Het schip stoomt op, recht af op de brakke kusten van de roem-deemoed, de schuld plaveiende breek-macht der storm-woed-kering. Het zeil bolt, de zon priemt door het hoofd van "de Kappie" de rots-touw knagende wereldtrotseerder, aan het want gekluisterd met zijn slaven onder zijn voeten en zijn blik op oneindig. De redeloze tartarenhorde stevent af, onder gedonder van weergaloze nachtmerriehoeven, op het niets, waar de gedachte zich heeft genesteld, als een pijl in een rots waarop hij weigerde af te ketsen, en zo het niets heeft doen barsten, inwendig, en in dat inwendige sporen van een iets heeft bewerkstelligd. "De draak", die het niet kon, maar dat niet wist en het heeft gedaan, vliegt boven het schip. In het kraaienest staat een vrouw met vuurrode haren die de wind rukt en grijpt, zodat ze als de vlam van een toorts boven op het schop de hemel waarschuwen niet naar beneden te vallen, als hij niet wil verbranden.
Het schip meert aan, de wind gaat liggen, de kusten zijn bereikt. Wat rest is de beifstuk, aan tafel gesneden met het juiste mes, van de juiste plaats zonder kartels en inscripties.
Op weg naar de heilige plaats was hij, steeds, dwalend, schalend, balend, want steeds droeg alles dat schoon was en mooi en puur en dat zijn hart stal, een andere naam dan de Heilige. Zo kwam het hem voor, dat voorts op zijn weg landen nog mooier moesten worden, al kon hij zich dat nauwelijks voorstellen. En zo verging het hem al die tijd. En hij genoot maar hij wist het niet. En de bloemen waren paars en geel, de rotsen grijs, en de rest was blauw en groen - Hemel en Aarde.
Het vuur brandt hier op Aarde in onberispelijke cirkels - de torens reiken omhoog, trots en bescheiden. Ze weten dat ze nooit de sterren kunnen pakken, ook zij zijn hier gebonden aan het vuur, het mors, het mos, ook zij vergaan tot stof - wat een voorrecht is, iets dat de sterren nooit zullen bereiken.
De schoonheid verbleekt bij het geluid, de mug zoemt, de steen kraakt onhoorbaar - erbinnenin gebeuren dingen, die zich niet laten vertellen, die verborgen zijn en blijven en altijd zijn geweest. De zon brandt op onze huid, op de vleugels van de vogels en geeft hun stemmen, draagt hen mee op zijn licht, zijn lucht, zijn blauwe kleur, hier boven de aarde. Ons stulpje in de galactische puinhopen die rondtollen als een gigantische vuilnisbelt om het zwarte gat waar alles uitenndelijk in wordt opgeslokt. - Maar geen zaak om ons druk om te maken. We bestaan, en dat is ons lief. We nemen ene omweg naar de dood - de allerwijsten nemen de meest kronkelende paadjes, want niet alleen eerlijk duurt het langst, vooral ook verbazing, verwondering en totale ontreddering. Controle is een goede zaak, maar waarover? Controle over een rechte lijn, dat is een stompzin, dat kan elke kleun. Controle over afwijking, deviatie, vreemdheid en stoornis, daarin ligt meesterschap en levenskunst.

No comments:
Post a Comment