Wednesday, December 24, 2008

linksliggend bootje

Ik kwam van de grafyaart, lopend, te voet, met mijn rug naar het skelet dat zich uit de botten die uit mijn hart waren gekukeld weer tot een mobiel geraamte had opgetrokken. We gingen ieder ons weegs. Ik het kerhof uit, hij God wete waarheen.
Het voelde merkwaardig om van die botten verlost te zijn. Om eerlijk te zijn, het voelde niet perse. Ik had gedacht dat het zou voelen als een soort orgasme, een ontstellend opluchtende lozing van overtolligheid. Maar ik was stoicijns.
Ik liep het hekje van de grafyaart door, het krakende houten hekje, en stond op straat, met wat lantaarns, wat asfalt en wat bolide's, oude Saab cabrio's en zo, waar het licht van de gele lantaarns op weerkaatste. Heel gewoontjes. Daar stond ik dan. Wat nu? Geen specataculair uitzicht te bekennen. Geen groots en meeslepend vergezicht waar ik mijn kompas op kon orienteren. Er zat niets anders op dan gewoon maar wat te drentelen, te struinen, te slenteren. De horizon was dichtbij - op de eerste straathoek alweer. Ik was benieuwd! Nou, daar was een jachthaventje. Helemaal leeg, het is winter tenslotte. Wel een bootje opgetuigd met zeil. Ik loop de straat af naar het zandstrandje - het lijkt San Fransisco wel. Ik ben hier eerder geweest.
Daar loopt de Golden Gate, naar een stuk land waar ik niets te zoeken heb.
Te zoeken heb.
Te vinden heb.
"You can't always get what you want...
but if you try sometime...
you just might get what you need"
Mijmeringen, die gaan door je heen als je een bootje ziet liggen met gehesen zeil.
Maar goed, mijmeringen brengen je waar de wind waait, geef mij maar een motorboot.
Maar die lag er niet. Dus ben ik maar verder gedrenteld, langs dat strandje, heb nog wat in het zand gevoeld, lekker. Toen weer naar boven, de weg op. Daar liep een brede straat met een tram. Daar ben ik ingestapt en gaan zitten. Kijken hoe het landschap voorbijglijdt. Wat het verschil is met dit en zeilen weet ik niet.
Ik kom bij een oud motel. Afgebladderde muren, een krakend staplebed, de gang ligt vol met schilvers van een onduidelijke afkomst. Ik ga voor de spiegel staan, die is morsig - maar ik niet. Groot geluk - zelf gewassen en gezond zijn in een ranzig motel. De avond ligt open.
Ik loop terug naar het zeilbootje. Neem erin plaats en er verschijnt een kappie met een schipperspet. 'Where to, son?' Roept hij me rhetorisch toe. Hij zet koers, ik geef antwoord: 'recht zo die gaat!'
De golven beginnen tegen het scheepje te klotsen. We gaan onder de brug door, de stalen monsterstructuur torent over ons heen. Dan koersen we het ruime sop tegemoet.
Dat duurde wel heel kort, dat leven zonder vergezichten.

No comments:

Teller

HTML hit counter - Quick-counter.net