenwereld op papier, maar iedereen weet dat het anders is. Iedereen hier, in deze mooie stad. Ergens anders op de wereld, op zo'n achterlijke plaats in de woestijn of in het oerwoud, waar vrouwen zich bedekken of mannen in rokjes lopen, daar natuurlijk niet - maar die plekken doen er niet toe. Het leven is hier, in Amsterdam, het centrum van de moderne wereld. Iedereen wil hier zijn, en zij kent de stad van buiten.
Ooit is ze hier komen wonen als studente - al zo lang geleden, minstens vier jaar, ze kan zich de tijd daarvoor nauwelijks herinneren! Al dat getut, met de boerderij, dat was niet haar - ze had zichzelf nog niet ontdekt. Een grote ontdekkingsreis was haar studie, van de meest fijne plekjes, in de stad - en, ze glimlacht bij de gedachte, ook van meer persoonlijke plekjes... ze rekent af en geeft een kleine fooi, tien cent, aan het meisje achter de mahoniehouten, gladgepolijste bar. De gozer die haar net bediende is niet meer te bekennen - jammer, hij vond haar volgens haar wel aantrekelijk. Ze blijft nog even dralen, maar hij is er echt niet meer. Ze heeft hem niet zien gaan - echt niet dat ze daar op let. Het tijdschrift was zo interessant! Zo luchtig geschreven! Net zo luchtig fluttert ze de brasserie uit en klikt haar hakken gelukzalig de avond in. Alle posters aan de muur gaan aan haar voorbij, ze laat zich niet afleiden! Het geluk is te dichtbij, te belangrijk. Zal ze een taxi nemen? Wel sjiek. Of pakt ze de fiets? Dat heeft ook wel weer stijl. En toch ook weer niet. Wat een paradox! Het leven is zo diep, als je er over nadenkt. Ze studeert, mensenstudies, maar denk maar niet dat je daar echt iets leert. Al die boeken, geschreven door oude mannen, het leven zelf leert haar zoveel meer. Natuurlijk haalt ze haar tentamens, ze is razend slim. Ze had een acht voor wiskunde en een tien voor economie. Er is niets dat haar tegenhoudt, behalve zijzelf. Haar bescheiden verwachtingen, haar opgelegd door haar achtergrond. Eigenlijk heeft ze een culturele achterstand, maar die is ze aan het overwinnen, elke dag, op eigen kracht! De gedachte aan haar ouders doet haar even haar geluk vergeten, de nevel van de stad, de roze oranje kleuren, de etalages en de lonkende avond - ze is terug bij het veld voor het huis, de geur van gemaaid gras, haar broer die tegen haar schreeuwt vanaf het dak, en haar moeder door het keukenraam. Het was daar niet slecht! Ze moet even huilen. Ook daar geniet ze een beetje van. Het leven is zo rijk. Al die verschillen. Maar toch doet het pijn. Stom! Ze schopt een beetje tegen de stoeptegels en belooft zichzelf dat ze snel haar ouders weer gaat opzoeken. En dan neemt ze een cadeautje mee, een heel mooi caudeautje, hier uit de stad. Iets wat ze blij op de tafel zetten, en waarbij ze aan haar denken en weten dat ze het goed heeft, hun dochter. Dat ze zich geen zorgen hoeven maken, en dat alles okee is. Plotseling ziet ze een jongen en slaat haar ogen neer. Snel kijkt ze naar zichzelf, en dan in de verte. Onverschillig loopt ze door, maar hij kijkt niet naar haar. Godverdomme, het was het verdriet, het verdriet van thuis. Dat is niet sexy.
4.
Behoedzaam, uiterst behoedzaam glijdt hij van de trap af en slipt naar buiten. Kijkt om zich heen. Niemand te zien. Glanzend blauw van zijn gewaad, kleurt bij de nacht die straks vallen gaat. Op de toekomst ingespeeld, uitdagend en verwelkomend, het lot. De ogen stellen scherp, als een slang, vleugels van zijn geest slaan uit als een draak - een machtig creatuur, dat nu naar de Albert Heijn moet om iets te eten te halen. Het geglazuurde blauw wit van de winkel omringt hem met de koele zoem van de verlichting, het ziekenhuisachtige van de vaderlandse voedselindustrie, die hem zo bevalt, en toch zo beklemt. Overpeinzingen. Mooie vrouwen winkelend voor wijn. Op zijn hoede, noten en vlees, brandstof. Kassa, hoofddoekjes, raadsels achter donkere ogen. De bloemen bij de uitgang, hij ruikt er even aan. De zwerver bij de deur, de wachter bij de ziel - huren ze die man in, om hun opulentie te adverteren? Het contrast tussen wel en niet hebben? De Albert Heijn, het summum van het kapitalistische succes, en niet eens cynisch - ware het niet voor die zwerver, de kleur van zijn baard, en zijn structurele positie daar, bevestigend en betekenend, honger lijdend en bedelend, Jezus wat een bestaan. Hij geeft hem een euro en heeft daar spijt van. Wat een klootzak. Rot op bij die deur. Hij wil hem vermoorden, hem uit zijn lijden verlossen. En zijn euro terugpakken. Maar al dat gebeurt niet, want hij is verder gelopen, zijn gewaad wapperend in het lentebriesje, waar hij plotseling weer van geniet, als de zwerver verdwijnt uit zijn gedachten. De dag is nog jong, al loopt hij ten einde, en hij blijft jong, daar zal de draak wel voor zorgen. Sappig en nieuw, alles is vers, kleine druppels dauw, blij gegil uit een zijstraat, en achterop een fiets komt een schoonheid voorbij. De dans is volmaakt, elk moment grijpt hij aan, hij wandelt naar huis en komt aan, elke stap. Totdat de deur voor hem opdoemt, en hij zich insluit in kaders, kamers, muren, gangen en deuren, die, doordat hij ze kent, zo goed als zichzelf, geen substantie meer hebben. Er is alleen oppervlak, elke diepte is donker. Er is alleen licht, flinterdun, patronen op de vleugels van een vlinder die ontglipt, en elke greep erop is een gebaar, in een taal die we niet spreken. Verdomme wat smaken die noten goed. Jezus wat is dat vlees sappig. De lente is eeuwig, niets anders bestaat.
Saturday, March 20, 2010
komt tot uzelf
De wereld klapt achterover as een sigaar,
rendement tot zelfs terug tot ik, hier
dientengevolge, zuiver, zoveel, acht
evenentwintig, nee maar! Messieu!
Kom tot de bomen, onachtzaam, ik
lopen, dreigen, keren, malen en wenen
kom tot mij, kom tot u, kom tot
ja waar, nee dus, je weet het
ik richt me op en stel terzake de regelingen
droegmater, trotsvader, remmeden
komt tot u maar nee maar ja je weet
het is hier, en niet verder
komt tot uzelf
rendement tot zelfs terug tot ik, hier
dientengevolge, zuiver, zoveel, acht
evenentwintig, nee maar! Messieu!
Kom tot de bomen, onachtzaam, ik
lopen, dreigen, keren, malen en wenen
kom tot mij, kom tot u, kom tot
ja waar, nee dus, je weet het
ik richt me op en stel terzake de regelingen
droegmater, trotsvader, remmeden
komt tot u maar nee maar ja je weet
het is hier, en niet verder
komt tot uzelf
Sunday, March 7, 2010
terugkomst
De kladderadatsj breekt aan over de huizen van het burgergerecht
De zevende hemel sluipt terug ergens over de bergen
Een foto van de Held van de Tijd vat vlam
Een eend in een bosmeer, alleen, op glinsterend water
Verdomme! Proclameert de terugkomst, struikelend
De tergende zekerheid komt op zichzelf terug
keer op keer opnieuw
en stelt zichzelf tergende vragen
knagend aan de graten die over zijn van zijn ziel
O zekerheid, ga slapen
ben je niet te moe
veel te moe om nog te bestaan
maar de zekerheid is doof
zijn gehoor is gesleten
hij bestaat omdat hij het niet in zich heeft
te sterven
Ja het bestaan, als je uit het raam kijkt
Dwaze arend
Ik hou van je zo dom als je bent
zo als je gezicht glinstert en glanst
in mijn nachtelijke nachtmerries
en mijn dagelijkse gedachten
Ik ben niet bij je, dat weet ik
maar jij bent altijd bij mij,
blauwe capedrager,
die uit het raam is gesprongen
en nooit meer vliegen zal
o de misten en de vage nevels
sprankelend met goud
flonkerend, glinsterend, al dat
al dat wat nu voorbij is
voor jou, en waarvan ik
nog droom elk moment
Op aarde groeit nu een boom
je weet wel, daar
die vervloekte, aangetaste plek
ik heb er rebellen neergezet
bevroren in hun tegenstand
te verdragen is het zeker
net als het leven
het passeer me, raakt me aan
stoort me in mijn slaap
en prikkelt me onaangenaam
In de verwrongen taveernes
in het holst van de stad
daar leef je voort als vermoeden
van een kronkelende waakzaamheid
die versaagt
zichzelf in de gaten te houden
De demonen aan je beide zijden
lachende hyenas
ze schuimbekken nog in deze bossen
waar al het wild is verjaagd.
De hemel barst open
bliksemstralen donderen neer
en dan sluit de hemel zich weer
en sta ik in de regen
zonder ooit nog iets te voelen
behalve druppels langs mijn gezicht.
De zevende hemel sluipt terug ergens over de bergen
Een foto van de Held van de Tijd vat vlam
Een eend in een bosmeer, alleen, op glinsterend water
Verdomme! Proclameert de terugkomst, struikelend
De tergende zekerheid komt op zichzelf terug
keer op keer opnieuw
en stelt zichzelf tergende vragen
knagend aan de graten die over zijn van zijn ziel
O zekerheid, ga slapen
ben je niet te moe
veel te moe om nog te bestaan
maar de zekerheid is doof
zijn gehoor is gesleten
hij bestaat omdat hij het niet in zich heeft
te sterven
Ja het bestaan, als je uit het raam kijkt
Dwaze arend
Ik hou van je zo dom als je bent
zo als je gezicht glinstert en glanst
in mijn nachtelijke nachtmerries
en mijn dagelijkse gedachten
Ik ben niet bij je, dat weet ik
maar jij bent altijd bij mij,
blauwe capedrager,
die uit het raam is gesprongen
en nooit meer vliegen zal
o de misten en de vage nevels
sprankelend met goud
flonkerend, glinsterend, al dat
al dat wat nu voorbij is
voor jou, en waarvan ik
nog droom elk moment
Op aarde groeit nu een boom
je weet wel, daar
die vervloekte, aangetaste plek
ik heb er rebellen neergezet
bevroren in hun tegenstand
te verdragen is het zeker
net als het leven
het passeer me, raakt me aan
stoort me in mijn slaap
en prikkelt me onaangenaam
In de verwrongen taveernes
in het holst van de stad
daar leef je voort als vermoeden
van een kronkelende waakzaamheid
die versaagt
zichzelf in de gaten te houden
De demonen aan je beide zijden
lachende hyenas
ze schuimbekken nog in deze bossen
waar al het wild is verjaagd.
De hemel barst open
bliksemstralen donderen neer
en dan sluit de hemel zich weer
en sta ik in de regen
zonder ooit nog iets te voelen
behalve druppels langs mijn gezicht.
Saturday, February 27, 2010
idee
Het regent natte takken
dagen, dromen , waarden
in mijn KOP
oh ze tollen rond
en tikken op het dak
waaronder ik schuil met mijn idee
Mijn idee is beveiligd
want teer van aard en schoon
mag niet vies worden!
Nee mijn idee is ik
ik ben wat ik denk
dat ik ben
Ik zal het je uitleggen
het idee is dit
ik ben onaanraakbaar
dagen, dromen , waarden
in mijn KOP
oh ze tollen rond
en tikken op het dak
waaronder ik schuil met mijn idee
Mijn idee is beveiligd
want teer van aard en schoon
mag niet vies worden!
Nee mijn idee is ik
ik ben wat ik denk
dat ik ben
Ik zal het je uitleggen
het idee is dit
ik ben onaanraakbaar
Sunday, February 21, 2010
Leuk joh
Speenvarken, draal! Wentel! Tol!
Hupperdekee!
Jans met die berg.
Nee, het gaat niet. Mozes, ben je al opgestaan?
Mozes komt niet. Connie Palmen is er.
Wijn.
Die ene, niet die andere.
God, NATUURLIJK. Wie anders.
Het leven is een gesprek
Tussen die en dan
die en dan zus en die zegt zo
die zus dus
Ja ja en dan
hupperdekee.
En weer. Hoe laat is het trouwens?
Weer eens weg. Leuk joh.
Hupperdekee!
Jans met die berg.
Nee, het gaat niet. Mozes, ben je al opgestaan?
Mozes komt niet. Connie Palmen is er.
Wijn.
Die ene, niet die andere.
God, NATUURLIJK. Wie anders.
Het leven is een gesprek
Tussen die en dan
die en dan zus en die zegt zo
die zus dus
Ja ja en dan
hupperdekee.
En weer. Hoe laat is het trouwens?
Weer eens weg. Leuk joh.
Tuesday, February 9, 2010
gedeelde smart
Eens toen de bellen er klonken
over de lege pleinen
toen ik er stond
middenin het midden
Jaren later toen de autos
en de werken en bestek
rinkelden en rammelden en mij
opnamen in hun tumult
Maar nu nu ik niet daar
ben en ook niet hier
nu wat nu waar klinkt er
nog een ademteug?
Oh ja het is dichtbij
een dagje rijden maar
en er staan wegwijzers naar toe
ja dat weet ik
Ergens in me zingt
een verre karavaan
trekt banen in haar spoor
diep maar onzichtbaar
Toen was er plots hetgeen
ja jezus, hoe en wat
en Jezus moeder, verdomme
ik kijk uit het raam
de straten zijn nat
de kleuren zijn binnen
in het beton getrokken
het is tijd om te gaan
Die avond nog herroept
de paus zijn gebed
en in de kamers
stroomt bloed naar binnen,
over de lege pleinen
toen ik er stond
middenin het midden
Jaren later toen de autos
en de werken en bestek
rinkelden en rammelden en mij
opnamen in hun tumult
Maar nu nu ik niet daar
ben en ook niet hier
nu wat nu waar klinkt er
nog een ademteug?
Oh ja het is dichtbij
een dagje rijden maar
en er staan wegwijzers naar toe
ja dat weet ik
Ergens in me zingt
een verre karavaan
trekt banen in haar spoor
diep maar onzichtbaar
Toen was er plots hetgeen
ja jezus, hoe en wat
en Jezus moeder, verdomme
ik kijk uit het raam
de straten zijn nat
de kleuren zijn binnen
in het beton getrokken
het is tijd om te gaan
Die avond nog herroept
de paus zijn gebed
en in de kamers
stroomt bloed naar binnen,
Saturday, January 9, 2010
niet in de ochtend
Ja wat heb ik gedroomd? Over een vis met graten, dat weet ik nog, daarvan werd ik wakker, daar wilde ik blijkbaar niet verder over dromen. Maar waar ging het verder over? ik voel me uitgerust, dus het moet een prettig geheel zijn geweest. Daar ga ik althans vanuit. Zo redeneert mijn logica. Logisch of niet. Een mens heeft zijn premisses, en daar gaat hij vanuit, en zolang niemand die premisses omverwerpt blijft hij dat doen, en ik beweer zelfs, ik zeg je, zelfs als iemand ze wel omverwerpt, zelfs dan nog gat hij er vanuit. Althans, de volgende dag weer. Zo leert het de politiek, alsmede het dagelijks leven. Alleen de mensen die echt op de prijzen letten, de koopjesjagers, zij die elke dag in het ochtendblad de aanbiedingen afspeuren, van hen kun je op aan, dat ze de waarheid najagen. Een van hen ben ik dus niet, ik zet ook geen wekker op vrije dagen, ik wordt wakker ergens richting het midden van de dag en zet dan de kachel aan, nu het winter is en er sneeuw ligt en de gracht voor de deur is dichtgevroren en ik elk moment hoop een bende schaatsende kinderen vooorbij te zien stuiven althans, en dan zet ik koffie of thee waaraan ik dan ga lurken onder het genot van een tekst om te bekritiseren - want dat doe ik graag. Soms heb ik al meteen honger ook, dan vormt zich een probleem, want ik heb het niet zo op bedenken wat ik wil eten. Dat is zo'n gedoe, ik ben niet van de keuze. Vooral niet als er geen keuzes voor de hand liggen, als ik creatief moet zijn, buiten mijn perken treden. Zeker niet als het om zoiets basaals als eten gaat, dat kan ik gewoon niet rijmen met creativiteit. Tenminste, niet in de ochtend.
Tuesday, January 5, 2010
de dood van Plato
Een man
een kar
een hanenkraai
een dag
een strand
een vuurballon
Rood zand en hete voeten
de raderen kraken onder de golfslag
Rotstekeningen, tegen in het wand
gestane schaduw
Plato! Inboorling!
de rots van je trots zit los en roetsj!
Maar zuiver zijn je zonden, en eeuwig je vergane glorie.
Waarom vraagt het draagvlak
Als het aas in de kaas-trap
naar aandacht?
Wat draagt het draagvlak
als het vraagt van zijn taak
het te benaderen?
Bloed vloeit door de aderen
daden roeien met riemen van vaderen
kinderen komen, ademen, waden
door de winter en smelten met hun hitte
de sneeuw op de eenzame kerstmis.
Ik zie sneeuw achter een gordijn dat dikker is dan mijn huid.
stormen komen, toorsten doven
ik blijf boven.
een kar
een hanenkraai
een dag
een strand
een vuurballon
Rood zand en hete voeten
de raderen kraken onder de golfslag
Rotstekeningen, tegen in het wand
gestane schaduw
Plato! Inboorling!
de rots van je trots zit los en roetsj!
Maar zuiver zijn je zonden, en eeuwig je vergane glorie.
Waarom vraagt het draagvlak
Als het aas in de kaas-trap
naar aandacht?
Wat draagt het draagvlak
als het vraagt van zijn taak
het te benaderen?
Bloed vloeit door de aderen
daden roeien met riemen van vaderen
kinderen komen, ademen, waden
door de winter en smelten met hun hitte
de sneeuw op de eenzame kerstmis.
Ik zie sneeuw achter een gordijn dat dikker is dan mijn huid.
stormen komen, toorsten doven
ik blijf boven.
Subscribe to:
Posts (Atom)
Blog Archive
-
▼
2010
(46)
-
►
May
(10)
- STOMMELINGEN!POTSIERLIJKE HANSWORSTEN!RADIKALE PEE...
- 2 3
- Kanarie Met Gesloten Vizier
- Mais je reve tout a coup, au soudain par hasard, c...
- En toen Harrie aangekomen was bij de stekelige bru...
- And in the temple, where -one sits or stands, no m...
- the crooked and narrow road
- De dwarsbedoeling van mijn bedoeling was niet de b...
- Zo jongens! Zei de leraar gemaakt - opgewekt, zijn...
- lutter
-
►
May
(10)
