Wednesday, December 31, 2008

met een drankje en een fluitconcert

Dodemans Harrie lag in de Heemelen uitgestrekt onder een palmboom met een Martini-Bubbel-urp voorzien van een parasolletje. Met zijn gezicht naar de stralende hemel lag hij te mijmeren over, of, met de gepaste eerbied, zich voorstellingen te maken van zijn scheppingen in hun voltooide staat. Vooralsnog bevonden ze zich slechts in zijn hoofd, en daar genoot hij van - hij hield de pracht nog voor zichzelf, eventjes, voor hij die over de wereld uit zou storten.
Hij nam nog een slokje van zijn drankje en zette de muziek, een fluitconcert van Bach, ietsje harder. Een aantal engelen die de wacht stonden te houden op opgehoogde wolkjes keek om, het was niet te zeggen met wat voor gelaatsuitdrukking - er sprak altijd voornamelijk volmaakte edelheid uit. Harrie hoopte dat ze van de tonen konden genieten zoals hij dat deed.
Toen ging hij op zijn buik liggen en pakte zijn schrijfblok erbij. Een gedicht viel als een vrucht van zijn pen.

Gelukzaligheid
geluk & zaligheid
zalig geluk
wat een vreugd
pompiedom

Zeer tevreden bekeek hij het gedicht, scheurde het uit zijn blok en verfrommelde het tot een prop. Hiermee bekogelde hij één der engelen. Deze raapte het propje op en vouwde het uiteen. Aandachtig las hij het, en zijn borst begon te schokken. Geroerd keek Harrie toe hoe de engel in een onstuitbaar wenen uitbarstte.

Glimlachend nam Harrie de liefkozingen van de engel in ontvangst.
Hij ging weer liggen op zijn stretcher, nam zijn drankje ter hand, en wierp toen onverhoeds een blik omlaag. Vuur, rook, lava en oerwouden trokken aan zijn geestesoog voorbij.
Hij besloot er maar geen gedicht over te schrijven.

Monday, December 29, 2008

zijn huid haar ziel

Voor de laatste maal liep Harrie langs de lange, donkere rivier.
"Al waart ge rood als bloed, stroom, duisterder en snoder dan op dit moment in mijn ogen
was ge alleen op dat moment rivier
op dat moment, waarop u mij mijn hart afnam."

De rivier ruiste de leegte vol met haar oneindige aanwezigheid.
Zij veranderde als een kat haar haren of een slang zijn huid haar ziel langs de oever onder Harrie's voeten.


[daboek maart 2001]

sprekend zwijgen

Daar heb ik niets over te zeggen
-behalve dat ik ....
inderdáád daar niets over kan zeggen.

"Ik geloof niet in God
en ik vertrouw drop dat 'ie me dat vergeeft."
"Als hij al bestaat anders ben je er mooi vanaf."
"Denk je?"
"Doe ik dat ooit?"

[dagboek, maart 2001]

dat wat

Het licht dat uit m'n ogen schijnt
Het licht dat in m'n ogen schijnt
De maan, de zon,
Rukken als bezetenen
Aan dat wat
ik niet ben
zonder hen


[uit mijn dagboek, maart 2001]

schoon schip

'In de wereld zijn zeven schepen'
dat soort zinnen verscheen af en toe in zijn hoofd. Hij kon het niet laten die momenten te gaan haten. Zo betrad hij het pad dat hem ertoe leidde alles te haten wat in hem opkwam. En toen begon hij te vrezen. Zo kwam het dat hij uiteindelijk zei: 'In de wereld zijn zeven schepen, en I'm not one of them.' En hij sprong uit het raam. Hij was dood voor men hem gevonden had. Niemand kon hem meer vertellen dat hij de zee was waarover de schepen varen.

Sunday, December 28, 2008

echo's van de val

Toen de goden vielen waren er mensen die ze zagen neerstorten. Sommigen vielen op de kale vlakte, anderen spatten uiteen op rotspieken, en de grootste goden plonsden in zee. Zij waren voor lange tijd verloren, hun geest leefde niet voort in de mensen. Maar de kleinere goden, zij die op de vlakte vielen, werden ontleed door de aasdieren onder de mensen, en die aasdieren werden machtig en heersten lange tijd over het leven van het ras.
Regels werden gesteld, en mensen leefden naar die regels, want ze dachten dat die regels 'menselijk' waren. Ze begrepen zichzelf aan de hand van hun gedrag, en ze maten iedereen daaraan.
Sommige mensen waren ten tijde van de val de bergen ingetrokken en daar vonden ze stukken van dode goden die onder kammen en pieken verspreid lagen. Omdat de klim te moeilijk was om iets mee te nemen namen deze mensen slechts kennis van wat ze zagen, en gingen weer naar beneden. Daar kwamen ze terecht in een mensenwereld die veranderd was. Wetten waren opgetrokken, wetten die een zweem hadden van goddelijkheid, als een zwaar parfum dat over een ongewassen lijf is gesprenkeld. De wetten bevreemdden de klimmers - maar de straten waren ervan vervuld, de mensen keken vol overtuiging uit hun ogen. Overtuigd waarvan?
De goden in de bergen werden verzwegen en na tijden vergeten. Alleen in dromen dienden ze zich nog aan. Maar de mond van de morgenstond verzwolg ze dan weer, en zo ontstond er een verhaal dat zich in het duister van de nacht afspeelde.
Het verhaal van de dag, ondertussen, werd oud en ouder, terwijl de wereld nieuwer en nieuwer werd. De mensen liepen nog vol overtuiging door de straten, maar waarvan zij overtuigd waren werd minder en minder duidelijk. Sommige mensen gingen op zoek naar een nieuw verhaal. Ze keken naar de bergen, ze keken naar de zee. Ze staken kaarsen aan en dronken wijn, en ze dompelden zich in de roes van gemeenstemmigheid, ze bedreven de liefde bij de mooiste muziek die ze konden vinden. En toen begonnen ze te dromen. En verhalen dienden zich aan, en ze lachten om de waanzin van die verhalen. Wie kon zoiets verinnen? Geen mens toch?

Wednesday, December 24, 2008

linksliggend bootje

Ik kwam van de grafyaart, lopend, te voet, met mijn rug naar het skelet dat zich uit de botten die uit mijn hart waren gekukeld weer tot een mobiel geraamte had opgetrokken. We gingen ieder ons weegs. Ik het kerhof uit, hij God wete waarheen.
Het voelde merkwaardig om van die botten verlost te zijn. Om eerlijk te zijn, het voelde niet perse. Ik had gedacht dat het zou voelen als een soort orgasme, een ontstellend opluchtende lozing van overtolligheid. Maar ik was stoicijns.
Ik liep het hekje van de grafyaart door, het krakende houten hekje, en stond op straat, met wat lantaarns, wat asfalt en wat bolide's, oude Saab cabrio's en zo, waar het licht van de gele lantaarns op weerkaatste. Heel gewoontjes. Daar stond ik dan. Wat nu? Geen specataculair uitzicht te bekennen. Geen groots en meeslepend vergezicht waar ik mijn kompas op kon orienteren. Er zat niets anders op dan gewoon maar wat te drentelen, te struinen, te slenteren. De horizon was dichtbij - op de eerste straathoek alweer. Ik was benieuwd! Nou, daar was een jachthaventje. Helemaal leeg, het is winter tenslotte. Wel een bootje opgetuigd met zeil. Ik loop de straat af naar het zandstrandje - het lijkt San Fransisco wel. Ik ben hier eerder geweest.
Daar loopt de Golden Gate, naar een stuk land waar ik niets te zoeken heb.
Te zoeken heb.
Te vinden heb.
"You can't always get what you want...
but if you try sometime...
you just might get what you need"
Mijmeringen, die gaan door je heen als je een bootje ziet liggen met gehesen zeil.
Maar goed, mijmeringen brengen je waar de wind waait, geef mij maar een motorboot.
Maar die lag er niet. Dus ben ik maar verder gedrenteld, langs dat strandje, heb nog wat in het zand gevoeld, lekker. Toen weer naar boven, de weg op. Daar liep een brede straat met een tram. Daar ben ik ingestapt en gaan zitten. Kijken hoe het landschap voorbijglijdt. Wat het verschil is met dit en zeilen weet ik niet.
Ik kom bij een oud motel. Afgebladderde muren, een krakend staplebed, de gang ligt vol met schilvers van een onduidelijke afkomst. Ik ga voor de spiegel staan, die is morsig - maar ik niet. Groot geluk - zelf gewassen en gezond zijn in een ranzig motel. De avond ligt open.
Ik loop terug naar het zeilbootje. Neem erin plaats en er verschijnt een kappie met een schipperspet. 'Where to, son?' Roept hij me rhetorisch toe. Hij zet koers, ik geef antwoord: 'recht zo die gaat!'
De golven beginnen tegen het scheepje te klotsen. We gaan onder de brug door, de stalen monsterstructuur torent over ons heen. Dan koersen we het ruime sop tegemoet.
Dat duurde wel heel kort, dat leven zonder vergezichten.

Saturday, December 20, 2008

Tijd voor een ademtocht

Rond een tafel waren verzameld:
De Hogepriesteres, de Toren, de Ster en de ridder van Staven. Zij wachtten nog op de ridder van Pentakels, De koning van Pentakels, de Kracht en de Wereld.
De Toren rommelde. De Ster was verborgen onder het tafellaken De Hogepriesteres zag dat best wel, maar hield het voor de ridder van Staven verzwegen. Achter het karmozijnrode gordijn waar ze voor zat voltrok zich een wellustige verzadiging tussen de Wereld en de Koning en Ridder van Pentakels. De Dwaas en de Kracht raasden en gierden door het luchtledige, maar de Toren had niet het lef om te barsten.
Tot de Hogepriesteres een tipje van het tafellaken oplichtte. Toen was plotseling de ban gebroken, en stormde de Ridder van Staven op het laken af, wat de priesteres als een volleerd Torreador opzij trok. Het vurige ros van de Ridder ramde in op de Ridder en Koning die zich met de Wereld aan het bevredigen waren, en de Dwaas moest hard lachen, waarbij de Kracht in een adelaar veranderde en het tafereel omcirkelde. 
Het gevecht tussen de ridders en de koning was zo slopend, dat het donkerde, waarbij aan de koraaal tot azuur blauw verwordende hemel de ster plotseling glisterned in eenieders ogen opflakkerde. 
'Waar zijn we eigenlijk mee bezig?' vroeg de ridder van pentakels aan de koning.
'We zijn die klootzak aan het verslaan. Maar waarom inderdaad?'
'Kan hij niet voor ons klootzakken?'
'He, rooie, doe es even aan onze kant komme!'
'en waarom, vieze lelijke proleet, zou ik dat over mijn stervensbed nog willen fabriceren?'
'Omdat je dan niet hoeft te sterven, megool!'
Hierop was de ridder wat stil. Haperend zat hij met de teugels in handen. Hij wierp een blik op de priesteres, en zag het felle licht in haar koolzwarte ogen. Het verblindde zijn hart. In een wanhoopsademocht gaf hij zijn ros zo hard de sporen dat het met een wilde sprong aan de andere kant van de kloof waar net nog de toren stond terecht kwam. Toen stortte alle grond ineen en was de wereld het toneel van woeste sprongen. De Dwaas wist zich plotseling gekend en omvatte de Kracht. 
De Hogepriesteres deinste terug, en viel achterover op het koffietafeltje. 'Godverdomme!' riep ze maar lachte erbij. Haar nachtblauwe gewaad dar nu onder de koffie zat wierp ze af en toen bond ze het rode gordijn als om haar boezem. Met haar gestalte wist ze nu de aandacht van de Dwaas te vangen. Die kwam op haar af, en pakte haar blanke hand. Hij trok haar in een pirhouet en haar borst bracht een diep schateren voort, waar ze zich even voor dacht te schamen. Maar toen zag ze de blik van de dwaas, en wist ze dat schamen zinloos was.

Op het nieuwe jaar

'Zo,' sprak de dader.' 'Dat is gebeurd'.
'Wat is gebeurd?'
'Het gene. De daad.'
'Je bedoeld de daad aan gene zijde?'
'Juist. Jij snapt het.'
'Maar wat snap ik dan? Precies?'
'Uhm' - hierop moest de dader even pauzeren. Hij nam een slok van zijn thee. Hij slikte 'klok!' wat de Aandrager mateloos irriteerde.  Zwijgend verbeet die zich totdat de hevigste golf emotie was weggeebt. 'Dus? Heb je het bedacht?' kon hij alsnog niet laten te snerpen.
De dader was zich kennelijk van geen kwaad bewust, want hij keek met verbaasde, kinderlijk ronde ogen op van zijn brouwstelje.
'Eh, nou, ja, het is eigenlij wel duidelijk toch?' veroverde hij zich zijn trots. Kameraadschap maakte wat plaats voor superioriteit.
'Dat zal best. Is er dan iets anders dat je belet het me uit de doeken te doen?'
'Gast, je zei zelf net 'aan gene zijde'.
Hierop was de aandrager even stil. 'Ja, maar dat was nogal algemeen.'
'Nou, er zijn niet zo heel veel dingen aan gene zijde.'
'Niet?'
'Nee. Volgens mij allen de liefde.'
'AAahhh. Aha.'
'Ja.'
 'Vet. Maar hmm. Maar liefde waarvoor?'
'Ja, gaap, voor diegene die ik liefheb.'
'Diegene, dus niet datgene?' hierbij wierp de Aandrager de Dader een samenzweerderige blik toe.'
'Nee, datgene is alleen maar mogelijk als er een diegene is.'
De aandrager knikte hierop, tevreden met dit inzicht. 'vet. Wil je nog wat wijn?'
'ja, doe maar. Hij is wel erg lekker.'
Samenzweerderig glimlachend schonk de aandrager twee glazen keurig net geen tweederde vol. Hij hief het glas. 'Proost!'
'Proost. Op het nieuwe jaar.'
'Aan gene zijde.'
Schalks glimmend nam de Dader hierop een slok.




Tuesday, December 16, 2008

de dader dronk thee

De dader is aangehouden. De baas zit te praten over kerstmis. "Ik ga wel effe aan je mailen. Heb je de Telegraaf gezien over overvaller gezocht? Tsja!" De taakstrafgasten van plantsoenbeheer zijn begonnen aan hun tweede week. Per dag snoeien ze ongeveer twee a drie knotwilgen. De mist die hier altijd lijkt te hangen hangt nu de hele stad. Toen ik van huis ging, rennend om te tram te halen, hing hij ook om mijn huis. Ik miste de tram overigens - waardoor ik even tijd had om een beker thee te halen bij de Coffee Company, net als gisteren. Toen nam ik hem opzichtig naarbinnen de tram in, wat me op een vermaning van de bestuurder kwam te staan, en de keuze de tram te verlaten of mijn thee weg te doen. Dit keer verstopte ik, toen ik de tram om de hoek over de brug hoorde komen bulderen, de thee in mijn jaszak - en zag toen ik opkeek dat dezelfde bestuurder me wantrouwend gadesloeg door het voorruit. Ik vond echter een beschutte plaats achterin en nipte voorzichtig van mijn Darjeeling.
"We hebben twee vrij lange onderwerpen, een verkrachtingzaak in zaandam, en die wild-westachtervolging" - de baas giert van het lachen - "Uitgebreid in beeld!" "Goorn, A7, dan wordt er geschoten, proberen ze een auto te kapen, lukt niet, nou ja, dat gaat zo maar door..."
Het kaartje van de politieregio's was teveel voor de printer. Ik zie alleen de omptrek van Nederland met een stukje van Gelderland. Opgevouwen ligt het nu op mijn bureau, wie weet lig het daar nog dagen. Het geluid van voorbijrijdende auto's, ik zie ze langsglijden in de weerspiegeling van het restaurant aan de overkant, waar ik nog nooit naar binnen ben geweest. Verderop is nog een restaurant, daar aten ik vrijdag een uitsmijter met de Baas en de regisseur. We hadden het over het leven. Dat uit skiongelukken van buitenechtelijke kinderen blijkt te bestaan.

Sunday, December 7, 2008

langzaam op stoom

In een ruimte waren verzameld: De Ridder van Aarde, de Koningin van Aarde en de Juiste Maat.
De Ridder opende de vergadering door zijn gouden pentakel op de houten tafel te leggen en de anderen bevestigend aan te kijken. De Koningin legde ook haar munt op tafel en vouwde haar handen. Beide keken naar de Juiste Maat. Die stond op, en spreidde zijn armen.
'Het grote werk dat voor ons ligt', sprak hij met beheerste stem, 'moet in rust worden aangevangen. Het doel ervan is niet om het vlug te hebben volbracht. Als dat gebeurt, ookal stemt het succes ons in vreugde, dan hebben we gefaald. We moeten langzaam op gang komen, en het liefst de kleine fouten die zich als mogelijkheid aandienen, op een goed bewaakt moment een kleine gelegenheid bieden.

De Ridder en de Koningin knikten, dit was geen nieuws voor hen. Ze waren allang blij dat de trein nu in beweging was gekomen, al toefde hij nog zo traag. Voor het stabiele verloop van de reis zouden zij wel zorg dragen.

Friday, December 5, 2008

greyhound

Toen ik uit Savannah wegreed kon ik me niet meer voorstellen dat het ook nog donker zou worden.

geheimen die liever zwijgen

In een kamer waren verzameld de Magier, de Dwaas en het Rad van Fortuin. Geen van hen zei iets, ze waren gedrieen gelukkig.
Na een onmeetbare zee van tijd kwam er een klein aardegeheimpje binnen. Het schoof aan tafel en haalde uit zijn knapzak een worst en een kaas, die smakelijk werden uitgestald op de tafel, met een stuk versgebakken brood erbij. Het symbooltje begon vakkundig een luxe sandwich the prepareren. Voor het veel later was zat het te smakken.
De Magier gaf het etende geheimpje nijdig een mep. Het rolde uit het zicht, maar met de stilte was het gedaan.

Spot niet met vuur

In een kamer waren verzameld: De Koningin der Zwaarden, de Bisschop en de Page van Pentakels. Een kaars flakkerde op tafel en wierp de schaduwen van de drie mensen op de uit grofgehakte stenen opgetrokken muren.
Het was lange tijd stil. De koningin keek naar de schaduw van de Bisschop en een stroom morbide gedachten diende zich aan. Ze schoof ze terzijde, maar nam er, door de kracht ervan gedwongen, kennis van.
De bisschop keek naar de schaduw van de page en zag al het falen dat nog nodig zou zijn in diens leven. Grote meewarigheid vervulde hem.
De page tenslotte beschouwde de kaars zelf, gefascineerd door de macht van die vlam die de twee mensen in zijn gezelschap in bedwang leek te houden. Voor de grap leunde hij voorover en blies de kaars uit.
'Wel verdomme!' vloekte de Koningin. De Bisschop keek in het rond naar zijn scepter. 'Page! Dat zal je bezuren!' Maar deze was vlug onder tafel gaan zitten en spitste zijn oren voor het gesprek dat nu zou komen.
De Bisschop: 'Waar is dat kreng?' De koningin zweeg, en de page voelde haar blik door het vertrek flitsen.
'Steek die kaars weer aan!' riep de Bisschop.
'Doe het zelf!' riep zij.
'Ik heb geen vuur! Ik bedoel, ik heb altijd vuur! Maar niet voor deze kaars!'
'Oh je bedoelt je Heilige Vuur? Voor bij je rituelen? Nee, laat dat inderdaad maar in je zak zitten!'
'Wat bedoel je daarmee?' vroeg hij achterdochtig.
'Oh, helemaal niks . Het gaat mij absoluut niets aan wat jij uitspookt achter die zware gordijnen die je voor je heiligdom schuift als je er binnengaat.
'WAT probeer jij hier te insinueren?' klonk het nu scherp uit de mond van de heilige.
De page had alweer spijt van zijn grap. Hij kon niet meer tevoorschijn komen, Hij wilde met zijn oren dicht vluchten, maar hoorde koningin sissen: 'We zijn hier met z'n tweeen, dus ik hoef helemaal niets te insinueren.
'Ik merk het alweer, jij banaal kreng, jij denkt ik mijn heiligdom bevuil metdaden die jouw reinlijke daglicht schuwen!'
De koningin snoof. 'Waarom heb je anders zo'n schimmig heiligdom?'
'Schimmig, schimmig? Schimmiger dan dit vervloekte gesprek in het pikkedonker? Schimmer dan dit schijnheilige schermspel waarin je me meesleept met je twistzieke geest?' Wat zeg ik in Godessnaam ook weer allemaal tegen je? Genoeg! Ik maak een eind aan deze scherts!'
De man ramte met de voet van zijn scepter op de keien vloer en beende naar buiten.
De hield zijn adem af. Zou hij met de schrik vrijkomen?
'Kom maar onder de tafel vandaan!'
De page vloekte in zichzelf en kroop tevoorschijn. Hij durfde de koningin niet aan te kijke,
'Ik wist niet dat jullie zo kwaad zouden worden,'
'Wat heb je net gehoord?' vroeg zij.
Gehoord? Niets. Nou, ik hoorde dat jullie me wilden straffen. En dat is terecht.'
'Goed.' De koningin gaf de page een tik op zijn wang. 'Verdwijn uit m'n ogen. En geef me de lucifers.'
De page boog en overhandigde haar het luciferdoosje. Met een onderdrukte diepe zucht liep hij naar buiten.
Hij zag nog net een glimp van het metaal, toen: Pats! De scepter landde midden op zijn hoofd.
Voor de pijn hem greep was hij weg.

Thursday, December 4, 2008

In een ruimte: De Vertwijfeling

In een kamer waren verzameld: de Koning van Vuur, de Gerechtigheid, de Dame der Stromen en de Vertwijfeling.
De Koning nam het woord. Hij sprak in het algemeen, als tegen een vergadering: 'De avond valt over ons winterland, en de kou van de wereld dringt ons naar binnen. Wij moeten ons aan elkander warmen, opdat we niet verpieteren in het schrale licht van onze individuele zielen.'
De Dame lachte en sprak: ik zou haast de ironie in uw stem missen, Koning. De koning glimlachte minzaam. De Vertwijfeling nam daarop het woord. 'Wat is daar zo komisch aan? Niet iedereen is zich zo verzekerd van een liefhebbend gezelschap dat hij kan pretenderen ook in eenzaamheid vervuld te zijn van warmte.' De dame antwoordde hem: 'het was komisch uit de mond van de koning. Als u het zou hebben gezegd, had ik niet gelachen.'
'Goed, dan zeg ik het bij deze'.
'En u heeft gelijk.'
'wat schiet ik daarmee op?'
De dame haalde haar schouders op en keek naar de gerechtigheid.
'Moet ik het weer oplossen?' vroeg deze, verstoord uit zijn granieten evenwicht.
Allen keken hem aan. 'Vol verwachting klopt ons hart!' sprak de Koning. De dame kon een lach niet onderdrukken. Kwaad probeerde de vertwijfeling haar aan te kijken, zij stuurde zijn blik soepel naar de Gerechtigheid. Die voelde nu de twee vertwijfelde ogen in zijn schild van onzijdigheid priemen.
'Ten eerste,' bulderde hij plotseling, 'valt het onheil ten deel aan degeen die zich beklaagt over zijn lot.'
Hierop was het een tijd lang stil.
'Oh ja, en wat moet ik dan??' riep nu de vertwijfeling.
'U moet helemaal niets. Dat is uw fout. U hebt in dit leven enkel en alleen rechten, koninklijke rechten. U mag bestaan, en u trekt deze zegening in twijfel. Daarmee ontneemt u uw bestaan van de meest fundamentele zegening, namelijk de vreugde.'
Wederom vier er een stilte. De koning zat echter te knikken, en mompelde na een poosje 'hear, hear'. De dame keek geinteresseerd naar de vertwijfeling. Hoe zou hij dit opvatten?

Wednesday, December 3, 2008

het oppakken van de draad

Hoe het verleden los te laten?
Ik ben me er op de gewone momenten die tot dag aaneen worden geregen niet eens van bewust dat ik er aan vast houd. Maar wakkerschrikkend uit dromen merk ik het - en ook het vage vlies van weemoed waarvan ik me soms om me heen gewaar word suggereert dat er nog vele dingen spelen, in mijn zenuwstelsel, in mijn klieren en mijn hart, onafgemaakte herinneringen. Draden die door mijn leven liepen en die ik op een gegeven moment heb losgelaten. Ik wil die draden dolgraag weer oppakken, maar waar liggen ze? Waar zijn de uiteinden terechtgekomen? Of, dramatischer, wie is er mee aan de haal gegaan?

Het verhaal van mijn leven ontspint zich niet met de vaart waarop de motor het lekkerst bromt. Het hapert en hakkelt teveel, blijft in de stad in z'n twee, op de snelweg in z'n vier, ingesteld op bochtige weggetjes met veel tegenliggers. Terwijl voor me een open ruimte ligt: de open ruimte van de toekomst. De zon komt op boven de horizon, dauw vervliegt in kleine regenboogjes, mijn aandacht is gevestigd op het eventuele afslaan van de motor, op kuilen in het asfalt.

In de verre verte, ver voorbij die stomende gouden einder, daar liggen mijn toekomstbeelden. Het waren ooit plannen en doelen, nu zijn het niet meer dan dromen, nu de uiteinden van de draden in mijn ziel onder lagen sediment zijn weggeslibt. Raak ik ze ooit nog aan, graaf ik ze ooit nog op?

Ik zou bijna gezegd hebben: De tijd zal het leren. Maar het enige dat de tijd me leert is dat het verleden verder weg raakt, en daarmee ook mijn ziel. 'Tegen de tijd in, rebelleren tegen deze rechtlijnige leraar!' roept mijn geest. Mijn geest heeft soms goede ideeen. Maar ook makkelijk praten.

Teller

HTML hit counter - Quick-counter.net