Thursday, January 29, 2009

druiven in de wind

De wijnranken in de vallei wiegen op het briesje dat afdaalt van de koude heuvels.
De druiven denken: wat is daarboven? Waarom is het er zo koud? Gelukkig zijn wij hier.
Bovenop de heuvel staat een hut, erin woont een man die van wijn houdt. Het houdt hem warm. Het houdt van hem.
De man en de druiven kennen elkaar niet. Maar ze zijn voor elkaar gemaakt, en alles komt goed.

Tuesday, January 27, 2009

basta

Een roos zo rood
dat hij bloedt
een wapen zo echt
dat het pijn voelt
een kamer zo ruim
dat hij het middel
van de wereld
in mijn drinkgelach siert

Tot achterin de bus
loop ik met de intentie
dat ik aankom

ik haal de tweede ster
van het firmament

tot slot
is er zand.



Thursday, January 22, 2009

toen, daar

Hanengekraai. Hetzelfde vuur brandt. De tegenstrijd zit erop, de ochtendlucht kleurt. Als de vogels hun nesten verlaten schemert de zon brandend langs de randen van de blaadjes.
Ik weet niet wie deze tijd beheerst - ik weet niets.
Ik begrijp alleen dat er een doel nodig is om vooruit te komen.
Het land is sappig onder de voeten van mijn verbeelding. Druiven, wijnranken -
de heuvels glooien en de zon schijnt door het witte zijde
het bed is opgemaakt en ik neem een bad in de marmeren ruimte.

Als er ooit een begin was van dit verhaal, dan was het toen.
Een vriendschap brak af, een duisternis brak aan
maar dat wist ik toen niet
ik ontdekte alleen maar de kunst
en ik droomde alleen van de liefde.

Monday, January 19, 2009

dwaze routine

Hoe is het hier terechtgekomen? Vroeg de eekhoorn aan de noot.
Nemand weet het, sprak de peulvrucht.
Tot nu toe, want het is bekendgemaakt op het scorebord.
Ja?
Nou, kijk maar.
-Autmomatisme- lees ik.
Compleet met gebruiksaanwijzing.

Het handboek sloeg dicht. De noot kraakte en slaakte een gaap en braakte zijn zaad. Waak! Riep de staat. Slaap! riep het kwaad.

Hendessohn kwam tot de conclusie dat hij niet meer gewaar was van wat hem dwars zat. Hij koos het hazepad altijd boven het dwazenrad. Maar was dat niet nog de meest dwaze van die toch al vrij dwaze man?

Sunday, January 18, 2009

bergpad

Het hemelrijk stort in vanuit de azuurblauwe pallisades die in boogvorm over de jachtvelden zijn gespannen. 'Tot hier en niet verder' proclameert de Zeus in zijn ochtendgewaad, met een tomatensap zonder toegevoegde smaakjes. 'Ik hou het puur' mompelt hij. De bliksem flitst welig beneden en tiert, doorboort de schedels van zondaren en verraders, terwijl Hera haar breiwerk bestudeert, dat ze zo vele eeuwen geleden naast zich neer heeft gelegd, om zich met bestuurszaken bezig te houden. Het bevalt haar niet, dat Zeus Prometheus uit zijn lijden wil verlossen. Ze zit niet te wachten op een perdiode van genade. Girls just wanna have fun. En al is ze de jongste niet meer, nog altijd is het schreeuwen van een jonge god iets dat haar opwindt. Ze loert naar Zeus, die peinzend over de rand van de berg naar beneden tuurt. Zal ze hem eraf duwen? Voor het gebaar? Maar nee, dan belandt hij weer middenin een kudde hindes en moet ze zich daarover weer gaan verbijten. Het zit erop, dit oorlogje is gestreden. Wat valt er nog te fabriceren? Het breikwerk begint een vreemde aantrekkingskracht op haar uit te oefenen. Ze ziet goud in de wol, ze denkt plotseling aan kinderen. Hoofdschuddend zet ze zich aan het werk.
Een onwerkelijke rust vleit zich over de Olympus. Zeus merkt er niets van, in zijn hoofd is het altijd zo geweest.

Friday, January 16, 2009

Radeloze kanarie in de aanbieding

Het stort dat het giet. De weeraanzin is overgedreven en de tijdelijkheid breekt aan. De stormrammen beschieten het vaderland. De kou is nabij. De geschiedschrijving leert de apenheul omverlopen tot een hoopje moes met pasta. De geurkrenten op het dodemansland poepen hun schorrie tot mors en morrelen aan het slot van de tijdgeest. Podver! kraait de haan met goed recht en in nog beter gezelschap. Godverdomme! Kakelt de kip. Vrouwbeest. Altijd weer, altijd tot het uiterste. Nooit meer bedoezelen, kraai maar raak. Beddek op je kop en struisvogelen maar.
Het land is overspelig. Ten aanzien van de raddraaiers op het Leidseplein kommandeert ze de veiligheidstroepen totin de koffieshops en maakt het de bestaansherders onzuur. Maar de klerezooi tegen de tijd in riemt met de roeien en rakelt wat op, kalefatert wat aan en klooit tot in de duurzaamheid. Schennis! Pleeg schennis! roept mijn hart. Doe maar wat! Kukeluur in het onderste! De kan is bijna leeg, bezat je met de restjes! Zo denkt ze over de toestand. Zo is de retteketet uit de trompet als een vlaggetje met Pang! Halleluja. Het is zoeven geworden. Tot hier en niet even. He getsie!
Waarom is de Aarde opgeheven? Waarom staat de berichtgeving in het nieuws? Waarom is de president van de verenigde naties in een vergelend kartonnen voorbehoedsmiddel gestoken? Ter dege vergezelt zijn aderlating de granaatappel der kleinzieligheid tot in het gebedshuis der kronkelende remschijven. Niet meer aandoen, geen aandoeningen meer op mijn plafond. Tot in de gerstepudding zinkt het lied van twee kaarsjes. Aan! Uit! Aan! Uit! Zo gaat dat lied. Hopsakee. De oever is in zicht. Liederlijk klamereert de pestbedoeling omver tegenaan het evenbeeld van de bestendgheid. Niet meer klompendansen. Niet meer hopsakee, de sloot in. Van Juut is goed weg. Hierzakee. Goeree, Overflakkee, en alle kleisediment in een een blikje zalmpuree. Basta.

Tuesday, January 13, 2009

Aan de buitenkant

Loretta van de bovenwinkel riep naar beneden vanaf de voorgevel. 'Ze is stuk!' over het beeldje. Dat haar laars had vertrapt. Rood gelakt, met leren riempjes en koperen gesp - het beeldje ging eraan te gronde. Mooi was dat - scherven op het plafond, de schemerlamp die zich omdraaide, zijn hals, zijn draad in bochten wrong om van het beeld te kunnen genieten. Om het te overgieten met zijn schrale oranje licht.
Het beeldje ondertussen zwolg in de tragedie die gelukt was tot stand te brengen. 'Ik ben het onderwerp van alle aandacht, het is gepast, ik voel me klassiek, en dat zien ze aan me.' En dat was zo. De scherven blonken met een geraffineerde karteling totin de bloedbaan van het overtsture eigenaresje. Tot ziens! Scandeerde het beeldje. 'Tot je me weer vindt, in een ander leven, in een andere tempel!'
Het meisje deed niets, ze zette de eieren op het vuur en wilde dat het water maar kookte. Zonder dat, zonder alles, zonder te bestaan of te begrijpen, zo kon je nooit een diner prepareren. Wel salami in de aanbieding, spaanse worst ook, voor niet al te duur - al zou daar een Pyreneeenreisje voor in het water komen te vallen. Niet jammer. Alles lukt. Om te lachen is het hele leven geschikt. Zo zuur, als alles tot stand komt zonder dat je daar enige inbreng in kan aantonen.

Hoofd

Hola. Komt daar de stoomboot?
Kriegelt het weer in de fee? Zolang als het hele spaktakel voortduurt beleeft de man in mijn ziel zijn geluksmomenten zonder pijnstillers. Roodborstjes, rekels in de distels, grootspraak zonder vlaggemast, plegen van missen om daden, rioolroeiers, ravekartels in de gebeeldhouwde jungle.
De tijd neemt. Glazen kasten. Wereldomspannend verlies van melktandjes. Kroonjuwelen kieperen uit de kast en kletteren op het parket. De bedoeling verhult zich in zijn glinsterende openbaring.

Uitkweken

Tot de tijd dat alles mag ben ik in kannen en kruiken, verslik ik mij in mijn braaksel, doe ik mee met de massa, klompendans ik in de maat van de kierewiet, klameer van de daken dat het allemaal wel best is zo en ruk de schoorsteen van het lijf van de oceaanstomer, die ik ben in het hart van mijn hart. Tot ziens, tot in de eeuwigheid, tot in de bijenkorf van de mangelmachine, tot in de geruststellende dwangbevelen van Moeder Theresa en haar drieeenheid van tijd, geld en cosmetica. De toer die ervoor nodig was hier weer op te klimmen was hals- en baanbrekend, kommer en kwel op de troetelbeurs, de kanarieleverancier stuit op een kip in zijn blazoen, de kwakende riten van de stelselhaftigheid komen op me af als verkeer en onweer. Tegenstrijdige raakvlakken parachuteren neer op de maasvlakte. Nijverheid, gestaltwenskeringen en krijgshaftige belastingverzompers komen ter zuur in de aarde die ze afschilveren met hun schaven. Kromgetrokken tenen in het driemastentijdperk. Ruk aan de bel. Schaf het blazoen af. Race tegen de klok, ratel de dieren aan hun voelsprieten, kook de woede. Nooit meer eenheidsworst. Krampachtige verveling. Blaasbalgrafinaderijen. Rookmachines gegarandeerd.

Sunday, January 11, 2009

Daarginds!

Heil Halleluja. Alles over niets. Voor voor achter. Steeds versus misschien en soms en wanneer het schikt. Alles is zoals de wereld, niets kan zich verstoppen. Komt maar binnen! Knechten eerst! Dames tweedst! Kinderen helemaal niet!
-Waarom niet?
-Omdat die toch wel komen.
Het zit hem in het gemak. De fijnste speldeprik.
De appel valt ver van de boom en rolt het ravijn in.
Cirkustenten op het vlies dat de valse waakzaamheid over de afgrond heeft gespannen.
Een wijze les, een sta in de weg, een drama-queen op haar zondagst.
Wie weet zijn er eieren te koop in het woud. Wie weet zijn er van ons twee, wie weet spelen we. Strelen we. Delen, en dan gaat het vervelen deze elende.
Knevels en kavels, Grenzen op kaarten op tafels. Waarde-aandelen en waanbeelden. Blijf de schaamstreken aankweken. Schrijf de kraan leeg. Op V: Spaan & Vermeegen.

kal en raas

Het roze druipt van de muren van verdoemenis en maakt plaats voor het zwart dat daar altijd heeft gezeten. Ik kijk me aan. Het is grijs en grauw voor mijn ogen, maar erachter schijnt blauw totin de hemel. Ik scheur het rookgordijn aan flarden en kijk twee sabeltanden aan. Waar is te tijger?
Waarom rammelt het hiernamaals altijd aan het geraamte van het schietgebed? Hoezo is de deur open, de poort wagenwijd? Tegemoetkomend aan het donderend geraas van de koningsrit wankelt het oorwurmen tot aan de einder. Wie is waar? De storm zal het zeggen.
Koningen dromen van zalven. Drenkelingen wenen voor allen. Komt u maar, komt u maar tot mij. De scherpschutter aast op de rakeling. Toenadering bezuurt het vat, de grombaard komt tot zijn trekken in een aasgierend waarnemingsbeleg waarbij zelfs hij botviert.

Saturday, January 10, 2009

Wit licht. Een bron. Een takel uit het vacuum. Zonder kurk spoelt de gootsteen niet uit.
Rattattatat! lammeren de geweren. Op de heuvel staat een schietschijf. Hij is een man van bovengeiddelde lengte en onderdanige leeftijd. Hoezeer lijdt hij niet. Hoezeer is zijn aanstelling niet in twijfel getrokken. Hoeveel heeft hij niet op. Hoeveel flessen jenever liggen niet naast, achter en voor hem in gruzelementen, kapotgeschoten nadat hij ze op zijn hoofd heeft gezet. Totaal leeg. Zat is hij, swaggerend als een rafelige Jagger in zijn toestandkoming terwijl de denderende napalmellende over hem heen stort als een bijenraas in het azuurgebied. Gefluit. Hekelende bomfluisteringen. 'Toujours je t'aime' raaskalt hij in zijn innerlijke hart tot zijn vriendin. Haast je. Je bent niet meer goed, je bent een eendekuiken, je hebt je ontluiken in de geweerbarst gekrommeniet en bent nu peetvader van je schoonoom. Helakee, de ontvoering van de kraainestbedelving krajukast op de dansvloer. Goed zo. Het is schoon op je laken. De kraamverdeling ellenlangt over de tegemoetkomende schuifdierenplaag. Herenig je met je blazoen! Is niets dan heilig?

Meer onzichtbare krakerscode

Ho. Waar gaat dit heen?
Wat nou ho. Altijd ho.
Het is de armoedige schaapsdochter die zich wurmt tussen de zekeringsdraadjes die het niets bijeenhouden. Ze valt aan, ze overwint, en legt zich weer te ruste. Zo was het toen ze kwam, zo was het tot ze ging. Tot dan.
Aan de allesgemeenschappelijke trouw dringt zich een monster op. Het akelige draaideurpartizanengezang in zijn weemoedige ziel treurt om de lichamelijkheid van het bloot. De ernst is gekakel. De roede is de scheepstoeter. Nooit meer wassen. Nooit meer betalen voor een ziel. De Duivel koekeloert om de hoek van de badkamer en ziet slechts slippers. Waar zijn de blote voeten? Waarom geen voetstappen op het natte ijs? Waarom geen kinderen die schaatsen ombinden? Waarom is alles hier, en niets overal?
Het is een vage wereld voor hen, die thuisblijven. Nootjes komen en gaan, de treurwilgen spelen op mijn harmonica en de driehoeksverhouding tussen de twee inzittenden draagt een rood masker van afgekloven trots. Borstwisselingen, totaalstrijden, doe-maar-waar-je-zin-in-hebt-kleinkinderen van de Vader van Alle Kwaad - nooit meer zal het spelen in het mos of het gras, nooit meer in bomen klimmen, altijd een paardebloem.
Zowaar ik Klaas heet is het negerstijgerinnendroomkanaal openbaard voor het klauwdragersbal, de strijd zegeviert over de dorpsgek. Nooit meer een noot zonder schil. Altijd het brein van de show. De tijd is de tempel.

Wednesday, January 7, 2009

De klammerang van de vroege ochtend

De onherbergzaamheid van het grote geheel steekt schel af tegen het comfort van mijn slaapkamer. Toch moet ik opstaan. Woest wervelen flarden van aggressieve dromen om mijn suffe geest die liever een ander droomthema had gezien. Gelukkig zijn er altijd de uren die verstrijken, die ochtend die middag wordt, de werkdag die zich afsluit, en vrienden om te bezoeken. Maar die ochtend, glibberend over de stoep naar de tram die altijd net voor mijn neus weg dreigt te rijden, wachtend bij de kiosk met vrolijke berichten over Gaza is er geen reden om die sufheid te doorbreken. Liever even de rit uitzitten.
De gnoerbarstzwartnektroepiaal verderft in zijn brakende kansloosheid tegenover het heetwitte schermspel der droogklootgrasduinkinderen en de onderbroek van het schorem is niet meer zo wit als hij geweest is. De oppermacht van de derderangs ploertendoder vervalt in schilvers van de afbladderende muur van zijn oprechtheid. De klammerang van de kerkklok in zijn brein harnast een schooierige penosemarionet zonder dat die enige inbreng toont bij de uiteenzetting van de ontzelvingsdrang tegen wil en dank. Het is. Daarentegen kwam de adertoevoer in tegenstrijd met de lating en dronk ik thee met suiker. De kopjes op de schoorsteen, ze denken aan alles wat er gedronken werd en de lustobjecten van de toestand komen terstond tot bevruchting terwijl de salaam-zeggende noblesse zich uitstrekt over het grote geheel, waar ik geen boodschap meer aan wens te hebben. Liefde kleurt roze, maar de oceaan is wit en grijs en het zand stuift terwijl het bevriest. Glibber en lach, de ademtocht der zielnacht kwijnt in een donkere hoek niet ver van hier. Zoden aan de dijk terwijl daar de vinger in steekt, een held is ver te zoeken maar dient zich aan in den treure. Zowaar, de vliegen om mijn hoofd geven het op en storten ter aarde. Ik zou ze barbequen als ze enig vlees om het lijf hadden.

Tuesday, January 6, 2009

Tot in den Doetinchem

Ik kwam bij het plein der Hemelse Vrede.
Ik dacht dat het in China lag, maar het was in mijn hart dat ik er voet zette. "Misschien is mijn hart dan China?" Vroeg mijn hoofd zich tergend af. Mijn hoofd. Dat is een ander verhaal. De andere kant van het uiteinde is niets dan de zevende keer dat het misging. Tien keer is scheepsrecht. Als je in Somalie woont.
In den trede was het genotsbedrijf afegkluweld door een knetterstonede vlinder in zijn kokon. De kluppert van de honkbalheldhaft greep zich als de beroemde baron bij zijn vlinderdas en wervelde om zich heen als een lasso met geweld. Stieren. Hemden. Kanalen vol braakwalg, afgesloten voor heromziening. Niet meer. Appeltjes voor de dorst. Geheimzin. Neveldrang. Kookwoede. Hondenkrakeel. Moeders in de rijsttaferij voor de afvalberg van de hemelomleiding tot de spoorwegoverbrug. Toestanden. Hele toestanden, ik zeg het je niet. Zomaar. Mijn hoofd, het is een verhaal apart.
De kromwending echter, die eraan voorafging, dat was me het jewelste wel. Van. Alles wat. Het is. Dat is al medegedeeld door de stadionspeaker toen hij het toiletgerei bezigde. Terwijl. Zomaar. Die woorden, die steken in de keel van de artiest als hij op zijn trompet blaast. Miles Davis. Hij kronkelt een dimensie met gouden fluiden om het zwart dat plots paars en vulva-esque aandoet. Kwam hij maar klaar. Die zwartjoekel van het niets. Dan had je wat. Dan beleefde je de scherpzin van een pasgeschoren schaar. Henk is in Doetinchem. Vraag hem niet waarom. Vraag hem nooit waarom. Tot in den Doetinchem. Het staat op zijn hoofd geschreven.
Blaas maar af die kwezel. Onderhands in de metro krijg ik een vorklepel in mijn zak geschoven. Het is niet kip of ei, maar ei of hoen. In den treure. Wilgen, walmend, leunend en hangend. Op het ijs is het glad. Een kip en zijn kakel. Scharen van horden komen eraan als de zon bloot vuurt over de scharlaken woestijn.
Iemand Pekingeend?

Kalraas met kaas en galblaas, Klaas! En haast je.

De wereld is een driedubbeldwarsovergehaalde dalende, dwaze spiraal naar het niets van de volgende wereld. De energie die loskomt in het oblitereren van de volgende instantie is de gebruikelijke dosis actomine voor de koffiepauze van de Schepperskluwe die in zijn intredende draalnauwkeurigheid sowieso geen melk in de kan te brokkelen heeft zonder orgoniserende hordes kraaidieren en zwevende kiezers zonder weerga. Desalniettemin is de krieuwelende sensatie op mijn rug niet minder prettig. Sowieso. Hoe dan ook. God bestaat, niet?
Of wel. De hapstoetelkoning van het driegebergte op mijn wervelnevel is al tegenstrijdig genoeg zonder dat er ook een Jan-Klaas aan de bel trekt om soetermeer onderhands te gaan dielen. Zo handig! Zo vet, zo fijn in het gebruik! Wie komt er in aanmerking? Wie is de koning van alle tijden? Wie is de Piramide van Gizeh in de morgenstond van het eind der tijden? Wie aast op het nauw? Wie is het oog van de naald?

Waar is de epidemie gebleven? Waarom zijn er geen handen aan het stuur als de wagen de weggetjes afklettert, geleidelijk het ravijn in? De aftanse drietand van de vierhoeksvorst is kennermerlands-ongestoord in zijn zeeluwte. Hemelrijken zwelgen in hun onaangetastheid. Aardse vorsten stomen af op een nieuw tijdperk van zenuwinzinking. Inheemse monsters akelen hun droomkanaal. Het stoom oozet van zijn herzgeschaffelsdinges en terstond openbaart zich het mysterion. Zo is het maar net. Het zo maar even zijnde van het net zoe is niet meer zo als zonet. Het is een gebruikelijk kwakend dier. De kraagvattende scherpomlijning is drietands in ter stonde. Het is.

Sunday, January 4, 2009

+/-

Transparante
Desorientatie
Recht Door Zee
Aan de Overkant
Is
De Overkant

Friday, January 2, 2009

dialoog

Zij: Waar kom je vandaan?
Hij: Uit een tijd vandaan waar ik de kans had op een andere toekomst. Op een ander nu.
Zij: Je wilt hier niet zijn?
Hij: Wil, wil - blijkbaar heb ik het gewild.
Zij: maar je zou liever ergens anders zijn?
Hij: Ik droom vaak van een ander leven.
Zij: Wat voor leven?
Hij: Een - leven zonder spijt. Waarin ik alles deed wat ik kon doen. Waarin niets zinloos verloren ging.
Zij: Dan kom ik van dezelfde plek als jij.

Teller

HTML hit counter - Quick-counter.net