Wednesday, December 31, 2008

met een drankje en een fluitconcert

Dodemans Harrie lag in de Heemelen uitgestrekt onder een palmboom met een Martini-Bubbel-urp voorzien van een parasolletje. Met zijn gezicht naar de stralende hemel lag hij te mijmeren over, of, met de gepaste eerbied, zich voorstellingen te maken van zijn scheppingen in hun voltooide staat. Vooralsnog bevonden ze zich slechts in zijn hoofd, en daar genoot hij van - hij hield de pracht nog voor zichzelf, eventjes, voor hij die over de wereld uit zou storten.
Hij nam nog een slokje van zijn drankje en zette de muziek, een fluitconcert van Bach, ietsje harder. Een aantal engelen die de wacht stonden te houden op opgehoogde wolkjes keek om, het was niet te zeggen met wat voor gelaatsuitdrukking - er sprak altijd voornamelijk volmaakte edelheid uit. Harrie hoopte dat ze van de tonen konden genieten zoals hij dat deed.
Toen ging hij op zijn buik liggen en pakte zijn schrijfblok erbij. Een gedicht viel als een vrucht van zijn pen.

Gelukzaligheid
geluk & zaligheid
zalig geluk
wat een vreugd
pompiedom

Zeer tevreden bekeek hij het gedicht, scheurde het uit zijn blok en verfrommelde het tot een prop. Hiermee bekogelde hij één der engelen. Deze raapte het propje op en vouwde het uiteen. Aandachtig las hij het, en zijn borst begon te schokken. Geroerd keek Harrie toe hoe de engel in een onstuitbaar wenen uitbarstte.

Glimlachend nam Harrie de liefkozingen van de engel in ontvangst.
Hij ging weer liggen op zijn stretcher, nam zijn drankje ter hand, en wierp toen onverhoeds een blik omlaag. Vuur, rook, lava en oerwouden trokken aan zijn geestesoog voorbij.
Hij besloot er maar geen gedicht over te schrijven.

Monday, December 29, 2008

zijn huid haar ziel

Voor de laatste maal liep Harrie langs de lange, donkere rivier.
"Al waart ge rood als bloed, stroom, duisterder en snoder dan op dit moment in mijn ogen
was ge alleen op dat moment rivier
op dat moment, waarop u mij mijn hart afnam."

De rivier ruiste de leegte vol met haar oneindige aanwezigheid.
Zij veranderde als een kat haar haren of een slang zijn huid haar ziel langs de oever onder Harrie's voeten.


[daboek maart 2001]

sprekend zwijgen

Daar heb ik niets over te zeggen
-behalve dat ik ....
inderdáád daar niets over kan zeggen.

"Ik geloof niet in God
en ik vertrouw drop dat 'ie me dat vergeeft."
"Als hij al bestaat anders ben je er mooi vanaf."
"Denk je?"
"Doe ik dat ooit?"

[dagboek, maart 2001]

dat wat

Het licht dat uit m'n ogen schijnt
Het licht dat in m'n ogen schijnt
De maan, de zon,
Rukken als bezetenen
Aan dat wat
ik niet ben
zonder hen


[uit mijn dagboek, maart 2001]

schoon schip

'In de wereld zijn zeven schepen'
dat soort zinnen verscheen af en toe in zijn hoofd. Hij kon het niet laten die momenten te gaan haten. Zo betrad hij het pad dat hem ertoe leidde alles te haten wat in hem opkwam. En toen begon hij te vrezen. Zo kwam het dat hij uiteindelijk zei: 'In de wereld zijn zeven schepen, en I'm not one of them.' En hij sprong uit het raam. Hij was dood voor men hem gevonden had. Niemand kon hem meer vertellen dat hij de zee was waarover de schepen varen.

Sunday, December 28, 2008

echo's van de val

Toen de goden vielen waren er mensen die ze zagen neerstorten. Sommigen vielen op de kale vlakte, anderen spatten uiteen op rotspieken, en de grootste goden plonsden in zee. Zij waren voor lange tijd verloren, hun geest leefde niet voort in de mensen. Maar de kleinere goden, zij die op de vlakte vielen, werden ontleed door de aasdieren onder de mensen, en die aasdieren werden machtig en heersten lange tijd over het leven van het ras.
Regels werden gesteld, en mensen leefden naar die regels, want ze dachten dat die regels 'menselijk' waren. Ze begrepen zichzelf aan de hand van hun gedrag, en ze maten iedereen daaraan.
Sommige mensen waren ten tijde van de val de bergen ingetrokken en daar vonden ze stukken van dode goden die onder kammen en pieken verspreid lagen. Omdat de klim te moeilijk was om iets mee te nemen namen deze mensen slechts kennis van wat ze zagen, en gingen weer naar beneden. Daar kwamen ze terecht in een mensenwereld die veranderd was. Wetten waren opgetrokken, wetten die een zweem hadden van goddelijkheid, als een zwaar parfum dat over een ongewassen lijf is gesprenkeld. De wetten bevreemdden de klimmers - maar de straten waren ervan vervuld, de mensen keken vol overtuiging uit hun ogen. Overtuigd waarvan?
De goden in de bergen werden verzwegen en na tijden vergeten. Alleen in dromen dienden ze zich nog aan. Maar de mond van de morgenstond verzwolg ze dan weer, en zo ontstond er een verhaal dat zich in het duister van de nacht afspeelde.
Het verhaal van de dag, ondertussen, werd oud en ouder, terwijl de wereld nieuwer en nieuwer werd. De mensen liepen nog vol overtuiging door de straten, maar waarvan zij overtuigd waren werd minder en minder duidelijk. Sommige mensen gingen op zoek naar een nieuw verhaal. Ze keken naar de bergen, ze keken naar de zee. Ze staken kaarsen aan en dronken wijn, en ze dompelden zich in de roes van gemeenstemmigheid, ze bedreven de liefde bij de mooiste muziek die ze konden vinden. En toen begonnen ze te dromen. En verhalen dienden zich aan, en ze lachten om de waanzin van die verhalen. Wie kon zoiets verinnen? Geen mens toch?

Wednesday, December 24, 2008

linksliggend bootje

Ik kwam van de grafyaart, lopend, te voet, met mijn rug naar het skelet dat zich uit de botten die uit mijn hart waren gekukeld weer tot een mobiel geraamte had opgetrokken. We gingen ieder ons weegs. Ik het kerhof uit, hij God wete waarheen.
Het voelde merkwaardig om van die botten verlost te zijn. Om eerlijk te zijn, het voelde niet perse. Ik had gedacht dat het zou voelen als een soort orgasme, een ontstellend opluchtende lozing van overtolligheid. Maar ik was stoicijns.
Ik liep het hekje van de grafyaart door, het krakende houten hekje, en stond op straat, met wat lantaarns, wat asfalt en wat bolide's, oude Saab cabrio's en zo, waar het licht van de gele lantaarns op weerkaatste. Heel gewoontjes. Daar stond ik dan. Wat nu? Geen specataculair uitzicht te bekennen. Geen groots en meeslepend vergezicht waar ik mijn kompas op kon orienteren. Er zat niets anders op dan gewoon maar wat te drentelen, te struinen, te slenteren. De horizon was dichtbij - op de eerste straathoek alweer. Ik was benieuwd! Nou, daar was een jachthaventje. Helemaal leeg, het is winter tenslotte. Wel een bootje opgetuigd met zeil. Ik loop de straat af naar het zandstrandje - het lijkt San Fransisco wel. Ik ben hier eerder geweest.
Daar loopt de Golden Gate, naar een stuk land waar ik niets te zoeken heb.
Te zoeken heb.
Te vinden heb.
"You can't always get what you want...
but if you try sometime...
you just might get what you need"
Mijmeringen, die gaan door je heen als je een bootje ziet liggen met gehesen zeil.
Maar goed, mijmeringen brengen je waar de wind waait, geef mij maar een motorboot.
Maar die lag er niet. Dus ben ik maar verder gedrenteld, langs dat strandje, heb nog wat in het zand gevoeld, lekker. Toen weer naar boven, de weg op. Daar liep een brede straat met een tram. Daar ben ik ingestapt en gaan zitten. Kijken hoe het landschap voorbijglijdt. Wat het verschil is met dit en zeilen weet ik niet.
Ik kom bij een oud motel. Afgebladderde muren, een krakend staplebed, de gang ligt vol met schilvers van een onduidelijke afkomst. Ik ga voor de spiegel staan, die is morsig - maar ik niet. Groot geluk - zelf gewassen en gezond zijn in een ranzig motel. De avond ligt open.
Ik loop terug naar het zeilbootje. Neem erin plaats en er verschijnt een kappie met een schipperspet. 'Where to, son?' Roept hij me rhetorisch toe. Hij zet koers, ik geef antwoord: 'recht zo die gaat!'
De golven beginnen tegen het scheepje te klotsen. We gaan onder de brug door, de stalen monsterstructuur torent over ons heen. Dan koersen we het ruime sop tegemoet.
Dat duurde wel heel kort, dat leven zonder vergezichten.

Saturday, December 20, 2008

Tijd voor een ademtocht

Rond een tafel waren verzameld:
De Hogepriesteres, de Toren, de Ster en de ridder van Staven. Zij wachtten nog op de ridder van Pentakels, De koning van Pentakels, de Kracht en de Wereld.
De Toren rommelde. De Ster was verborgen onder het tafellaken De Hogepriesteres zag dat best wel, maar hield het voor de ridder van Staven verzwegen. Achter het karmozijnrode gordijn waar ze voor zat voltrok zich een wellustige verzadiging tussen de Wereld en de Koning en Ridder van Pentakels. De Dwaas en de Kracht raasden en gierden door het luchtledige, maar de Toren had niet het lef om te barsten.
Tot de Hogepriesteres een tipje van het tafellaken oplichtte. Toen was plotseling de ban gebroken, en stormde de Ridder van Staven op het laken af, wat de priesteres als een volleerd Torreador opzij trok. Het vurige ros van de Ridder ramde in op de Ridder en Koning die zich met de Wereld aan het bevredigen waren, en de Dwaas moest hard lachen, waarbij de Kracht in een adelaar veranderde en het tafereel omcirkelde. 
Het gevecht tussen de ridders en de koning was zo slopend, dat het donkerde, waarbij aan de koraaal tot azuur blauw verwordende hemel de ster plotseling glisterned in eenieders ogen opflakkerde. 
'Waar zijn we eigenlijk mee bezig?' vroeg de ridder van pentakels aan de koning.
'We zijn die klootzak aan het verslaan. Maar waarom inderdaad?'
'Kan hij niet voor ons klootzakken?'
'He, rooie, doe es even aan onze kant komme!'
'en waarom, vieze lelijke proleet, zou ik dat over mijn stervensbed nog willen fabriceren?'
'Omdat je dan niet hoeft te sterven, megool!'
Hierop was de ridder wat stil. Haperend zat hij met de teugels in handen. Hij wierp een blik op de priesteres, en zag het felle licht in haar koolzwarte ogen. Het verblindde zijn hart. In een wanhoopsademocht gaf hij zijn ros zo hard de sporen dat het met een wilde sprong aan de andere kant van de kloof waar net nog de toren stond terecht kwam. Toen stortte alle grond ineen en was de wereld het toneel van woeste sprongen. De Dwaas wist zich plotseling gekend en omvatte de Kracht. 
De Hogepriesteres deinste terug, en viel achterover op het koffietafeltje. 'Godverdomme!' riep ze maar lachte erbij. Haar nachtblauwe gewaad dar nu onder de koffie zat wierp ze af en toen bond ze het rode gordijn als om haar boezem. Met haar gestalte wist ze nu de aandacht van de Dwaas te vangen. Die kwam op haar af, en pakte haar blanke hand. Hij trok haar in een pirhouet en haar borst bracht een diep schateren voort, waar ze zich even voor dacht te schamen. Maar toen zag ze de blik van de dwaas, en wist ze dat schamen zinloos was.

Op het nieuwe jaar

'Zo,' sprak de dader.' 'Dat is gebeurd'.
'Wat is gebeurd?'
'Het gene. De daad.'
'Je bedoeld de daad aan gene zijde?'
'Juist. Jij snapt het.'
'Maar wat snap ik dan? Precies?'
'Uhm' - hierop moest de dader even pauzeren. Hij nam een slok van zijn thee. Hij slikte 'klok!' wat de Aandrager mateloos irriteerde.  Zwijgend verbeet die zich totdat de hevigste golf emotie was weggeebt. 'Dus? Heb je het bedacht?' kon hij alsnog niet laten te snerpen.
De dader was zich kennelijk van geen kwaad bewust, want hij keek met verbaasde, kinderlijk ronde ogen op van zijn brouwstelje.
'Eh, nou, ja, het is eigenlij wel duidelijk toch?' veroverde hij zich zijn trots. Kameraadschap maakte wat plaats voor superioriteit.
'Dat zal best. Is er dan iets anders dat je belet het me uit de doeken te doen?'
'Gast, je zei zelf net 'aan gene zijde'.
Hierop was de aandrager even stil. 'Ja, maar dat was nogal algemeen.'
'Nou, er zijn niet zo heel veel dingen aan gene zijde.'
'Niet?'
'Nee. Volgens mij allen de liefde.'
'AAahhh. Aha.'
'Ja.'
 'Vet. Maar hmm. Maar liefde waarvoor?'
'Ja, gaap, voor diegene die ik liefheb.'
'Diegene, dus niet datgene?' hierbij wierp de Aandrager de Dader een samenzweerderige blik toe.'
'Nee, datgene is alleen maar mogelijk als er een diegene is.'
De aandrager knikte hierop, tevreden met dit inzicht. 'vet. Wil je nog wat wijn?'
'ja, doe maar. Hij is wel erg lekker.'
Samenzweerderig glimlachend schonk de aandrager twee glazen keurig net geen tweederde vol. Hij hief het glas. 'Proost!'
'Proost. Op het nieuwe jaar.'
'Aan gene zijde.'
Schalks glimmend nam de Dader hierop een slok.




Tuesday, December 16, 2008

de dader dronk thee

De dader is aangehouden. De baas zit te praten over kerstmis. "Ik ga wel effe aan je mailen. Heb je de Telegraaf gezien over overvaller gezocht? Tsja!" De taakstrafgasten van plantsoenbeheer zijn begonnen aan hun tweede week. Per dag snoeien ze ongeveer twee a drie knotwilgen. De mist die hier altijd lijkt te hangen hangt nu de hele stad. Toen ik van huis ging, rennend om te tram te halen, hing hij ook om mijn huis. Ik miste de tram overigens - waardoor ik even tijd had om een beker thee te halen bij de Coffee Company, net als gisteren. Toen nam ik hem opzichtig naarbinnen de tram in, wat me op een vermaning van de bestuurder kwam te staan, en de keuze de tram te verlaten of mijn thee weg te doen. Dit keer verstopte ik, toen ik de tram om de hoek over de brug hoorde komen bulderen, de thee in mijn jaszak - en zag toen ik opkeek dat dezelfde bestuurder me wantrouwend gadesloeg door het voorruit. Ik vond echter een beschutte plaats achterin en nipte voorzichtig van mijn Darjeeling.
"We hebben twee vrij lange onderwerpen, een verkrachtingzaak in zaandam, en die wild-westachtervolging" - de baas giert van het lachen - "Uitgebreid in beeld!" "Goorn, A7, dan wordt er geschoten, proberen ze een auto te kapen, lukt niet, nou ja, dat gaat zo maar door..."
Het kaartje van de politieregio's was teveel voor de printer. Ik zie alleen de omptrek van Nederland met een stukje van Gelderland. Opgevouwen ligt het nu op mijn bureau, wie weet lig het daar nog dagen. Het geluid van voorbijrijdende auto's, ik zie ze langsglijden in de weerspiegeling van het restaurant aan de overkant, waar ik nog nooit naar binnen ben geweest. Verderop is nog een restaurant, daar aten ik vrijdag een uitsmijter met de Baas en de regisseur. We hadden het over het leven. Dat uit skiongelukken van buitenechtelijke kinderen blijkt te bestaan.

Sunday, December 7, 2008

langzaam op stoom

In een ruimte waren verzameld: De Ridder van Aarde, de Koningin van Aarde en de Juiste Maat.
De Ridder opende de vergadering door zijn gouden pentakel op de houten tafel te leggen en de anderen bevestigend aan te kijken. De Koningin legde ook haar munt op tafel en vouwde haar handen. Beide keken naar de Juiste Maat. Die stond op, en spreidde zijn armen.
'Het grote werk dat voor ons ligt', sprak hij met beheerste stem, 'moet in rust worden aangevangen. Het doel ervan is niet om het vlug te hebben volbracht. Als dat gebeurt, ookal stemt het succes ons in vreugde, dan hebben we gefaald. We moeten langzaam op gang komen, en het liefst de kleine fouten die zich als mogelijkheid aandienen, op een goed bewaakt moment een kleine gelegenheid bieden.

De Ridder en de Koningin knikten, dit was geen nieuws voor hen. Ze waren allang blij dat de trein nu in beweging was gekomen, al toefde hij nog zo traag. Voor het stabiele verloop van de reis zouden zij wel zorg dragen.

Friday, December 5, 2008

greyhound

Toen ik uit Savannah wegreed kon ik me niet meer voorstellen dat het ook nog donker zou worden.

geheimen die liever zwijgen

In een kamer waren verzameld de Magier, de Dwaas en het Rad van Fortuin. Geen van hen zei iets, ze waren gedrieen gelukkig.
Na een onmeetbare zee van tijd kwam er een klein aardegeheimpje binnen. Het schoof aan tafel en haalde uit zijn knapzak een worst en een kaas, die smakelijk werden uitgestald op de tafel, met een stuk versgebakken brood erbij. Het symbooltje begon vakkundig een luxe sandwich the prepareren. Voor het veel later was zat het te smakken.
De Magier gaf het etende geheimpje nijdig een mep. Het rolde uit het zicht, maar met de stilte was het gedaan.

Spot niet met vuur

In een kamer waren verzameld: De Koningin der Zwaarden, de Bisschop en de Page van Pentakels. Een kaars flakkerde op tafel en wierp de schaduwen van de drie mensen op de uit grofgehakte stenen opgetrokken muren.
Het was lange tijd stil. De koningin keek naar de schaduw van de Bisschop en een stroom morbide gedachten diende zich aan. Ze schoof ze terzijde, maar nam er, door de kracht ervan gedwongen, kennis van.
De bisschop keek naar de schaduw van de page en zag al het falen dat nog nodig zou zijn in diens leven. Grote meewarigheid vervulde hem.
De page tenslotte beschouwde de kaars zelf, gefascineerd door de macht van die vlam die de twee mensen in zijn gezelschap in bedwang leek te houden. Voor de grap leunde hij voorover en blies de kaars uit.
'Wel verdomme!' vloekte de Koningin. De Bisschop keek in het rond naar zijn scepter. 'Page! Dat zal je bezuren!' Maar deze was vlug onder tafel gaan zitten en spitste zijn oren voor het gesprek dat nu zou komen.
De Bisschop: 'Waar is dat kreng?' De koningin zweeg, en de page voelde haar blik door het vertrek flitsen.
'Steek die kaars weer aan!' riep de Bisschop.
'Doe het zelf!' riep zij.
'Ik heb geen vuur! Ik bedoel, ik heb altijd vuur! Maar niet voor deze kaars!'
'Oh je bedoelt je Heilige Vuur? Voor bij je rituelen? Nee, laat dat inderdaad maar in je zak zitten!'
'Wat bedoel je daarmee?' vroeg hij achterdochtig.
'Oh, helemaal niks . Het gaat mij absoluut niets aan wat jij uitspookt achter die zware gordijnen die je voor je heiligdom schuift als je er binnengaat.
'WAT probeer jij hier te insinueren?' klonk het nu scherp uit de mond van de heilige.
De page had alweer spijt van zijn grap. Hij kon niet meer tevoorschijn komen, Hij wilde met zijn oren dicht vluchten, maar hoorde koningin sissen: 'We zijn hier met z'n tweeen, dus ik hoef helemaal niets te insinueren.
'Ik merk het alweer, jij banaal kreng, jij denkt ik mijn heiligdom bevuil metdaden die jouw reinlijke daglicht schuwen!'
De koningin snoof. 'Waarom heb je anders zo'n schimmig heiligdom?'
'Schimmig, schimmig? Schimmiger dan dit vervloekte gesprek in het pikkedonker? Schimmer dan dit schijnheilige schermspel waarin je me meesleept met je twistzieke geest?' Wat zeg ik in Godessnaam ook weer allemaal tegen je? Genoeg! Ik maak een eind aan deze scherts!'
De man ramte met de voet van zijn scepter op de keien vloer en beende naar buiten.
De hield zijn adem af. Zou hij met de schrik vrijkomen?
'Kom maar onder de tafel vandaan!'
De page vloekte in zichzelf en kroop tevoorschijn. Hij durfde de koningin niet aan te kijke,
'Ik wist niet dat jullie zo kwaad zouden worden,'
'Wat heb je net gehoord?' vroeg zij.
Gehoord? Niets. Nou, ik hoorde dat jullie me wilden straffen. En dat is terecht.'
'Goed.' De koningin gaf de page een tik op zijn wang. 'Verdwijn uit m'n ogen. En geef me de lucifers.'
De page boog en overhandigde haar het luciferdoosje. Met een onderdrukte diepe zucht liep hij naar buiten.
Hij zag nog net een glimp van het metaal, toen: Pats! De scepter landde midden op zijn hoofd.
Voor de pijn hem greep was hij weg.

Thursday, December 4, 2008

In een ruimte: De Vertwijfeling

In een kamer waren verzameld: de Koning van Vuur, de Gerechtigheid, de Dame der Stromen en de Vertwijfeling.
De Koning nam het woord. Hij sprak in het algemeen, als tegen een vergadering: 'De avond valt over ons winterland, en de kou van de wereld dringt ons naar binnen. Wij moeten ons aan elkander warmen, opdat we niet verpieteren in het schrale licht van onze individuele zielen.'
De Dame lachte en sprak: ik zou haast de ironie in uw stem missen, Koning. De koning glimlachte minzaam. De Vertwijfeling nam daarop het woord. 'Wat is daar zo komisch aan? Niet iedereen is zich zo verzekerd van een liefhebbend gezelschap dat hij kan pretenderen ook in eenzaamheid vervuld te zijn van warmte.' De dame antwoordde hem: 'het was komisch uit de mond van de koning. Als u het zou hebben gezegd, had ik niet gelachen.'
'Goed, dan zeg ik het bij deze'.
'En u heeft gelijk.'
'wat schiet ik daarmee op?'
De dame haalde haar schouders op en keek naar de gerechtigheid.
'Moet ik het weer oplossen?' vroeg deze, verstoord uit zijn granieten evenwicht.
Allen keken hem aan. 'Vol verwachting klopt ons hart!' sprak de Koning. De dame kon een lach niet onderdrukken. Kwaad probeerde de vertwijfeling haar aan te kijken, zij stuurde zijn blik soepel naar de Gerechtigheid. Die voelde nu de twee vertwijfelde ogen in zijn schild van onzijdigheid priemen.
'Ten eerste,' bulderde hij plotseling, 'valt het onheil ten deel aan degeen die zich beklaagt over zijn lot.'
Hierop was het een tijd lang stil.
'Oh ja, en wat moet ik dan??' riep nu de vertwijfeling.
'U moet helemaal niets. Dat is uw fout. U hebt in dit leven enkel en alleen rechten, koninklijke rechten. U mag bestaan, en u trekt deze zegening in twijfel. Daarmee ontneemt u uw bestaan van de meest fundamentele zegening, namelijk de vreugde.'
Wederom vier er een stilte. De koning zat echter te knikken, en mompelde na een poosje 'hear, hear'. De dame keek geinteresseerd naar de vertwijfeling. Hoe zou hij dit opvatten?

Wednesday, December 3, 2008

het oppakken van de draad

Hoe het verleden los te laten?
Ik ben me er op de gewone momenten die tot dag aaneen worden geregen niet eens van bewust dat ik er aan vast houd. Maar wakkerschrikkend uit dromen merk ik het - en ook het vage vlies van weemoed waarvan ik me soms om me heen gewaar word suggereert dat er nog vele dingen spelen, in mijn zenuwstelsel, in mijn klieren en mijn hart, onafgemaakte herinneringen. Draden die door mijn leven liepen en die ik op een gegeven moment heb losgelaten. Ik wil die draden dolgraag weer oppakken, maar waar liggen ze? Waar zijn de uiteinden terechtgekomen? Of, dramatischer, wie is er mee aan de haal gegaan?

Het verhaal van mijn leven ontspint zich niet met de vaart waarop de motor het lekkerst bromt. Het hapert en hakkelt teveel, blijft in de stad in z'n twee, op de snelweg in z'n vier, ingesteld op bochtige weggetjes met veel tegenliggers. Terwijl voor me een open ruimte ligt: de open ruimte van de toekomst. De zon komt op boven de horizon, dauw vervliegt in kleine regenboogjes, mijn aandacht is gevestigd op het eventuele afslaan van de motor, op kuilen in het asfalt.

In de verre verte, ver voorbij die stomende gouden einder, daar liggen mijn toekomstbeelden. Het waren ooit plannen en doelen, nu zijn het niet meer dan dromen, nu de uiteinden van de draden in mijn ziel onder lagen sediment zijn weggeslibt. Raak ik ze ooit nog aan, graaf ik ze ooit nog op?

Ik zou bijna gezegd hebben: De tijd zal het leren. Maar het enige dat de tijd me leert is dat het verleden verder weg raakt, en daarmee ook mijn ziel. 'Tegen de tijd in, rebelleren tegen deze rechtlijnige leraar!' roept mijn geest. Mijn geest heeft soms goede ideeen. Maar ook makkelijk praten.

Saturday, November 29, 2008

Geen zeker

Ik neem niet meer aan dat wat ik wil, al bereikt is. Ook niet als metafysische noodzakelijkheid. Want wat ik wil, dat definieert mij, en als mijn definitie al volmaakt is, als mijn definitie 'volmaakt' is, dan ben ik niet meer.

Klinkt logisch. Maar voor een ongeduldige geest is dit een heel moeilijk te accepteren houding ten opzichte van de wil.

'Geen zekerheid meer, juist liever onzekerheid'

De smaak van wat heilzaam voor me is. Shushi. Spaanse worst.

droomblik

Adelaar krast.
Mens houdt huis in het woud, slacht konijnen, maakt een ravage van het gewas.
De maan beschijnt een doorn in een struik, nat van dauw en oud, oud bloed
Tegen de wint in krijst een merel, die wil laten weten dat ze het er niet mee eens is.
Een man kruist het pad van een kind, en neemt het op zijn schouders. Samen lopen ze naar de poelier en kopen een kippetje. Een goed maal volgt. Dan: slaap aan het kampvuur. Het vuur gaat uit, de nacht treedt in, de dromen wervelen door het kindje. Het wordt wakker en roept om hulp. De man is weg.

Monday, November 24, 2008

De vlakte

De bus stoof door de vlakte. Rood stof steeg op uit de bruingeblakerde grond en schuurde langs de doffe, beschramde ramen. Het woestijnachtige landschap werd een met mijn gedachtegang. Wolken vormden zich uit het niets en dreven een eind mee met onze reis. De bus zat vol met figuren zoals ik - sujetten met onduidelijk bestemmingen en een slapende wil. Een wil die in coma was geraakt toen hij in zijn geheel geblokkeerd werd door een onverbiddelijke omstandigheid. Een wil die ooit zou ontwaken, maar nu, in zijn dromen, de wereld moest ondergaan zoals die buiten hem om bestond, en zijn gang ging. Een wil die moest leren, die moest integreren bij de werkelijkheid van oorzaak en gevolg, waar hij het liefste buiten stond, als soevereine oorzaak en gevolg van zichzelf.

Ik dwaalde met mijn gedachten op de wil, mijn wil en de wil van God - ik geloofde niet in God, maar diens wil vond ik een onweerstaanbare gedachte. Een almachtige wil, wat lag daarin niet aan mogelijkheden? De macht die je aan je zijde hebt als de oerkracht van het universum tot je beschikking staat - ik hield me nooit zo bezig met de liefde van God. Liefde en macht, twee volstrekt ongerelateerde onderwerpen.

Ik heb lang door die woestijn gereden, peinzend, mediterend, de blik op oneindig en mijn gedachten droog en verhit, zoekend naar macht, alle concepte van God die ik tegenkwam uitmelkend tot de laatste druppel, en dan weer verder naar de volgende. De volgende God, de volgende gedachte, de volgende kluif voor mijn machtslustige brein.

Tuesday, November 11, 2008

Need & Desire

According to one poster, desire is a derivative of need. This was disputed by another one.
My question to the second power would be; what is it that claims for desire a different essence than that of need? And the first one I would ask; is need a sufficiently powerful drive to sustain life?

Need. How can it be qualified? . Need = that which one cannot live without. Yes, but why does one need to live?
The second poster could answer: to fulfill desires. Need, then, becomes equal to desire. We need to fulfill our desires.

Sophistry... bah, I've not evolved much since I rejected absolutism.
But the question continues to puzzle me - the subject of this need is elusive.
One may say 'life', the other 'that is different for everyone'. A third might say 'power'.
That is interesting. Why do we need power? Someone might smile a grin, and quote Nietzsche:
"What is good? — All that heightens the feeling of power, the will to power, power itself in man.
What is happiness? — The feeling that power increases"

I would scratch my head and try to figure out if progress has been made with the search.
Good leads to happiness, through the will to power. Happiness is the feeling of increased power.

I'd want to ask the first poster how need plays into this. Do we need to be happy? If not, why do we pursue it? If so, how different is need from desire? What is more important, something that we need, or something we have desire for?

We need food. We have desire for sex. Without food, we die. Without sex, our race dies.

In this light desire appears more altruistic than need.
Do we not favor those with the greatest desire over those with the greatest needs?

If so, it is important for humans to have desire. We need desire. It is what makes our needs worth satisfying.

Sunday, November 2, 2008

Pulp en Klei

Ik ben hier terug bij oude bruggen,ooit achter me afgebrand, nu weer in aanbouw. Ik kan met een touw naar de overkant, terug naar het verleden. Ik ben er 's nachts geweest, ik heb er aan de natte bladeren gevoeld, het hars geroken, de bast van een jonge boom gestreeld. De aarde was omgeploegd door hoeven en wielen, maar de regen had haar weer tot pulp gemaakt.

Voor het schemeren ging ik terug, en balancerdend op het touw keek ik uit over het ravijn. De lucht werd zichtbaar.

Friday, October 24, 2008

Gezond malen

Wat is de grond van de grondvraag? Die vraag heeft geen grond in de grondvraag zelf, maar is een afgeleide van het bespreken, welks zijnd wij zo veel mogelijk paralel trachten te laten lopen teneinde niet te interfereren met het wezenlike vragen van de grondvraag. Het 'Zich afvragen' is niet genoeg, maar kan een gezonde gewoonte zijn zolang het geen piekeren wordt. Nochtans is het niet waarschijnlijk dat men met het zich vragen van de grondvraag een aanvang zal nemen als direct uitvloeisel van dit 'gezonde malen'

Het gezonde malen bevind zich ruwweg tussen 12 Herz en 20 Herz.
Langzamere hersengolven produceren slechts waanbeelden, hogere dienen alleen geactiveerd te worden in serie met lagere. Wat we niet willen bereiken is paniek - het vragen moet geen perplexiteit worden.

Vergelijk: 'To die, not to perish' -
Zo is het ook met het vragen, wat in werkelijkheid een negatief zijn is.
Positief zijn is het antwoord zijn.

Wednesday, August 20, 2008

Geest

De geest. Wat is dat eigenlijk? Heeft uw wel eens geprobeerd uw geest te volgen? Zijn gangen na te gaan? U zult dan merken dat degene die de gangen van die geest nagaat, deel uitmaakt van diezelfe geest. Dit veroorzaakt een interessante situatie binnenin het hoofd, waar we het verder niet over zullen hebben.
Wat zeker is, is dat geest afstamt van dezelfde stam als Geisser, ofwel bron. De geest is dus een bron. En uit een bron komt iets gespoten, dat ik geestdrift zal noemen. Geesstdrift is datgene wat ons mensen bezig houdt.
Het tegenovergesteld evan geestdrift is verveling. Wat is vervelng? Is verveling wel iets, of is het alleen eengebrek aan geestdrift? Het is in ieder geval vervelend om het erover te hebben, en gaat dus ten koste van mijn geestdrift. En zonder geestdrift kan een mens niet schrijven.
Wat roept geestdrift op uit de geest? Wat blokkeert het? Ik ben van mening dat de geest in principe voortdurend geestdrift produceert, maar dat de mens niet altijd in staat is deze vrij baan ter laten gaan Veel new-age gnostici en andere reiki healers zullen het met mij eens zijn. Zij hebben allen hun methoden om de geestdrift zijn weg te laten vinden. Tegenwoordig zijn er zoveel van dit soort mensen actief, dat men zou kunnen concluderen dat er iets structureel mis is met de geestdrift in de wereld. In andere woorden, men verveelt zich. Oud nieuws, natuurlijk. Een welhaast vervelende statement, zo afgezaagd als hij is. Maar wat wel interessant is, is om deze verveling terug te brengen naar de bron. Onze geest wordt belemmerd om zichzelf te uiten. Er zijn teveel blokkades, om met de reiki healer te spreken. Blokkades die bestaan uit zaken die de geest zelf heeft voortgebracht, dat kan niet anders. Geestdrift zelf heeft dus de blokkade van de geest mogelijk gemaakt. Waarom werkt dit zo? Waarom vloeit niet alles moeiteloos uit zichzelf voort? Alleen deze vraag al is een bewijs dat dit allerminst het geval is.

Monday, August 4, 2008

Een mens tussen mensen

Het schip kliefde zwaar door de binnenzee, en A stond met een vergeten peuk tussen zijn lippen tegen een zwaar metalen pijp aangeleund op het achterdek. Hij tuurde over de grauwe baren de verte in, maar zag niets. Zijn gedachten waren verzonken in moerassen van weleer, waar in kolkende gifbellen akelig lege ogen in spierwitte gezichten hem aanstaarden. Zijn slachtoffers. Geslacht had hij ze, maar aan welke godheid hij daarmee offers had gebracht en waarom, dat was hem niet duidelijk. Hij probeerde het te achterhalen, hij groef en groef, zocht in het diepst van de herinneringen die boven wilden komen drijven, maar beweegredenen voor de moorden kon hij tot nu toe niet vinden. Hij had het gewoon gedaan, was 'savonds, enkele uren voor zonsopgang, in zijn Jeep gestapt. In de achterbank lag zijn bruinlederen tas met keukenmessen, onder een reservewiel lag een roestige, dikke ketting en een bijl had hij onder zijn stoel geschoven. Hij had er niet bij nagedacht, voor zover hij zich kon herinneren, hij had de auto gestart en was weggereden van het krot dat hij zo haatte, het krot waarin hij woonde. Nu stond hij hier, later, op de vlucht, op de vlucht ja, maar voor wat? Niemand die hem zocht, niemand die de dood in de bossen van drie jongens en een jonge vrouw met hem in verband bracht, hoe zouden ze dat kunnen? Geen motief, geen dit, geen dat, geen niks. Maar hij vluchtte. Hij had moeten vluchten, ontsnappen, voelde hij, zo zeker als een spijker door een bot, zo scherp was de pijn die hij voelde, die hem voortdreef. Maar nu, op het schip, in de grauwe zee, had hij even rust. Waar die rust vandaan was gekomen, vanwaar die plotseling over hem neer was gedaald, hij had geen idee, en hij wilde het niet weten ook, hij wilde nooit iets weten. Dat deed alleen maar meer pijn, dat knarste in zijn hoofd, als de bankschroeven die jaren lagen te rusten, genesteld in roest, en dan plotseling, met venijnig, afschuwelijk gekraak, ineens losgerukt, de open ruimte in, akelige open ruimte...
Zo stond hij, A, tegen zwaar metaalwerk, peuk, lang uitgegaan tussen zijn gebarsten lippen.
'Meneer... meneer.... Meneer?' Zo schrok hij uit zijn leegte. 'Wat?' Het jongetje sprong weg. Zijn stem had hard geklonken, raspig. Hij realiseerde zich dat hij dagen niet gesproken had. 'Wat wil je?' voegde hij er, zachter, aan toe. 'Ik... ehm, weet u hoe laat het is?' Hoe laat? Nee... hij had Godswerkelijk geen flauw idee hoe laat het was. 'Nee, jongen, sorry. Dat weet ik niet, hoe laat het is...' en zo veronk hij weer in flarden en beelden, van de tijd, de tijd die verstreek, aan het verstrijken was, steeds maar verstreek, ongeacht of iemand zich eraan vastgreep of niet. Mensen waren vrij, zwommen spetterend in meertjes, of niet, anderen zaten gevangen, geketend in natte kleine betonnen cellen, onder smalle raampjes met tralies ervoor die overbodig waren omdat het raampje toch veel te klein was om doorheen te kruipen, behalve misschien als je dun was, heel dun... 'Maar waarom kijkt u niet op uw horloge? Of is het stuk?...''Wat?' hoorde hij zichzelf weer raspen. Het kind was niet geschrokken, nu niet meer, deze keer, nu al gewend aan zijn nare stem, zo snel al... 'Nee, het is niet stuk. Maart ik wil er niet op kijken!' Dat riep hij zomaar, en hij vroeg zich af waarom hij niet op z'n horloge zou willen kijken. Het kind vroeg het zich ook af. Het vroeg het hem. Hij had er geen antwoord op. 'Waarom niet dan?' 'Ik weet het niet! En ga nu weg, jongen!' gebood hij het kind, beslist. Maar het kind was koppig. Stompzinnig... Wist het dan niet... nee, natuurlijk wist het het niet. Kon het dan niet aan zich gezicht zien.... Dat hij slecht was, gevaarlijk? Wacht, hij zou hem helpen. 'Ga weg jongen!' baste hij, en liet zijn tanden zien. Grote ogen zette het kind op. Toen lachte het. Het wees naar hem, spottend, alsof hij een manke teddybeer van een buurmeisje was. Woedend werd hij plotseling, vreselijk kwaad! Hij deed een stap naar het kind, met toegeknepen ogen. Zoef, weg was het kind. Kirrend. Hij vloekte, grof, en ging naar binnen. Daar rook het naar koffie en snoepjes en koekjes. Walgelijk, dit land. Hij haatte het. Hij voelde een vreselijke haat tegen alles in zich opkomen. Hij hield ervan, van die haat, als enige. Het was het enige waarvan hij hield, de haat. Haat, haat, haat! Het maakte hem voldaan, vol, vervuld, voor even, toen was er alleen nog haat.

toch?

Het is waar. Dat is een feit. Maar wat is waar? Dat het gras groen is. Maar wat is groen? Groen is de kleur van het gras. Maar wat is gras? Gras zijn die sprieten die de velden bedekken, en die groen zijn, maar soms ook geel. Als de zon. Wat is de zon? De zon is het gele gezicht dat de wereld toelacht. Waarom doet het dat? Omdat wij anders niet zouden bestaan. Wie zijn wij? Ik, die dit schrijft, en jij die dit leest. Maar leest iemand dit? Ja, anders bestaat deze tekst niet, en hij bestaat wel dat lees je toch zelf!



[1999]

Alles behalve een madeliefje en ook nog een madeliefje

Het leed was geschied, en nog voordat iemand, laat staan de jonge schrijver, die toch dom en blind was en ook doof, er erg in had, was het dorpje tot gruis vergaan. WAT STOM ZEG! zeg je misschien, maar dan had je wel FOKKING ONGELIJK! en was je ook bovendien een fokkimg STOM ZWIJN! Begrepen? NIEMAND, immers, spreekt mij tegen, als het op paardebloemen aankomt, en al HELEMAAL niet wanneer het MADELIEFJES betreft.
Zo, in die sfeer enigszins vertoefde de dag en verstreek hij en de bloemetjes en de bijtjes MADE LOVE all night long. En hoe die fokking kankertaal nou weer in dit RAZENDSNELLE vertoog geslopen was wist ik ook niet, verdomme. VLOEKEN schaadt de gezondheid en Leonidas bonbons zijn GRUWELIJK, om niet te zeggen AKELIG lekker. Over STRUKTUUR gesproken hebbende en over HAAT, en over GASTARBEID in het BELOOFDE LAND, verdwenen de wolken omdat ik ze uit de Hemel KICKTE. HAHAHAAAAAAAAAAA! Wat een belachelijk TENTENKAMP heb ik nou weer geschapen. Ik ben het dan ook AB-SO-LUUT niet met het bestaan ervan eens, en neem me ten stelligste voor het ongedaan te maken. ONDERTUSSEN tsjilpt het onverstoord door in de bosjes, en weet ik niet wat het er nog allemaal voor VUNZIGHEDEN bij te pas brengt. Met dat soort dingen laat deze schrijver zich niet in, gelukkig voor zijn lezers. ANDERS zouden ze zich maar verliezen in hele poelen van lichaamssappen zonder dat daar nou in het bijzonder enige vluchteling mee wordt geholpen of dat er verder een of ander LEED uit de wereld verdwijnt. KUKELEKUUUUUU! beweert plotseling een zeker HAAN, maar wordt onmiddelijk afgebekt door een duitse hoen die aldus spreekt: TSJERP-DETSJIIIIIRP! en plots ging het verhaal over iets heel anders dan dat kruispunt in het smerigste deel van de stad waar de nietsvermoedende, doch eeuwigheden overpeinzende wandelaar SNOEI-HARD door een tram uit zijn voegen werd gerukt, zonder dat dat mij een BIET interesseerde. En dan hebben we het niet over de BEAT, want die ging RAM-BAM-BENK! KLANGELANGELANG-KLA-BRAZAAACK! En het madeliefje was roze met geel en boog o-zo vredig onder de storm.

[Terschelling, 1999]

Friday, July 18, 2008

Dagboek uit Damascus

Het gezang begint en vermengt zich met het geronk en getoeter vanuit de straten en het plein onder me. Het is niet duidelijk of het nou bewolkt of helder is. Een permanente waas van uitlaatgassen verhindert direct zonlicht de stad te beschijnen.
Ik moest hard lachen toen in in Beirut op tv de inwijding van Saddam Hussein voor nog zeven jaar aan het hoofd van het land zag. Dit gebeurde symbolisch door het overhandigen van twee voorwerpen. 1) ter symbool van kracht: Het Zwaard, dat Saddam heel stoehaspelig na vier pogingen in de schede wist te wurmen. 2) ter symbool van intelligentie: The Giant Pencil, wat werkelijk een podloot van een halve meter lang bleek te zijn.
Net als in New York zijn hier de helft van de auto's taxi's, en net als in New York zijn ze allemaal geel Met z'n allen rijden ze rondjes om het plein.
Achter me - ik zal niet omkijken - is het Syrische ministerie van veiligheid en geheime zaken - Wesam schrok toen hij hoorde dat ik vannacht van mijn balkon had gefilmd. Hij verdacht meteen de twee mannen die hier de namen van de gasten waren komen opvragen ervan dat ze op zoek waren naar mij. Misschien had hij nog gelijk ook.
Hier beneden hebben ze een aantal smoezelige bioscoopjs waar ze B, C en D-films draaien, van Van Damme en When Dinosaurs Ruled the Earth tot lokale soft pornofilms. Een daarvan ga ik zeker een dezer dagen bezoeken.

Ik heb een hamburgertent gevonden. Laf, maar mijn darmen zijn al de hele week van slag. Het heten - vooral in Libanon - smaakt zeker niet slecht, maar het is blijkbaar op een manier klaargemaakt die niet past bij mijn lijf.
Ik heb besloten door de stad te gaan lopen en dat ben ik ook gaan doe - maar het is hier zo stoffig en benauwd en ik kan zo moeilijk communiceren dat ik me afvraag of het me wat oplevert. Ik hou ervan alleen te zijn, maar in Arabië verdwaalt een eenzame westerling toch snel. Denk ik.
Hamburgers.
Bweurrr - was dat nou lekker? Nee. Hetzelfde lijzige smaakje dat veel eten hier heeft. Ik denk terug ana de maaltijd die Mariël me vooschotelde de dag voordat ik hierheen vloog - in de zeven kleuren van de regenboog.
Een man wil m'n blikje cola wehalen - maar dat heb ik nog hard nodig om m'n maag te kalmeren.

Ik had een droom dat ik plotseling een prachtig appartement aan de Dam had, op de plaats waar Krasnapolsky staat. Arie vroeg zich af hoe het zat, dat ik toch net bij hem was komen wonen - ja inderdaad, ik had nu twee huizen, en ik had al mijn vrienden op bezoek.

Pfoh, die hamburger valt niet goed.

Wat doe ik hier? is nog steeds de vraag. Jim Morrison zong 'there are only four ways to get unravelled, one is to sleep, the other two travel'. Deels is het zo dat ik te weten ben gekomen wat ik niet wil: politiek-maatschappelijk filmen. De lauter esthetische beelden die ik gisteren van meelf het het groene licht van mijn hotelkamer maakte deden me meer dan alle interviews met de Libanezen in de voormalig bezette gebieden. Ik verwonderde me daar toen ook al over. Ik wist dat het bijzonder was wat ik voor de lens kreeg, maar het boeide me niet. Behale het gezinnetje in de olijfboom en op de eerste dag het gezin van Wesam's schoonfamilie, op die open pario met moeder de vrouw in het midden en al die kinderne die over de gallerlijen in het rond renden. En dat meisje dat me door die balon met haar grote ogen aanstaarde. Jammer dat ik daar niet mocht filmen.

De muziek gaat aan.
Ik kijk uit over de grote bergrug die Damascus omringt en waarop zich de arme wijken bevinden.
Twee jongedames zonder hoofddoek lopen langs. Die zijn hier meestal minder mooi dan de vrouwen mét.
De hamburger begint een beetje te zakkeb. Ik stap straks maar weer eens op. Een militair loopt binnen en vlak langs me, en kijkt me in het voorbijgaan erg gevaarlijk aan.
Ik heb de Israelische geheime dienst al achter me aan, nu ook nog die Syrische - goed, ze vechten het samen maar uit.

Het military museum. Een rustiek, vredig parkje met stelletjes die elkaar zacht toefluisteren op de bankjes, onder de koele schaduw van de vleugels van een bommenwerper. De logica van de arabische wereld ontgaat me soms toch echt. En dat dat niet zo vreemd is ontdekt ik toen ik, in een Shi-itisch informatiecentrum, er na drie pogingen in slaagde een boek open te slaan, en merkte hoe fundamenteel anders het voelt om van rechts naar links te lezen.

Die droom die ik had over dat huis aan de Dam - nadar alle vrienden weg waren kwam de huisbaas binnen voor een inspectie - een vlotte joongeman - en die vertelde mij dat het duidelijk was dat ik homo was. Ik ontkende dit, maar hij hield stellig vol - hij had al zijn argumenten klaar - ik kan me niet herinneren dat ik overtuigd was.
Volgens ene Osho, een sprituele gast die volgens Muhab, een vriend van Wesam in Beirut, voremoord is door de CIA, is homosexualiteit een symptoom van het verliezen van de wil tot leven. Hij had ook zijn ergumenten klaar. Ik heb toch een zekere zus die het tegendeel aantoont.

Een man op een bankje neemt een slokje thee. Ik word al wee als ik er naar kijk. Ik heb véél teveel van dat spul gedronken hier. Brrrrr. Geef mij maar het koude, regenachtige Nederland.

Krekels tsjilpen. Twee jongensstemmen galmen. 's Nachts is de sfeer die door de open balkondeuren naar binnen komt meer die van een dorp dan van de oudste stad ter wereld met zes miljone inwoners.
Ik heb net in de 'common room', die grenst aan mijn kamer, met twee Arabieren Mars Attacks gekeken. Zij zaten hem te kijken toen ik terug kwam van een late tocht op zoek naar voedsel. Na een stuk door de stille volle maanverlichte stad te hebben gelopen kwam ik bij een zaak waar ik zowaar croissants in de vitrine zag liggen. Daarbij hem ik voor moregen ook nog een tonijn-sandwichen een stuk chocoladecake gekocht. de man achter de toonbank was ontroerend lief - op het lachwekkende af - zo blij als hij was iemand uit Nederland e bedienen. Je hebt mensen met die instelling hier, net als het tegenoergestelde. De jongen bij de kassa lachte een beetje plichtmatig, en dacht er het zijne van.
Op een terrasje bij een sap-zaak waar ik een groot glas verse jus kocht, dronk ik en at ik de twee croissants. Onderwijl kwam 'Civil War' in mijn hoofd (en daarna nog wat liedjes) en zingend liep ik terug naar het hotel, waar Mars Attacks aanstond. Onderweg kreeg ik een moeilijke blik van een kauwende soldaat bij een van de wachthokjes hier in de straat, toen ik hem aan bleef kijken in het voorbijgaan. Een reuze-spannende dga was het weer. De tas fruit en de croissants hebben mijn darmen overigens goed gedaan - mijn poep is niet meer vloeibaar.

Maar dat was tijdelijk, helaas. De lucht is nu echt blauw - dat kan dus ook, maar ik heb alle behoefte verloren om naar buiten te gaan. Ik moet hier nu bekend staan als de man die in zijn eentje de grootste kamer heeft en die er alleen uit komt om te poepen. De hotelbaas voor dit etmaal vroeg me of ik voortaan het WC papier in het vuilnisemmertje wilde doen in plaats van het door te spoelen. Hoe laat zou het zijn? Pas een uur of twaalf, denk ik - nog 40 uur te gaan, totdat een taxi me komt ophalen een naar het vliegveld brengt. 'T is twenty years till then...
In Beirut, de laatste avond, ging ik op zoek naar een bar, en kwam twee Noordamerikanen tegen - her schiet me nu te binnen dat had ik hun niet aangesproken en met ze mee naar de Smugglers Inn gegaan, ik op de kade bij de zee zou zijn aangeland, wat de hele koers der dingen had kunnen veranderen - dan had ik géén kater gehad en misschien besloten om wél de hoge Hezbollah figuur te interviewen - hoewel, nee, Wesa durfde dat interview soweieso niet meer aan met mijn camera.
Hoe kom ik de dag door? Misschien toch maar het Wainamoinen boekje lezen. Ik heb ook nog steeds wel zin in een slecht B-film.

Ik droomde vannacht dat ik met nieuwe kung fu broeders, net ontmoet, naar de wing tjun dojo ging op hen een proefles te laten nemen, toen één van mijn ming tjun broeders zijn hoofd door de deur stak en net wist uit te brengen: De Dai Shing... Daishing Benno bleek dood te zijn gegaan! Net als alle anderen die daar al waren barstte ik in huilen uitm en steeds was er het beeld van de meester, aardige, intelligente en soepele Friese geweldenaar.

Shuddaj. You cannot put an elephant on an airplane.
Dat was heftig. Een man met een baard bij het stalletje waar ik noten kocht - ik groette hem, en toen gierde hij het uit in een volsrekt maniakale lach, en zei dat ik bang voor hem was.
Ik had eerder op de dag besloten toch de tocht te wagen naar de huizen op de bergwand, die je van overal in de stad ziet, waarvoor Saleem, de vrolijke vriend van Wesam, me had gewaarschuwd als 'popular' wijken. Natuurlijk bleek dat daar, zodra de straten begonnen te stijgen, de glitterwinkels die overal in de stad hetzelfde zijn, uit het beeld verdwenen en de stad een kakakter kreeg. De straat die ik besloot tot het eind te volgen liep stijl omhoog, met al stoep een trap. Met alle glitterwinkels had ook de Kalverstraat-drukte plaatsgemaakt voor een rust - her en der een mens of een auto. Toen ik op een gegeven moment omkeek zag ik wat ik had willen zien: de stad van bovenaf. Enorm. Tot zover ik kon zien strekte hij zich uit, tegen de roodblauwe lucht van de vallende avond.
Ik kwam bij een muur, de straat liep dood. Ik klom via een trapje op de muur en ging zitten. Voorbij de muur begon een soort steeg-erf dat ik maar als privéterrein beschouwde, en uit discretie niet betrad. Ik zat hier ook mooi genoeg van het uitzicht te genieten en mijn hart tot rust te laten komen, toen een vuurpijl van een dak nar beneden in het straatje vloog. Vanachter een dakrand, een meter of twee hoger dan ik staken drie jongenshoofden omhoog, die tegen me begonnen te roepen, en met hun duim en wijsvinger tegen elkaar begonnen te wrijven. "Heey! Excuuuuuuse me! Ho! Heeey! Buisiness!!!" riepen ze ze, onderwijl Michael Jackson-achtige gebaren makend. Ik maakte een gebaar van 'ja, het is goed met je', en ze verdwenen weer achter de dakrand. Ik rochtte mijn blik weer op de gloedvolle lucht waartegen het zeer esthetische silhouet van tientallens chotelantennes zich aftekende, toen ik vanachter de dakrand onder gegiechel een salvo water tevoorschijn zag komen. Ik had geen tijd om het te ontwijken, het was niet echt veel, maar ik rook aan m'n kleren of het niet iets anders dan water was. Op dat moment volgde er nog een salvo, waarop ik opstond. Naast me stond ineens een klein jongetje dat dezelfde gebaren als zijn vrienden op het dak aan het maken was, en ook "Money" en "buisiness" en "excuuuuuuse me! hallo!" en zelfs iets dat leek op "tha dough" herhaalde, als een plaat met eenkras erop.
Ik was niet van zin mijn portomonee tevoorschijn te halen en bankbiljetten te gaan uitdelen, dus ik ging er niet op in, maar toen maakte hij een mooi gebaar: hij riep nog eens 'buisiness' en speelde dat hij met duim en wijsvinger een muntje in de lucht schoot, zoals je wel eens in Amerikaanse films ziet. Ik volgde zijn voorbeeld, met een echte munt, die in plaats vanin zijn hand beneden ons muurtje op de straat terecht kwam. Hij snelde de trap af, opgewonden roepend tegen zijn vrienden op het dak, en ik volgde hem naar beneden, waar ik hem mijn overige munten gaf en hem op zijn kortgeschoren bol klopte. Ik vond het een goed moment om te vertrekken, voor ik straks de hele buurt aan mijn broek had. Ik begon naar beneden te lopen toen ik een schavend geluid en een schreeuw hoorde, het jongetje was in zijn opwinding op de stenen gevallen. Moeilijk stond hij op en roepend verdween hij een steeg in.

Weer in de iets lagere wereld met wel al winkels, maar bepaald geen van het glittersoort, kocht ik een pen - deze - bij een zaakje waar ik wel iets moest kopen - de etalage viel me op omdat er wel objecten in stonden maar allemaal zo schimmig en onsamenhangend dat het niet lukte om er ook maar op één de aandacht te verstigen. Ik twijfelde, en gluurde tussen de objecten door naar binnen, en toen ik achter de toonbank ook pennen zag, betrad ik het piepkleine winkeltje, Tegen de muur naast me stonden een aantal dozen met speelgoed dat weliswaar westers was, maar van een archaisch slag, dat nooit tot Nederland is doorgedrongen.
Ik wees een pen aan, testte hem en betaalde, Toen liep ik verder naar beneden. Daar kwam ik, in een al kapitaaldragende zone, bij het voornoemde notenstalletje.
De man die daarnaast op een krukje zat had een grijze lange baard en groen gewaad, en heel vreemde, glasharde groen-bruine ogen met ovale pupillen. Hij sprak wat duits, en richtte ich tot me met een gierende lach, die hij bleek te hebben geslaakt in de observatie dat ik bang voor hem was. Ik was zelf nog niet tot die conclusie gekomen, maar kwam er al snel, door een ziekelijk gevoel in mijn buik, achter dat hij gelijk had.
Na een onbeduidend stuk gesprek dat ik me niet meer herinner zei hij uitdagend: Weisst du Osama Bin Laden Er ist eine Gute Muslim! A Good Man! En hij gierde het weer uit van het lachen.
Ik was hierheen gekomen in de veronderstelling dat vrij veel mensen hier die mening zouden zijn toegedaan, maar tot nu toe had ik alleen maar mensen gesproken die de aanslagen veel sterker dan ikzelf veroordeelden als van slechte moslims, of dachten dat de Zionisten ervoor vrantwoordelijk waren. Maar nu was er deze man, die zijn naam voor mee vertaalde als Mohammed Glücklich, hier in zijn eentje in het 21ste eeuwste straatbeeld precies de engel des doods stond te zijn die je in Bin Laden ziet. Die ogen waren écht eng. Niet menselijk, eerder van een hagedis of een slang.
Zolang hij me niet aanraakte - daar was ik voornamelijk bang voor - was het uitdagend om met hem te praten. Ik vroeg hem of hij dan niet dacht dat de aanslagen gepleegd warne door de Amerikanen zelf, om een excuus te hebben voor het voeren van oorlog. Deze mening bleek niet nieuw voor hem, maar hij schudde zijn hoofd, en zei: "America, Pflllrrrr" terwijl hij met zijn duim omlaag wees. Amerika down the drain, so to speak.
Ik kon hem niet volkomen ongelijk geven, het gaat niet helemaal goed met dat land, als ik de uitspraken van de politici daar hoor. Maar of deze man iets beters vertegenwoordigde? Hmm. Wel iets sterks, iets glas-hards. Zo aan die ogen en lach te beoordelen. Hij en zijn soortgenoten tegen de harde kern van het wapenkapitaal, die gaan veel verderf naar het oppervlak halen voordat ze elkaar kapot hebben gemaakt.
Ik heb nog steeds dat gevoel in mijn buik.
De maan is vol.
Op weg terug bevond ik me ineens temidden van mismaakten en gehandicapten, terwijl ik zelf voortdurend 'You cannot put an elephant on an airplane" bleef herhalen. Ik zal blij zijn als ik veilig op Schiphol land. En hier kom ik voorlopig niet meer terug.

De volgende ochtend.
Nu ik naast diaree ook nog keelpijn heb begin ik toch een pesthekel aan dit land te krijgen. Alleen Polen is lelijker. Ik droomde net dat ik met Vincent en Sander L in het vliegtuig zat en dat we landden in een tunnel - en ineens hoor ik Vincent zeggen: "Dit overleven we nooit." En inderdaad, de piloot stuurt zodanig dat de vleugel hard tegen de muur schampt, maar het toestel ontploft niet. De volgende paar haarspeldbochten (erg handig in een landingsbaan) neemt hij op het nippertje zonder schade.

[Damascus, 2002]

Thursday, July 17, 2008

Eufemysmus' vlucht voor het Konijn

Het stupide konijn ploetert in het afgrijselijk krappe kooitje dat ik net, noodgedwongen door de allesverterende stank die ervanuit ging schoongemaakt heb, om iets te bereiken. Zich er thuis te voelen? Nu z'n vloer niet meer bezaaid is met z'n eigen schijt schijnt het zichzelf er niet meer in te herkennen. Stom grijs kutbeest, kill yourself, hang yourself wit a barbed wire, put yourself out of your misery! Net probeerde het de ijzeren staven van zijn gevangenis door te knagen.
Voor me, op mijn matras, staat een whiskeyglas met appelsap, uit Bryan's krakkemikige stereosetje klinkt Anu DiFranco. Voor me aan de wand hangt een kleed vol egyptische ikonen en een staafje wierook doet verwoedde pogingen de amoniakstrontstank te overmeesteren. Als het daar al in slaagt zal het maar voor even zijn. Incence burns. Shit stays.
Eufemysmus zat in kleermakerszit op de vochtige stenen van zijn cel. Hij keek omhoog, de duisternis boven hem was te dicht, te machtig om met zijn blik te doordringen. Hij zuchtte en streek met zijn hand langs zijn kin. Hoe zou het komen dat hij geen baardgroei had? Misschien het karige voedsel, misschien het gebrek aan perspectief in zijn gedachten aangaande de realiteit, misschien was er ook wel een simpele biologische verklaring, misschien was er iets misgegaan bij zijn geboorte, ooit, in een andere wereld, in een andere tijd, in een werkelijkheid die hem nu onwerkelijker voorkwam dan de bizarste flarden van dromen die hem kwelden of streelden gedurende de koude nachten hier, in zijn wereld, hier in zijn kerker.
Diep in de lege blik, de glanzende ogen van zijn versteende metgezel zag Eufemysmus zijn eigen ogen ontvlammen. Een vlijmscherpe steek van schrik boorde dwars door zijn hart en nestelde in zijn ruggegraat. Zijn keel sloot zich om zichzelf als de afschuwelijke grep van een anaconda, zonder te twijfelen stierf hij met aan zijn lippen een wraakzuchtige grijns.
De ratten in de kieren van de muren keken elkaar aan, diep geschokt.

Ver, ver weg, zeven keer zeven keer zeven horizonnen verwijderd van alle ellende, proefde twee zoete lippen een vleugje eeuwigheid en wentelden zich in een genadeloos verleidelijke glimlach.
Legioenen vielen en vervielen tot gruis. De wind nam ze moeiteloos mee en strooide ze uit gedurende drie vruchtbare jaren.
Steden verreen en sterren vergingen, zonder dat een mensn in de steden daar ooit iets van te weten zou komen.
Wijze schepselen zwegen in berusting, dwazen spraken, joelden en gierden van het lachen en vielen in slaap, precies zoals ze de vorige avond hun staat van bewustzijn verlieten, terwijl de wijzen de maan in haar heldere oog keken en dachten aan wil, futiliteit en verschrompelde pracht die de noodzaak benadrukt en ontkent.

Laila zat op haar vaders leren bank en dacht aan gemaskerde mannen die haar kleren met hun degens aan flarden sneden, Ze bewoog haar bezwete dijen langs het strakgespannen leer en genoot van het geluid dat ze daarmee veroorzaakte. Ze hoopte, ze dacht en ze droomde, maar ze wist het nog niet, ze wist het niet, maar ze zou het spoedig te weten komen, want dat was haar lot.

"Een boek, een boek," dacht de schrijver in circels, "en waarom?" De vragen wilden niet gaan slapen, als hyperactieve kleuters die voor alle lomscholen waren afgewezen en rusthuizen in lichterlaaie zetten.

Langs de snelweg stonden zeven cactussen, verguld van bitter sap, dat in staat was verlangens op te wekken, verlangens naar gouden universa en bruine café's. Het konijn dronk verwoed en moest sterven het papier was zo snel van essentie veranderd dat het opging in vlammen.

[1998, Madison, Wisconsin]

Karakter

Ik liep tegen de avond aan, het gras was nat onder mijn voet.
een kristallen druppel trok mijn aandacht. Eruit kwam een bij, Die vertapte ik. Ik keek naar de rode gloed voor me. Ik keek omlaag en zette het op een lopen, blindelings het onbekende van de aanlokkelijke nacht in.
Sterren duizelden, een spiraal van lichten omvatte mijn hoofd en ik zweefde heerlijk machteloos naar de tafel waar de kosmische handen me op zouden plaatsen.
Neergelegd onder messen, niet bang, nieuwsgierig.
De pijn is niet voelbaar.
Toch schreeuw ik, maar onhoorbaar.
Alles lijkt een formaliteit.
Ik sta op de grond, stevig geplant, kijk om me heen en zie kastelen, donderflitsen die inslaan in het niets.
Ik stap op de tere plantjes voor me met een wrede grijs op mijn gelaat.
Toch voel ik me niet wreed. Ik kijk naar een koe voor me, en beschouw het beest als een koningin van een domein, dat ik weliswaar niet ken, maar waar ik respect voor heb.
Ik negeer de koe verder zo goed als het gaat, en zet koers naar een der kastelen.
Aangekomen bij de poort geniet ik van het natte gekraak van de ophaalbrug als ik er voet op zet.
Dan wordt de brug opgehaad en ik tuimel tegen de poort aan, die open valt, en ik rol naar binnen, een warme stenen hal in. Ik zit op mijn knieën, drijfnat, en kijk naar en wordt aangekeken door etende volkslieden. Men gaat snel weer door met de maaltijd.
ik blijk de mensen te kennen, ik sla mannen op hun schuders, wissel kussen en lieve blikken uit met vrouwen. Er wordt mij een zetel aageboden. Weldra ben ik ook kip van het bot aan het kluiven. Het smaakt goed. Een glas dofrode wijn erbij. Ik raak in een roes en vertel mijn verhaal, dwars door de verhalen van de anderen. Samen vormen onze verhalen een groot verhaal, dat niemand verstaat. Almachtig rijst het tot in de nok van het kasteel en vandaaruit tot in de hemel, waar God het noteert in zijn opschrijfboekje, terwijl hij aan de lijn is met een van zijn engelen.
"Waar hem je hem gelokaliseerd?"
"Spoor hem op en breng hem bij me."
"Nee niet nu. Morgen."
"Ik lees hier net een interessant verhaal."
"Ja, over bossen en wouden."
"Nee, die heb je niet in de hemel. Die moest ik hier maar eens aanleggen."
"Zoek er maar iemand voor."
God hangt op met een grom, die niet geheel onvriendelijk is. Hij gaat verder met het lezen van ons verhaal.
Hij verdiept zich in de koning diens kroon die zo klein is voor zijn glorie, en diens prinses, die rozewitte jurken draagt en een zilveren en diamanten kroontje dat als een diadeem haar blonde haren bijeenhoudt. God zoekt naar haar karakter. Dat is niet zo één twee drie in het verhaal te vinden. Hij besluit er zelf een te bedenken.
De prinses is witheet, maar sublimeert haar woede. Ze is witheet omdat ze geen uitweg heeft voor haar glorie. Ze is niet godsdienstig, dus richt ze zich niet tot God, wat haar een gemoedsrust zou kunnen geven. In plaats daarvan besteed ze haar tijd met het bedenken van plannen om haar vaders strijders het hoofd onhelder te maken en daarmee te testen wie de betrouwbaarste is. Ze komt tot de conlcusie dat dit Walchibard is, een gezette krijger van middelbare leeftijd met een woeste bruine baard en haardos.
God vind dit nog geen bevredigend karakter. Hij laat het er voorlopig bij. Hij volgt het verhaal verder en leunt achterover. Hij steekt een pijp op en wordt voor een moment een met ons. Karakter is van secundair belang, mijmert hij.

Ik sprak de schedel

Wie ben jij?
vroeg de onbekende
aan de strijder.

Ik ben gelauwerd,
geprezen en
ik weet niet waarom.

Wat kom je doen?

Ik kom zoeken
naar onbetreden oorden.

Waarom denk je
dat ik je daarbij helpen kan?

Dat denk ik niet. Dat weet ik.
Al geruime tijd.

Wat zal je doen als
ik je meeneem en loslaat?

Ik zal vallen tot er vleugels
aan mijn schouders groeien,
en dan zal ik zweven,
tot ik besluit weg te vliegen
van de gloed van het wapengekletter.

Geef je het op?

De strijd
heeft mij opgegeven,
maar gespaard.

Waarom?

Omdat de sikkel van de nieuwe maan zich
om mij sloot toen ik met het mes
aan de loop van mijn geweer inhakte
op de buik en de borst van de zwangere vrouw.

Ken je jezelf?

Nee. Wie bent u?

Men noemt mij de Schedel en ik bewaak de grenzen.

Bent u geboren?

Ik was en ben waar ik zal zijn.

Gelooft u?

Ik zie.

Wat ziet u?

Ik zie slangen kronkelen langs jouw ruggegraat.

Wat betekent dat?

Voor mij betekent dat dat er slangen langs je ruggegraat kronkelen.
Voor jou betekent het waarschijnlijk dat je leeft.






[1998, Kfar Giladi]

Jij Was Het

De slagman naderde, zijn spieren spatten in slow motion van zijn lijf. Hij duikt - de honkman kijt omlaag, verschrikt, onder hem is de witte plaat opengereten door een zwarte klauw die zich naar zijn bovenbeen uitstrekt.

De scheidsrechter.
Dansend als een losgeslagen brandweerspuit zwaait hij zijn armen en krijst, verblind in concentratie. Zijn oordeel onststijgt hem en spat uiteen als een chinese vuurpijl boven de honderdduizenden die ademloos bevriezen - en dan exploderen in een furie van woede en geluk.

Waarom?
Waarom zat de slang op zijn knieën bij de waterval?
waarom huilde hij?
Waarom schonk de barman de vloeistof in het kristal?
Waarom bezweek de koningin onder het gewicht van de kroon van haar zoon?
Waarom waste de dader de kleverige onschuld van zijn handen in het reine water van de daad?
Waarom sloot de diender de houten poort die nacht?
Waarom marcheerden de insecten in een kolonne door de kloven tussen de eeuwige stoeptegels?

Sneeuwwit was het dak van de garage toen de bloeddruppel de kartelrand van de dolk waarwel zei. Pikzwart was de nacht om de ronde maan toen die sprak: Jij was het.

[1998 Kfar Giladi]

Visioenen

Ik dwaalde door donkere dalen, dagen leken nachten, nachten leken op niets.
Ik zwierf er weken, misschien maanden, zonder een teken van bewustzijn om me heen.
Ik was alleen, alleen met het geritsel van onzichtbare dorre bladeren onder mijn voeten. Alleen met de onhoorbare kille wind die soms plotseling langs mijn nek scheerde.
En toen, toen ik alle besef van tijd en ruimte verloren had, zag ik het schouwspel, het steekspel in de koepel van licht tussen de vijf stenen torens.
Mijlenver leek het, maar met mijn eerste stap stond ik er middenin.
Midden tussen de briesende krijgers op schreeuwende rijdieren.
Voor een moment hield ik mijn aden in, en het tafereel stokte, de krijgers versteenden.
Toen liet ik de adem uit me ontsnappen en loste ik op in de lucht boven de koepel van licht, die blies in de wind en me bracht naar de avond van de nacht. Naar daar waar ik het wit onstuimig tegen de deuren hoorde kolken. En daar sprak ik met de Adelaar. Hij kwam, gevleugeld als een vogel naar me toe vanuit een draaikolk in de donderwolk onder ons. Hij ontsloot zijn snavel en heette me welkom. Ik betrad hem en raakte verzeild in gewelven van bloesemroze en breekbaar geel.
En weer dwaalde ik, dagen en dagen, de nachten werden overgeslagen.
Eens, toen ik een lieflijk zijpaadje van de vloeiende tranenweg in was geslopen, kwam ik bij een groene woning.
Ik luidde de zilveren klankhoorn en toen stond ik midden in het vertrek waar de goedmoedige verenbal omringd werd door gelukkige tijden en bloemen met meeldraden die op gouden harpen speelden.
De ruimte had geen muren, maar werd afgesloten van de zaken die er niet toe deden door een ondoordringbare zweem van vreemde klanken, die iedereen die zich verwonderde meevoerden in een kolkende droom naar het kasteel van kleuren.
Daar werden zij, samen met mij, onthaald door de koning met het manengewaad.
Als hij sprak schitterden irissen die opgloeiden uit de glinsterende lucht.
Als je hem aankeek vloeide zijn blik je ogen binnen als fonkelende wijn en dan voelde je warme, bruisende vloeistoffen dansen met je bloed, dat in euforie je aderen verliet voor je zenuwen, om daar in harmonie omheen te wentelen.
Door een luik in de wolken vloer daalde ik af tot in de rups die toen in een vlinder veranderde en vloog als een veulen naar de zon, en toen naar binnen, waar het warm was en koel tegelijk, en licht, maar niet verblindend zodat je kon kijken terwijl je droomde.

[1998, Kfar Giladi]

Zevenmijls Harrie en de Bezwaren van het Binnestebuiten Zijn

Zevenmijls Harrie banjerde door de prairie. Gadverdarrie, dacht hij, ik krijg toch geen berrie-berrie? Maar helaas, het was al te laat voor ijdele overpeinzingen, en tijd voor een stevige douche.
Harrie zocht naar een palm met een douche-kokos, en vond er bovendien één. Zo gepiept, als een kind in de was. Nagenoeg elk insect dat op Harries overheerlijk huidje aasde werd weggespoeld door de overvloedige stort van likwieden.
Nog meer! schreeuwde het schemerende publiek in extase - Nog meer oeverloosheid! Nog meer onzin!
Tegen een dergelijke overwacht weigerde Harrie het op te nemen zonder UV bescherming. Hij wist wel beter sinds zijn scheikundeleraar eens de nadelige bijverschijnselen van een gebroken jukbeen op Harries donzige vacht had geprojecteerd. Dus, om het maar obrupt te zeggen, Harrie maakte een eind aan zijn plotselinge aanwezigheid en werd een kokosnoot.
Het rare hieraan was dat hij niet leek op een kokosnoo, nee, integendeel, hij leek veel meer op een citrusvrucht naar keuze, of desnoods, als we toch moeilijk doen, op zevenmijls Harrie. Dat is best, juiste lezer, Zevenmijls Harrie zat in de penarie als een rastafari zonder juanmari. Een kokosnoot zijnde en zich een kokosnoot voelende echter, van hart tot nieren en in top en teen, besloot Harrie het op z'n gemakkie te doen en dankbaar gebruik te maken van de penibele situasie.
het was Harrie, die zijn geweten met deze afgrijselijke schanddaad had bezoedeld. Hij moet het geweest zijn. Wie anders? Toegeven, Harrie had in het verleden ook een niet gering aantal schurkenstreken begaan, maar gezien de omstandigheden, een lantaarnpaal en een halfopgegeten baksteen, stond het voor iedereen als een paal boven water dat Harrie de schuldige was. Nu zat hij in Burger ransheerlijk te smullen van het aantebuitengaanbare. De prijs was dan ook niet gering. Harrie keek naar buiten, en juist op datzelfde moment liep er een mens langs. Enkele kokhalzingen later was het gebeurd: Harrie was binnenstebuiten. Meteen schoten enkele paractische bezwaren hiervan door izjn hoofd, alsof het staakt het vuren vlaggetje met het pleisterwerk van Harries schedel was afgebladderd.

[1998 Kfar Giladi]

De Ondeugende Duig

Harrie stond op in de vroege ochtend van de lange dag. Hij ramde op zijn wekker zodat het akelige gepiep ophield en ging met een kreun rechtop zitten op zijn stinkende matras, middenin in een scherp ruikende natte plek. 'Gadverdarrie!' riep hij uit en sprong op, waarbij zijn schedel de schemerlamp raakte. Deze tuimelde van de kast waar Harrie'sinmiddels overleden oudtante hem een halve eeuw geleden met veel zorg op had gesteld en viel in duigen. Een van de duigen verschool zich voor Harries stoffer en blik, met het oogmerk Harries blote voet een snijwond toe te brengen.
Waarom? Wat bezielde deze duig?
Daavoor zullen we terug moeten gaan naar het verleden, ver voor de geboorte van Harrie, Lubbers, en zelfs Julius Caesar. Jawel, deze ondeugende duig was oud, stokoud. Hij had het tijdperk van de bonkaarten meegemaakt, de dagen van de eerste stoomwals, op de vooravond van de renaissance had hij op Sergustavio Carvellazzettoni's vensterbank de geestelijke rellen gadegeslagen en hij had nog meer beleefd. Nog veel meer. Zoveel dat het niet op te sommen was, en dat was nu juist wat de duig zo frustreerde. Hij iwlde dat toch zo graag, zijn belevenissen opsommen,ze dan het liefst noteren, in een klein rood boekje, waar hij ook telefoonnummers en grappige ideeën in kon optekenen. Maar dat was dus allemala onmogelijk, en dat was wat de duig bewoog tot het overgaan tot harde acite - het verwonden van Harrie.
'Au!' riep Harrie uit, toen hij met het zachte vlees zijn het middenste stuk van ijn rechtervoet op een scherf ging staan. 'Jasses, dat moet mij weer gebeuren, snel, Jodium pakken uit het keukenkastje.'
Harrie snelhinkelde vlug de trap af en buitelde naar het keukenkastje, Hij opende met een geweldige ruk het deurtje en daarbij viel de kokendhete pan met nog hetere tomatensoep over zijn alreeds gekwetste voet.
'Au! Driefwerf au!' schalde Harrie's schelle stem door de scheve straten van Schellingwoude. Harries noodkreet werd gehoord door velen. Binnen enkele momenten was het hele dorp dan ook op de been, gemobiliseerd door het diepgewotelde solidariteitsgevoel dat zo kenmerkend is voor kleine gemeenschapjes in het midden van het niets. Maar Harrie was al de pijp uit. Helaselijk, want de schrijver kreeg weer eens moede polsen enn degene die de inspiratie voor Harrie deed opborrelen bij de desperate schrijver had zijn zetel verlate en was naar buiten gesneld, in een zoektocht naar leven inde brouwerij. Tsja, het gaat niet over rozen als het over tulpen gaat.
[1998, Kfar Giladi]

Saturday, July 12, 2008

zonlicht & goud

In de wereld van het afscheid en de volle maan bestaat ook een ander ding: De onzichtbare waarheid, ofwel de heilige leugen.

De zichtbare waarheid wordt altijd gedefinieerd door een veelheid, waarover het de allesduidende zonlicht uitraalt. Hier is de waarachtigheid der dingen in de facetten die kleuren en texturen veroorzaken te ontdekken, en daarbij ligt een éénheid der dingen niet voor de hand. 's Nachts is dit eerder aan de orde, als alles omvat is in de sluier van het duister, en daarmee één wordt; dus de eenheid van het onzichtbare.
Het wordt hiermee bevattelijk voor een individu, die hiermee een eigen bewustzijn kan gaan vormen. Het individu treedt dus pas aan bij zonsondergang. Daarvóór is God nog te groot.

De wereld zelf heeft een eeuwige innerlijke wereld. Dieper nog dan de oceaan, waar het Godenrijk en de verbeelding leeft, zit de reptielenbrein van onze magmakluit. Daaronder is het in haar voortlevende vuur van de Zon, vanwaaruit de Aarde is ontstaan. Goud is in het lichaam van de Aarde verspreidt. Ik vraag me af in welk stadium van de Zon/Aarde-afscheiding goud tot zijn vorm is gekomen.


Wessok.

Wednesday, July 9, 2008

Erfzwaard

'Die barbaarse troepenmacht bevalt me niets, daar aan de horizon' sprak Aegud.
'Had je liever gehad dat ze al hier waren?' grapte Grombord. Maar hij wist wat zijn maat bedoelde. Zijn rechterhand omklemde het gevest van zijn zwaard dat in een lange lederen schede aan zijn heup hing. Het zwaard was van zijn overgrootvader geweest. Zevenenzestig harten had het doorboord. Grombords vader was voor het merendeel daarvan verantwoordelijk geweest. Grombord doorboorde meestal de schedel. Welke organen of lichaamsdelen zijn verdere voorvaderen met het wapen hadden doorkliefd wist Grombord niet. Soms dacht hij er wel eens aan, dan haalde hij het zwaard uit de schede, hield het voor zich zodat zijn gezicht erin weerspiegelde, en vroeg: 'Zwaardje zwaardje... wat voor lekkers heeft Grootopa Palmud jouw allemaal laten proeven?' Het zwaard trilde dan even. Daaruit maakte Grombord op dat het in ieder geval mooie tijden voor het zwaard waren geweest. Hijzelf was niet zo expirimenteel. Meer van praktische aard was hij: gezien de hoeveelheid hartelozen die rondwaren in de bossen van de wereld leek het hem zinniger hoofden te doorklieven dan borsten.
De troepenmacht was veranderd van een stofwolk tot een grotere stofwolk. Grombord keek zijn maat aan. Die fluisterde een gedicht.

'Bloedrode avondnacht,
Kijk in mijn hart
Kijk in mijn beenderen
Vindt de kracht.'

Grombord knikte instemmend, Zelf was hij geen dichter. Maar hij voelde het, wanneer woorden wáár waren. De mannen haalden hun zwaarden uit de scheden en renden schreeuwend hun noodlot tegemoet.

Dokter Samarinda

Piet werd gefrustreerder en gefrustreerder. Niet alleen gloeide zijn hoofd nu, ook zijn handen begonnen onbedaarlijk te trillen, zodat hij zijn theekopje moest neerzetten op het glazen tafelblad. Dat veroorzaakte een enorm gerinkel en alle bezoekers keken verstoord op. Piet was zich daar wel van gewaar, maar koos ervoor het niet te zien door met zijn hoofd tussen zijn schouders sjachrijnig naar zijn handen te kijken, die maar bleven trillen. Het was ook verdomme toch niet te verteren, hoe hij hier op de wachtlijst was geplaatst. Hij, Piet. Op de wachtlijst. Tussen al dit schoelje, dit schorriemorrie, dit schorem, deze schoften, schurken, schavuiten, schandelijk schietvoer. Scheer je weg! Dacht hij tegen een ieder in de wachtruimte. Maar een ieder was met zijn eigen zaken bezig, en sloeg alleen acht op Piets ongecontroleerde temperament, wat men nu niet bepaald zo hoog aansloeg, dat men geneigd was telepatisch onderzoek te doen om Piets ware gedachten te leren kennen, laat staan dat daar dan gevolg aan zou worden gegeven door deze arme mensen, die tenslotte elk voor zich ook een soort Piet waren, elk met een gevoel voor eigenwaarde - maar dan iets minder vet aangezet, en iets minder gefrustreerd.

Piets nummer werd omgeroepen. Alsof hij zich schaamde dit nummer inderdaad aan zich verbonden te hebben gekregen stond hij schichtig op, terloops, alsof zijn opstaan niets met het omroepen van een nummer van doen had. Hij was toch geen bevelenopvolger, geen radertje in een machine! Maar wel wilde hij graag de uitslag van de test weten. Dus hij begaf zich naar de deur met daarop nummer 6, en morrelde aan de deurkruk. Die morrelde terug, en zo was er gedurende enkele momenten een gefrustreerd en voor de medebezoekers van het Gezondheidscentrum te Halfweg irritant gemorrel gaande. Piet steeg niet in achting. Tenslotte ging de deur open, en daar zat, in doktersjas, een Afrikaanse vrouw, die Piet met grote donkere ogen aankeek. Piet was meteen gie-ganties opgelucht. Als hem dan toch door een ander mens verteld zou worden hoe het met hém gesteld was, dan toch echt liever niet door een roze bleekhuidige man met een ironisch lachje dat zich permanent rond de mondhoeken had genesteld met het verkondigen van zoveel heil en onheil tegen zoveel bleektrillende geslachtofferdenl, zoals hijzelf. Piet glimlachte naar de dokter, en schudde haar hand. 'Piet' zei hij. 'Dokter Samarinda' sprak de dokter. 'Ik zal uw testresultaten er even bijpakken.'
Ze haalde er een mapje witte papieren bij en begon te lezen. Ze trok haar wenkbrauwen op, en keek Piet aan. 'Is het zo erg?' vroeg Piet. Zonder wat te zeggen ging de dokter verder met lezen. Nogmaals keek ze hem onderzoekend aan. Ze legde de testresultaten weg, en vouwde haar handen op het tafelblad. 'U kunt weer gaan'. sprak ze.
Piet keek haar verbluft aan. 'U kunt weer gaan?' herhaalde hij, implicerend dat deze mededeling vanzelf uitleg vereiste. 'ú kunt weer gaan.' verbeterde de dokter hem. 'Ik ben hier nog de hele dag nodig'.

Piet probeerde zijn gedachten op een rijtje te krijgen. Hij was op van alles onvoorbereid geweest, maar hierop al helemaal. 'U kunt weer gaan..' herhaalde Piet nogmaals. Voordat Dokter Samarinda hem nogmaals kon verbeteren sprak hij vlug 'ik bedoel ik kan weer gaan.'. Samarida vouwde haar handen weer en knikte. Nu meende Piet een glimlachje te ontwaren. 'U bent heel aantrekkelijk, dokter - mag ik Samarinda zeggen?' 'Dat mag' sprak Samarinda vriendelijk. 'Dank u wel.'
Veel meer pijlen had Piet niet op zijn boog, en na wat aarzelen stond hij op uit zijn stoel. Hij stond nu tegenover Samarinda, en keek bovenop haar rijkgevulde boezem. 'Maar ik wil helemaal niet gaan' sprak hij, en tegelijkertijd deed hij een wilde greep naar de papieren in haar hand. Samarinda trok deze terug en hield ze voor haar borst. Nu had Piet noch zijn testgegevens, noch zich op haar boezem. Zijn greep had verkeerd uitgepakt. 'Ik moest maar weer eens gaan' sprak hij, en Samarinda's blik bevestigde dat.
Voordat Piet de deur achter zich sloot wierp hij nog een blik op de dokter, en zag dat ze de papieren weer had neergelegd. Toen ging het slot soepel klik, en Piet zag dat zijn handen niet meer trilden. 'Volgende!' sprak hij met gezag door de ontvangstruimte. Niemand reageerde, maar dat merkte Piet niet meer.

Tuesday, July 8, 2008

Haat En Bochtige Weggetjes

De bestuurder besteeg de vrachtauto met een misdadige grijns op zijn gelaat. Hij trok zijn laarzen aan en startte de motor van het monsterachtige gevaarte. Een rollend geraas overspoelde het benzinestation in de Franse Alpen en verdween toen de bocht om. Niemand in het benzinestationwinkeltje zag de bestuurder ooit weerom. Ten minste, niet dat zij wisten. Toen hij de bocht om was toonde de bestuurder de ware aard van zijn verschijning in de bergen. Alleen hijzelf zag het schouwspel door het achteruitkijkspiegeltje. De strepen op de weg zwalkten door zijn gezichtsveld en irriteerden hem mateloos. Maar niet zo mateloos als de wijze waarop hij zich de vorige avond te buiten was gegaan aan hetgeen aanwezig was geweest in de herberg. Bepaalde herinneringen bleven rondspoken rond het netvlies van de bestuurder. Hij vermoedde dat ze hem iets probeerden te vertellen, maar hij schiep er een groot genoegen in ze te negeren. Dat gaf hem een gevoel van macht. Net als de vrachtauto die hij trachtte in toom te houden over de kronkelige maar vooral smalle weggetjes die hem de berg op leidden. Soms kwam een tegenliggend voertuig hem tegemoet. Dan had hij de keuze de vermoedelijke inzittende al dan niet van het leven te beroven. Meestal koos hij voor niet. Deze keer koos hij voor wel. De vermoedelijke inzittende had zich namelijk bij de bestuurder in diskrediet gebracht door in een peugeot 403 te rijden. Dat haatte de bestuurder. Als iemand het gore lef toonde zich in een peugot 403 voort te durven bewegen. Dus hij beukte hem hard het ravijn in. Dat zal hem leren. Veronderstelde hij. Maar toen de knal van de ontploffing uit de peilloze diepte omhoog kwam gesudderd was de bestuurder al weer met iets anders bezig. Hij had namelijk opgemerkt dat er een vliegje op de buitenkant van het voorruit van zijn vrachtauto liep. Ook zulk gedrag weigerde de bestuurder te tolereren. Dit keer was het echter wat lastiger er iets aan te doen. Maar de bestuurder was voor geen gat te vangen dus hij klom, na het gaspedaal met een zinken staaf te hebben vastgezet zodat de vrachtauto niet tot stilstand zou komen op het bergweggetje en zo gevaarlijke situaties zou kunnen veroorzaken, uit het zijraampje op de motorkap, trok zijn laars uit en vermorzelde hiermee het vliegje. Tenminste, dat dacht hij, want het was een ander vliegje. Dit vliegje had namelijk een darmstelsel en het andere, bewuste vliegje niet. Zonder het te weten had de bestuurder dus een onterechte moord begaan. Dit weerhield hem er echter niet van weer terug te klimmen door het raampje en de macht over het stuur weer op zich te nemen. Toen reed hij plotseling verder.

Saturday, July 5, 2008

In het gloeiende Zand

Dit is het einde. Het moet afgelopen zijn. Nu. Het kan niet anders zijn. Wat moet er nog gebeuren? Wat kan ik nog ervaren dat niet in het niet valt bij dit? Geen toekomst, zodra het heden is afgelopen. Brandend, als de kop van een toorts. heet als ontvlammend zwavel. Een hagedis met vleugels. Een kameleon die uit zijn ei kruipt temidden van een regenboog. Een scarabee die uit het niets ontstaat in de kern van een een diamant en de steen uiteen doet spatten in miljoenen fonkelende sterren.
Hij sprong en viel. Hij zweefde omlaag met duizelende vaart. De wind suisde langs hem, probeerde zijn gezicht te doorboren met verlammende kracht.

Een vogel krijst, onzichtbaar vanuit het verblindende licht, dat verzengend neerdaalt op de witte zoutvlakte en weerkaatst in zijn gezicht. Geratel. Een slang? Gealarmeerd draait hij zijn hoofd, het vergt teveel kracht. Hij zinkt ineen op zijn knieen, zakt voorover, leunt op zijn handen, maar kan zijn eigen gewicht niet torsen en bezwijkt.

Liggend in het gloeiende zand dacht ik terug aan de weg die ik aflegde om hier te komen, de weg die nietsvermoedend leidde tot het onvermijdelijke eindpunt, het onverbiddelijke stootblok, dat zonder waarschuwing, zonder signaal, zomaar midden op de rails stond te wachten, alsof het er altijd was geweest.

Hij sloot zijn ogen en zag vloeistoffen, vloeiend door slangen, buizen, aderen, lekkend, druppelend in rijke druppels die gul en rijkelijk vallen op zijn gezicht, zijn wangen, zijn lippen.
Hij probeert zijn lippen af te likken maar heeft geen vat meer op zijn schuddende lichaam. hij glimlacht zonder zijn mondhoeken te bewegen. Herkenning, als een deja-vu in een droom in bed, thuis in de winter onder warme dekens, morgen vrij, uitslapen, opstaan om twee uur, thee zetten en een ei bakken, zonder hitte. Zonder zout. Tomaten. Vochtige, sappige, rode tomaten. Tomaten als watermeloenen. Watermeloenen als waterbalonnen gevuld met ranja. Kleverige siroop. Mieren, een kruistocht van mieren dwars door rotsachtige stoeptegels voor de deur in de lente. Koele warmte in de scherige avond. Voetballen tot de bal onzichtbaar wordt.

Verder. Voort moet ik. Nog zoveel verder, nog zoveel zien, horen, aanraken. Zachte, koele huid van een dochter in een verboden tuin met lelies en doornstruiken achter prikkeldraad. Rode striemen, leren riemen, knallen, echoend door de binnenplaatsen. Gezucht op de patio, in de schaduw, verscholen achter de rij van marmeren zuilen.
Tranen. Warm, verleidelijk vocht, stroomt uit bloeddoorlopen ogen over zachte wangen. Een zweepslag, wang en gehemelte scheuren, gebid verbrijzeld.

Met een verschrikte blik keek de hagedis hem in zijn uitgedroogde ogen. Wat zag het dier? Dacht het? Dacht hij, of werd hij gedacht? Droomde hij of was hij een droom? Hij voelde zich een circel, een oneidig fragment van een volmaakte bol zonder dimensies, glinsterend vanbinnen met zeven keer zeven keer zeven keer zeven tongen, tornado's, alles verzwelgend, zwelgend in alles.

Binnenin zijn hoofd, aan de linkerkant, ging een telefoon. Een vage stem nam op, moeizaam. Spreek. Vlug. Voer me, laat me voelen.
Een heldere melodieuze stem in een taal als de kruin van een waterval sprak, kalm, kalmerend als een witte, zachte, koele zalf.
"Steek. Eenmaal, genadeloos."

Zwalkend langs een houten podium. Meisjes dansen en werpen me valse, warme blikken toe met hun lippen en wimpers.
Welkom afscheid. Transparante, hechte leugens, vakkundig gevlochten in zalige onwetendheid.

[1998, Kfar Giladi]

met een zucht, haperend, volmaakt, verlaat ik U.

Middag

De wereld draait door. Een boor drilt zijn geluid door de tuinen. Een antieke klok klinkt ergens vanin een huis. Gereedschap wordt neergelegd. Een vlaag wind strijkt door de kruinen van de bomen. Een vaag geluid - het heeft iets weg van een lach, komt van heel ver weg. Gereedschap wordt weer opgepakt. Een vliegtuig komt over. Een raam wordt dichtgedaan. De kerkklok. Het is drie uur. Over een half uur word de Kaasboer 'eervol ontslagen'. Dan komt de hele buurt bij Peters winkel en gaat Laurens waarschijnlijk een toespraak houden. De wind streelt weer door te bladeren. Gerinkel van theekopjes boven. Verder herhalen zich alle geluiden weer.

Nu steekt er een gesprek op bij de buren. Althans, mensen wisselen een paar woorden uit. Met een rubber hamer wordt nu iets de grond in geslagen. 'Ik ga maar verder met die stukjes hierzo' zegt de een, en een poes sluit door de tuin. Er zijn hier tegenwoordig veel poezen rond ons huis. Het schijnt een goed oord te zijn. De rubberen hamer klinkt weer. De wind steekt nu echt op. Woesj, door de bomen. De hamer klopt door en nieuw gereedchap wordt opgepakt. Planken worden ergens vanafgerold. Water druppelt dichtbij - waar? Ah, door de verwamingsbuis in mijn kamer. Een circelzaagt verschuurt de serene rust in een moment en komt dan weer ratelend tot stilstand. Het gelommel van een vliegtuig heel hoog boven de wolken. Een handzaag in een klunzig ritme met een rubber hamer. Bof, bof, nu is de hamer weer alleen. Voetstappen boven. Er is iets gaande. Of iemand. Mijn vier zomerbanden staan opgestapeld onder de tuintrap. het is al juli.

Thursday, July 3, 2008

Onderhandelingen

En de Heere zei tot Caesar: gij zult niet doden!
En Caesar grijnsde bij deze ingeving. En hij hief zijn zwaard en strekte het richting de horizon, waar de barbaarse horden het stof deden opwaaien in de rode morgenzon.
En zijn ruiters stoven in galop zijn gebaar achterna. En Caesar was de eerste die de barbaren bereikte, en hij houwde in op hun ongehelmde hoofden, en kliefde er drie, vier, vijf, tien, twaalf, achttien, twintig, dertig... tot zijn gezicht vol was van bloed. En hij trok aan de teugels zodat zijn paard stijgerde, en slaakte een rauwe kreet. En de stem van de Heere weerklonk in zijn geest: Gij leeft bij het zwaard, gij sterft bij het zwaard. En Caesar grijnsde bij deze ingeving. En even vroeg hij zich af; hoe zou ik sterven? Met een vrouw aan mijn zij, in mijn bed op mijn landgoed? En hij sidderde. En hij bad tot Jupiter, hem dat niet aan te doen. En hij gaf zijn paard te sporen, en reed dwars door de linies van barbaren heen en kliefde nog zeven schedels. En toen was de strijd gestreden, en Caesars leger trok voort Europa in, op jacht naar nieuwe glorie.

En Jupiter klopte aan bij de Heere, en de Heere opende zijn deur. 'Neem plaats' zei de Heere, en Jupiter zocht naar een geschikte zetel, maar zag slechts krukjes. 'Nee dank. ik sta wel'
'Ook goed', zei de Heere en nam plaats in zijn troon. 'Wat kan ik voor je betekenen?'
'Ik hoorde dat U mijn hogepriester lastigvalt met uw geboden. Wilt u hier mee ophouden? Hij is nodig voor mijn strijd.'
'Ik val niemand lastig! sprak de Heere. Ik verlicht slechts!'
'Hoe dan ook, ik vraag u ermee op te houden. De belangen zijn groot.
'Daarom juist is het mijn plicht wijsheid in te fluisteren.'
'Goed, ik vraag het u als een gunst. Wilt u mijn pontifex alstublieft niets meer influisteren?'
'Een gunst? En wat ben je bereid daar tegenover te stellen?'
'Daar heb ik over nagedacht. Ik ben bereid om, zodra de strijd om Europa gestreden is en Rome de barbaren overheerst, een pact met u te sluiten met betrekking tot de erfenis van Rome, dat ten onder zal gaan in haar huidige gestalte. U zult aandelen hebben in het voortduren van het rijk.'
De Heere trok zijn wenkbrouwen op. 'Dit komt hoogst onverwacht, Heer Jupiter. Ik had niet gedacht dat u bereid zou zijn mij te betrekken in uw plannen. Er zit een adder onder het gras, naar ik veronderstel?'
'Adders leven nou eenmaal in het gras. Het is niet aan mij daar iets aan te doen. U kunt daarvoor terecht bij Ceres.
'Ach, hoe handig, zo'n polythesitisch mechaniek. Ik ben overal zelf voor verantwoordelijk.'
'Niet meer als u ingaat op mijn voorstel. Dan zult u ook kunnen delegeren. Wie weet zullen de veroveringen van mijn hogepriester u nog goed uitkomen.'
'Wie weet.... goed. Ik zal hem. zolang hij leeft, met rust laten.'
'Mooi. Dan neem ik contact op zodra het rijk barsten begint te vertonen.'

En de Heeren schudden elkaar de hand.

Tuesday, February 5, 2008

Sander: Bloom

Bloom,
Flower,
Fall,
Die. "Happiness"

How graciously the stars
shiver tonight!
Roses stroke my heart,
and warm my frozen soul.
The moonlight gently touches
the voice of the nightingale,
as the bird silently serenades
the whispering wind.

*

"Loneliness"

Empty roses shudd
in the cold, real wind
and the fallen petals of hope
turn black.

(deze twee gedichten horen bij elkaar. Volgorde maakt niet uit.) The current
One.
"Ah! The beauty!
The glory of it all!"
He cried,
before his fall.
Now, he will never again
see the light
for he has entered
the kingdom of night.
"A Vision"

There was a shiver
in the river.
Then, the giver
had to bow,
and to beg,
and to vow,
and the rain of Death
washed the faces
of the innocent.
A black eagle cries.
Heaven returns with memory,
and severed limbs lay scattered
across the universe
of his mind.
From the sparkling waterfall
A flower
A rose
To meet
each other
sometime
in the unsettling galaxy
of thirst for life

ought to be
to become
is
An explosion of emotion
an ocean of devotion
a huge fire of desire
and a wave of love even higher
is what I offer to her, who may
step out of my dream and into my day.
The light begins again.
The universe turns.
People die, and Death becomes Life.
Everything is.
No one understands.
Even the owl with the white, long beard
scratches his head
and becomes one with Infinity.
Images of the many fade,
and in their stead
appear pictures of the few.
Nobody knows.
And when the world is done happening,
Man doubts still.
To break my word
in fields of dust
I shall ban the joy and life
from my veins,
rest assured
instead of Pleasure,
I shall feel only Desire.



SH 1997

Sander: Vonnis

Griargiagrigirargigaaah... namen, waarvan het menselijkerwijs onmogelijk is ze op te schrijven, galmen door de rechtszaal. EÈn voor ÈÈn worden ze afgevoerd en afgeslacht, en het moment naderde dat ik ze volgen zou.
Met enige moeite kreeg iemand mijn naam zijn strot uit, en ik trad voor de rechtbank. De rechter stond op en zei:
"SCHULDIG OF ONSCHULDIG?"

Minder dan een minuut later werd ik door vier geklauwde handen een donkere trap afgedragen en in een kerker gezet. Ik ging zitten voor een berg hooi, en zag dat ik niet alleen was in de cel. Een groot, slijmerig beest richtte zich in zijn volle indrukwekkende lengte op en brulde.

Toen ik geslapen had en het dode beest werd afgevoerd, kwam Aros zelf mijn cel binnenlopen.
"Voor het geval je je af mocht vragen waarom je nog leeft," zei hij collegiaal, "ik heb je ergens voor nodig."

Ik marcheerde het kasteel binnen, mijn nieuwe uniform nog stroef en stijf, toen een zwartgeklede man mij tegemoet liep en mij meenam door het doolhof waar iedereen doorheen gaat die niet helemaal alles doorziet.

KAAS!
Schalde het door het heelal.
Het regende vuur. Kasteelmuren scheurden, en brokken puin vielen neer. Ik zag kans door een gat in een muur te ontkomen en het gebouw te verlaten, maar toen steeg uit het gebouw de in het zwart geklede man op. Vuur schoot uit zijn uitgestrekte handen.
Toen veranderde hij in een flits in een draak. Zijn gouden huid weerkaatste alles zo mogelijk nog feller dan het in werkelijkheid was, en verzengende vuurstralen uit zijn mond verschroeiden de omgeving.

Rotsige bergen rezen op uit een gigantische ronde, draaiende vlakte, canyons.
De draak werd getroffen door een uitstoot van een plotseling onder hem gelegen vulkaan en stortte neer.

Toen was alles donker. De planeet was gekneveld, door een mechanische stemvervormer. Alle geluiden waren ondefinieerbaar en alomtegenwoordig.

De duisternis werd aan flarden gescheurd door een fakkel die werd ontstoken. Ik stond weer in de rechtszaal, dit keer echter achter de rechtbank. En ik bulderde:
"SCHULDIG OF ONSCHULDIG?"



SvdH, 1997

Sander: Diepte en Duisternis

Diepte en Duisternis


Het wegrattende paard slaagde er niet in bergen te verzetten. Het sloop naar een donkere hoek van zijn vergeetput en huilde.
De maan kon hem daar in zijn kerker slechts met omwegen in de ogen zien. Hem recht aankijken kon ze niet.
"Ha, een wonder! Dat zat er ook nog wel aan te komen," zei het paard toen de maan de deur open deed gaan.
"Hoezo?" vroeg de maan, die dit niet begreep; ze wist niet wat een wonder was.
"Ha," dacht en sprak het krakkemikkige paard bedaard. "Weet je niet hoe een wonder werkt?"
"Dus jij weet zelf - als wonder zijnde - niet eens wat de nawerking van een wonder is?"
"Hoofdpijn," zei de maan.
"Wat je noemt. Weet je niet dat elk wonder, inclusief al die vervloekte wonderen waar die naieve dwaas van een Christus zonder enig mededogen mee rond placht te strooien, een verschrikkelijke catastrofe met zich mee brengt? Wie een wonder verricht, sticht een ramp!"
"De maan keek het paard vragend aan. De naam 'Christus' was haar onbekend.
"Kennelijk is het de hemel zelf ontgaan? Christus maakte wijn van water. Nadat hij weg was en de wijn op was, droogden alle bronnen op. 'Zo,' zei de aarde, 'Ik geef de mensen water, en het is niet goed genoeg? Goed, geen water meer.' En iedereen kwam om van de dorst. 'Een wonder,' zegt de natuur, 'is een belediging tegenover mij. Denkt de Hemel dat ik dergelijke beledigingen over mijn kant laat gaan?' Sindsdien heeft de natuur elk wonder, elke door de Hemel opgelegde breuk in de continuiteit en harmonie van de wereld, vergolden met het bloed van hen, die de Hemel met zijn wonderen bedoelde te imponeren."
De maan had geen idee waar het paard het over had. Van een hemel had ze nooit gehoord. Het hele sprookje was haar nooit verteld.
En ze had ook nu nauwelijks geluisterd. Voornamelijk had ze gekeken, gestaard in de ogenschijnlijk onwaarschijnlijk onooglijk droge, bewogen ogen van het stervende paard. Ze hield van hem. Ze was te laat gekomen.



-SH, 1997

Monday, February 4, 2008

Sander: Een Kolibrie aan de Linkerkant

LINKERKANT

Sander van der Horst



"De animus is het broertje van de anima. Een onbewuste anima kan tot animaal gedrag leiden; een onbewuste animus tot animusbezetenheid. Een dergelijk persoon is minder slachtoffer dan dader waar het om geestelijke voorspiegeling gaat. Ook voor de absurdste beweringen wordt hier de hand niet omgedraaid - teneinde te bluffen, om een eerzucht of absolutistische pretenties van het ego te bevredigen. Wie zichzelf of anderen wat wil voorspiegelen, kan daarmee een heel eind komen. Er is geen garantie voor dat iemand die van de superioriteit en ijdelheid van zijn geest bezeten is ooit de schellen van de ogen vallen."

- Evelin Burger en Johannes Fiebig, 'De Crowley Tarot'

"Alle overeenkomsten met reeds levende personen zijn vanzelfsprekend."

- Janosch



Waarschuwing: de nu volgende geschiedenis die nu volgt, daar het hier immers de nu volgende geschiedenis betreft, is de geschiedenis van een voorval.

1



Op een van de druilerigste dagen van het jaar - een pretentieuze claim, gezien de meteorologische afkeer die de atmosfeer van dit kleine kikkerlandje schijnt te hebben, wat de kleumende broeikas-optimisten ook mogen beweren - zat Gajl, de vermaarde literatuurcriticus, achter zijn bureau geconcentreerd naar een leeg vel papier te staren. Hij was namelijk bezig aan een essay over De Verloren Morannon, het nieuwe allesomvattende meesterwerk van zijn grote voorbeeld en mede-genie Max de Luis, dat ruim drieduizend pagina's telde en dat bestond uit conversaties tussen God en De Luis' grote voorbeeld en persoonlijke vriend, de dichter Albert Edelsteen.

Na een paar uur vruchteloze opperste concentratie stond de gefrustreerde geleerde op en liep zuchtend zijn studeerkamer uit. Hij begaf zich naar de huiskamer, waar hij meer ruimte had om te ijsberen, hoewel het risico aanwezig was dat zijn broer Djak zich daar ook bevond.

"Goedemorgen, broer," riep deze hem vrolijk toe toen hij de deur opendeed. Djak lag languit op de bank met een joint in zijn hand en de verzamelde werken van Iwan Boekanoninitsj naast zich. "Hoe staat het met je studie van de alomgeniale De Luis?"

Gajl trok een nog chagrijniger gezicht en antwoordde niet, maar nam wel de joint aan. Djak grijnsde breed; het was duidelijk dat het antwoord hem duidelijk was.

"Je moet me toch eens wat uitleggen, Gajl," ging hij door. "Als De Luis' claim dat er per twee eeuwen maar vijf grote schrijvers opstaan echt waar is, moet je me toch eens vertellen wie die vijf schrijvers dan wel zijn."

Gajl liep zwijgend naar het raam, en tuurde de grauwe leegte in. Djak sprak ongestoord verder.

"Om te beginnen is er natuurlijk Boekanoninitsj, ik neem aan dat je met me eens bent dat dat een groot schrijver is. Dan hebben we natuurlijk Konrad J. nog, die jij ook bewondert, nietwaar? Verder hebben we natuurlijk De Luis zelf en zijn grote vriend Edelsteen, die zullen we er wel bij moeten rekenen. Dan blijft er nog een over, terwijl er volgens mijn bescheiden berekening nogal wat auteurs zijn die we nog niet genoemd hebben. Vertel eens, welke is dan die ene echte schrijver?"

Gajl staarde zijn broer aan met een blik vol slangen en donderwolken.

"Wil je het echt weten?"

"Uiteraard."

"Ik neem niet aan dat je dit van me aan zal nemen. Vermoedelijk zul je me uitlachen, zoals je dat immers overal mee doet. Maar aangezien ik me al lang uberhaupt niet meer om je oordeel bekommer zal ik het je vertellen. Die schrijver ben ik."

Djak keek hem geamuseerd aan. "Is het heus? Verbeter me maar als ik het verkeerd heb, zoals je dat immers altijd doet, maar is het geen kenmerk van een schrijver dat hij boeken schrijft?"

"Dat komt nog wel. Misschien zal zelfs jij ooit mijn gelijk nog wel inzien, hoewel ik daar eigenlijk weinig hoop op heb."

"Ha! Voor de verandering ben ik het eens met je eens; daar heb ik ook weinig hoop op."

"Zal ik je eens zeggen waarom ik hier niet tot schrijven kom?" viel Gajl driftig uit. "The only thing that really matters in life is not wealth or poverty, pleasure or hardship, but the nature of the human beings with whom one is thrown into contact, and one's relationship with them. Maar zelfs als jij niet constant in mijn buurt zou zijn, en ik in de gelegenheid was om in een gezonde omgeving die aan mijn artistieke natuur recht doet..." (hier barstte Djak in gelach uit) "...werkelijk tot het schrijven van een echt goed boek zou komen, ga ik er niet van uit dat ik op jou enige indruk zou maken, aangezien je niet verder kan kijken dan je eigen starre vooroordelen, wat wel blijkt uit het feit dat zelfs De Verloren Morannon je niet heeft kunnen overtuigen van De Luis' genialiteit..."

"Brevity is the soul of wit," viel Djak hem in de rede, nu ook geirriteerd. "En na het doorwerken van duizenden pagina's kunstig geconstrueerde pseudo-wijsheid ben ik inderdaad alleen gesterkt in de overtuiging dat Max de Luis een dwaas is, die noch van het leven, noch van de kunst ook maar iets begrijpt."

Gajl maakte de joint, die hij intussen had opgerookt, uit in de asbak en beende de kamer uit. Djak slaakte een zucht en pakte zijn boek weer op.

2



Meteen kwam Gajl weer binnen. "Luister!" bulderde hij ziedend. "Max de Luis weet alles!"

Hij trok zijn woedende hoofd terug en sloot de deur, nog voordat Djak zich een rolberoerte kon beginnen te lachen.

3



Het was een vreemde droom, want hij was vol van geuren, en Djak droomde anders nooit van geuren. Hij zat aan een overdadig overladen eettafel met de profeten Ezechiel en Jesaja, die gulzig zaten te schrokken. Djak had, tot zijn eigen verbazing, geen trek in al het heerlijke eten en zat een joint te rollen. Het was warm en behaaglijk in de kamer, maar toch voelde hij zich niet volkomen op zijn gemak, omdat buiten de Azteken naar hem zochten, om hem te offeren aan Tecciztecatl, de god van de dood.

Jesaja slurpte lustig van een grote kop wonderlijke, goudkleurige bouillon die naar prei, selderij en peterselie rook. Djak vroeg hem: "Eet ge thuis ook zo? Als het waarlijk waar is dat God tot u beiden gesproken heeft, evenals hij dat tegen Albert Edelsteen deed, had hij u beiden dan niet enige tafelgeboden aan de hand kunnen doen?"

Jesaja verslikte zich en begon luid te hoesten. Ezechiel antwoordde: "Nee."

Toen Jesaja zich enigszins hersteld had haalde hij een zwarte roos tevoorschijn en vroeg: "Weet u wat dit is?"

Met een schok werd Djak wakker. Een verpleegster liep de kamer binnen, gevolgd door een bezorgd kijkende Gajl.

"Hoe is het ermee, broer?" kreunde Djak met een van pijn vertrokken gezicht dat vrolijk moest lijken.

"Dat kwam ik eigenlijk aan jou vragen," zei Gajl.

"Met mij? Ik heb geen idee... Zuster, hoe gaat het met mij?"

"Geen idee," antwoordde de zuster. "De dokter weet het ook niet, en dat betekent dat we u nog vier weken hier zullen houden en u smerig voedsel en nutteloze medicijnen toedienen." Hierop liep ze de kamer uit.

Gajl barstte in lachen uit. Djak zuchtte geergerd.

Gajl haalde een groot pak tevoorschijn, en gaf het met een grijns aan Djak. Die maakte het open.

"De verzamelde werken van Max de Luis? Heeft hij nu alweer een verzameld werk uitgegeven?"

"Ja, dat doet hij elke keer als hij een nieuw boek heeft geschreven, dat weet je toch? Veel plezier ermee."

"Dat had je nou niet hoeven doen..."

Even later reed Gajl opgetogen naar huis. Hij zette zijn fiets in de schuur, en begaf zich naar zijn studeerkamer, waar hij zich weer stortte op zijn essay over De Verloren Morannon.



'Daar Max de Luis een Groot Schrijver is, neemt hij voor zijn proza niet het vergankelijke en uitermate vulgaire wereldgebeuren als toneel, zoals inferieure auteurs plegen te doen, maar beperkt hij zich tot het Goddelijke. De Verloren Morannon is een ingenieuze, geniaal geconstrueerde filosofisch-psychologische esthetische tijdroman, die bestaat uit conversaties tussen God en Albert Edelsteen. Ook hier verbergt De Luis op meesterlijke wijze zijn geheimen, bedoelingen en geheime bedoelingen achter argeloze beschrijvingen en dialogen. Zoals de passage waar God voor de spiegel zijn haar staat te kammen in een kamer die door Max de Luis Kabinet genoemd wordt, en ondertussen enige klassiekers van Bianca Castafiore ten beste geeft, als Edelsteen het kabinet binnenkomt en een hele verhandeling begint over de psychische trauma's die over het algemeen ten grondslag liggen aan dergelijk vals gezang. Het boek dat God hierop naar zijn hoofd smijt is De Interpretatie van Dromen van Freud.

In meerdere opzichten heeft het boek iets weg van een midzomernachtsdroom op een regenachtige donderdagmiddag in oktober. De atmosfeer is zoals altijd bij De Luis zwanger van sfeer en betekenis, zoals maar weer blijkt uit het feit dat uit het boek blijkt hoeveel De Luis gelezen heeft.

De Luis' onmeetbare wijsheid, die ook hemzelf wel eens zal bevreemden, wordt mooi geillustreerd door deze scene (evenals door alle andere scenes in het boek):



'De heer Edelsteen plofte neer op de divan. Niet op het grote vierkante blauwe kussen, en ook niet op het kleine vierkante gele kussen dat er bovenop lag. Ik zou het nog sterker willen zeggen: hij ging op geen van de kussens zitten, maar ernaast; zo was hij dit gewend. "Wat bedoelt U?" sprak de heer Edelsteen.

"Nu, dat, ziet u. Dat, dat ene, niet dat andere."

"Ah, dat." De heer Edelsteen knikte ernstig en begrijpend.

"Maar stel nu," vervolgde God, "dat dat nu juist niet dat was, maar iets anders?"

"U liegt," antwoordde Edelsteen."

"Ja, dat is waar."

"U liegt! U zegt dat het waar is dat U liegt, maar dan is het niet waar, wat zou betekenen dat U niet liegt, in welk geval het gelogen is dat U liegt, in welk geval U toch liegt. Komt U soms van Kreta?"

Het boek dat God de heer Edelsteen hierop naar het hoofd smeet was het Tibetaanse Dodenboek.''



Gajl legde zijn pen neer, en liet zijn ogen tevreden over zijn pennevrucht glijden. Dat zou die schampere slampampers leren Max de Luis te bekritiseren.

Hij liep de trap af, naar de keuken, waar de wietpot stond. Maar toen hij de keuken binnenkwam zag hij daar drie heksen.

"Spreek, als ge kunt," zei hij. Wie zijn jullie?"

"Hallo!" zeiden de heksen in koor.

"Waar komen jullie vandaan?"

Een van de heksen trad naar voren en sprak: "Het doet er niet toe waar we vandaan komen, het gaat om waar we heengaan." Ze gaf Gajl een zwarte roos, en de heksen losten alledrie in rook op. Gajl stond een tijdje roerloos naar de roos in zijn hand te kijken, legde hem toen op het aanrecht en haalde de wietvoorraad uit het keukenkastje.

4



Djak werd wakker met de smaak van zilver in zijn mond, terwijl hij anders toch nooit van smaken droomde, zeker niet van die van zilver. De zaal was bijna volkomen duister, en de stilte werd slechts verstoord door een zacht gezoem van ondefinieerbare oorsprong. De andere patienten op de zaal hadden de gordijnen om hun bedden dichtgetrokken, zodat de zaal de steriele sereniteit van een futuristische tempel kreeg.

Hij stond behoedzaam op en wankelde naar de deur, waarbij hij even een blik wierp in een spiegel die daar aan de muur hing. Hij droeg een wit verband om zijn hoofd. En terwijl hij zichzelf diep in de gesloten ogen keek, borrelden ineens beelden in zijn hoofd op die herinneringen moesten zijn aan dromen, of dromen van herinneringen... er was een horzel met een krokodilleziel, een wandeling over de Styx, een Abessijnse woestijnkat, een wagen vol duivels, stuk voor stuk gehuld in de huid van een gele koe...

De deur bleek gesloten te zijn. Na enig geroep en gebons, waarvan zijn zaalgenoten uiteraard wakker schrokken, verscheen er een verpleegster met een groot pistool, die hem in gebroken Engels toeschreeuwde dat hij onmiddelijk terug moest gaan naar zijn bed, wat hij maar wijselijk deed. Er kwam een arts binnen, en de verpleegster begon in het Arabisch tegen hem te praten. De arts nam hem afkeurend op, sprak een paar woorden tegen de verpleegster, en beiden verlieten het vertrek. Djak staarde niet-begrijpend naar de deur.

"Ze gaan u opereren, geloof ik," zei een oude man die in het bed naast hem lag. En jawel, de deur ging weer open en de verpleegster kwam weer binnen, met een grote zaag. Djak veerde zijn bed uit en stormde langs de verpleegster, die haar pistool trok en hem wild schietend achtervolgde door de gang. Drie boze zwarte mannen met bezems en dweilen kwamen hem tegemoet. Hij dook een kamer in, die leeg was, op een paneel met enkele kranen en vernuftig ogende technische snufjes na. Met een haast bovennatuurlijke krachtinspanning trok hij het paneel los en gooide het door het raam. Hij hoorde de voetstappen van zijn achtervolgers dichterbij komen; hij sprong uit het raam en rende onder het licht van de volle maan de vrijheid tegemoet. De verpleegster schold en schoot, maar raakte hem niet. Met een grom draaide ze zich om, en beval de arts, die buiten adem binnen kwam strompelen, om de honden los te laten.

5



'"Het is toch verschrikkelijk," sprak God. "Onafgebroken wijd je je aan het allerbelangrijkste, de hoofdzaak, en dan komt het moment dat je ermee klaar bent, of niet, of het vergeet, of er juist aan denkt, of doodgaat en de hele handel mee je graf in neemt. Het is ronduit schandalig."

De heer Edelsteen knikte instemmend. Het hoofd van God deed hem aan een ibis denken.

"Ik hoef u niet te vertellen," vervolgde God, "dat het Absoluut Hyperoneindige Licht(TM) zo werkt, dat ook diegenen, die zonder speciale bedoelingen geboren zijn, zoals u..."

Het leek of de heer Edelsteen opeens een ander mens was. Zijn neus was in elk geval een aanzienlijk eind langer dan een moment eerder, hoewel dat ook gezichtsbedrog kon zijn.

"Wat ik U nog wilde vragen," viel hij God in de rede, "Het is algemeen bekend dat men zijn sterfdatum kan uitrekenen door de sterfleeftijd van beide ouders bij elkaar op te tellen, met vier te vermenigvuldigen en daarna door acht te delen. Nu is het zo, dat mijn ouders allebei nog leven, wat betekent dat we tweemaal oneindig zouden moeten nemen. Nu, volgens Pythagoras is het zo, dat tweemaal oneindig maal vier gedeeld door acht oneindig maakt. Maar het probleem is, dat mijn moeder twee jaar jonger is dan mijn vader. Hoeveel is oneindig min twee?"

Het boek dat God de heer Edelsteen hierop naar het hoofd gooide was een groot, dik boek, getiteld Ik Kan Al Rekenen deel 3.'



Gajl legde het boek weg en rolde nog een joint. Het oude huis dat hij met zijn broer bewoonde was een stuk rustiger sinds deze in het ziekenhuis lag, constateerde de overwerkte criticus keer op keer tevreden. Dit gaf hem de gelegenheid om zich te ontspannen, en eens diep en ongestoord na te denken, iets waar hij, vond hij zelf, erg goed in was. Denken heeft namelijk niet zozeer de aard van een suikerriet kappende holbewoner, maar veeleer van een kreeft, die zich schreeuwend in een pan kokend water ziet verdwijnen.

Hij stak de joint aan en verdiepte zich diep in de diepe diepten van zijn gedachten, die erg diep waren. Maar plotseling werd hij opgeschrikt door een stem, die hij maar al te goed kende.

"Ik leef!" brulde Djak, en deed de deur open. "Ik leef!"

"Dat zie ik," zei Gajl. "Ik dacht dat jij nog weken bed moest houden? Hebben ze je nu al laten gaan?"

"Och, dat leverde eigenlijk nauwelijks problemen op, en al helemaal geen internationale." Gulzig griste Djak de joint uit Gajls hand. "Ik voel me uitstekend, moet ik je bekennen."

"Health is the primary duty of life," zei Gajl terwijl hij een halfvolle dan wel halflege fles wijn pakte, die naast de bank stond. Hij schonk twee van de vele vuile glazen op de tafel vol. "Op je gezondheid dan maar."

Wie op dat moment buiten liep, zijn kraag hoog opgezet tegen de bittere kou en zijn lange, zware winterjas wapperend in de gierende wind, kon over de verder verlaten landweg een klein mannetje langs zien komen met een gigantische tuba in een koffer. Maar een dergelijk iemand was er niet.

Zo kwam het ook, dat niemand Bertje Oeverloosheidsmans opmerkte, een klein ventje met een groot minderwaardigheidscomplex en een toverstafje, dat al voor veel ellende gezorgd had in vele verledens die wellicht nooit plaats zullen vinden. Daar hij niet zo lang van stuk was strompelde hij door de antigeschiedenis, waar hij tot zijn oksels in waadde. Zwemmen, met de stroom meegaan inplaats van er tegenin, had Bertje nooit geleerd.

Behalve de woede der elementen was er geen geluid te horen. Heel in de verte was een auto zichtbaar, maar die kwam niet in aanmerking. Wat niet gehoord is, is vermoedelijk wel geschreven; de vraag is alleen door wie.

En de klinkers van de rijweg, die alleen door zijn zachte slingering verraadde in een vorig leven een rivier te zijn geweest, waren in een visgraatmotief gelegd.

Bertje prevelde een eeuwenoude spreuk en steeg op. Langs ongewone weg vloog hij naar het koude noorden, tot hij zwevende staan bleef boven het huis van Gajl en Djak. Hij toverde uit het niets een pakje tevoorschijn, in glimmend rood papier verpakt en dichtgebonden met een gouden lint, en wierp het door de schoorsteen.

"Ja, dat kennen we," antwoordde Djak smalend. "Indifference is the revenge the world takes on mediocritics."

"Zalig zijn de armen van geest..." zei Gajl met minstens evenveel minachting.

"Als mijn oordeel, en dat van al die onwetenden en cultuurbarbaren waar de wereld kennelijk mee bevolkt is, zo ver beneden je is, waarom maak je je er dan zo druk over? Juist het feit dat je zo zit te springen om roem en erkenning is er het bewijs van dat ze je niet toekomen. Zij die roem omhelzen als ware het een schim van de deugd..."

Er klonk een plof in de open haard, die nooit gebruikt werd. Roet, stof en as stoven de kamer in. Verbaasd liep Gajl naar de haard en pakte het pak op. Hij maakte het open, en er zat een bol in van gitzwart kristal.

Voor de ogen van de beide verbijsterde broers begonnen zich in het kristal beelden te vormen, ondefinieerbare vormen en vreemde kleuren die in een razend tempo in elkaar overvloeiden, tot er plotseling een gezicht verscheen, dat iets van een aardappel weg had.

"Max de Luis!" riepen Gajl en Djak tegelijk.

Max de Luis staarde hen beiden aan, en vroeg met zijn blik: "Dus ge zijt teruggekomen? Waarom heeft ge zo lang geen verslag... wacht even, wie zijn jullie?"

Gajl en Djak staarden hem aan, elk in een oog, en zeiden niets. Het gezicht van De Luis vertrok tot een grimmige grijns.

"We zullen elkaar weldra ontmoeten," zei hij. "Zeg maar tegen Bertje dat ik onmiddellijk..." het beeld verdween. Er bleef een dieprode gloed in de bol achter.

"Het gevaar komt des nachts, wanneer je het het minst verwacht," zei Gajl. Djak begon nog een joint te rollen. Dat Bertje Oeverloosheidsmans met een vergenoegd gezicht door het raam gluurde zagen ze niet. Ook zagen ze de paranormale muis niet, die in een hoek van de kamer zat en het tafereel observeerde.

Gajl liep naar de hoek van de kamer waar zich de kast bevond waarin zich zijn trompet bevond.

"Is dat echt nodig?" vroeg Djak bezorgd, toen hij zag wat zijn broer van plan was. Die haalde zijn lessenaar en zijn papieren tevoorschijn en zei: "Ja. Kunst vereist vaardigheid, vaardigheid vereist oefening."

Djak pakte Gajls boek en sloeg het zo maar ergens open.



'God sloeg voor de zoveelste keer een b aan inplaats van een bes. De heer Edelsteen, zeer vermoeid zijnde, schreeuwde tot God: "Je doet het verkeerd!!!"

"Goh," antwoordde God, "Dat wist ik niet."

"Kijk, God, bij muziek zit het zo," legde de heer Edelsteen uit, "dat de taak van de muzikant eruit bestaat te voorkomen dat hij iets van zichzelf in zijn muziek legt; het is het puur technische proces van het genereren van bepaalde toonsoorten die bepaalde uitwerkingen hebben op de emotionele gesteldheid van de luisteraar..."

"Zo, is het heus? En hoe weet ge dat allemaal?"

"Dat heeft Max me eens uitgelegd."

Het boek, dat God hierop richting de neus van de heer Edelsteen lanceerde, was de autobiografie van Miles Davis.'

6



Ondanks al Gajls gemusiceer was Djak volkomen verdiept in De Verloren Morannon, dus op een gegeven moment hield Gajl maar weer op met zijn even vruchte- als nutteloze arbeid. Toen hij zag dat Djak echt niet naar hem keek liep hij stilletjes verontwaardigd de ruimte uit. Hij sloop op zijn tenen de trap op, want hij wilde voorkomen dat Djak hoorde dat hij weg was. Dat zou hem leren Max de Luis te bekritiseren.

Hij haalde de sleutel tevoorschijn - hij had die aan een koordje om zijn nek hangen - en deed de deur open. Zoals hij verwacht had zag hij daar niet de kale zolderkamer die er normaal gesproken geweest zou zijn, maar de kamer met het schilderij.

Hij schoof de gordijnen opzij, en keek in de hypnotische ogen van Max de Luis; het was een Max de Luis met horentjes, die er oorspronkelijk niet geweest waren.

Hij spreidde een donkerrood, Perzisch tapijt met zilveren borduursel uit voor het portret, en knielde ervoor neer.

Djak was ondertussen in slaap gevallen. Hij had het gewichtige boekwerk uit zijn handen laten vallen, en het was onder de bank doorgerold en terechtgekomen bij een paranormale muis, die er hongerig aan begon te knabbelen.

Hij droomde van een kunstmatige harmonie die Nederland heette, waar mensen woonden die de kunstmatige kunst tot kunst probeerden te verheffen en de kunst tot TMF dag-top 5.

In zijn droom ontvluchtte hij bovengenoemd oord, en kwam hij in een ver en koud land bovenop een besneeuwde bergtop Boekanoninitsj tegen. Deze zei tegen hem: "Kijk omhoog!", veranderde in een meeuw en vloog weg.

Djak werd wakker toen Gajl hijgend en blazend de kamer in rende en hem op zijn hoofd sloeg. "Luister! Ga jij nog ergens heen vandaag?"

"H... huh? Die ene week, was dat deze week?"

Gajl praatte snel op hem in, voor hij goed wakker kon worden. "Vanavond is dat gala, en als jij het toch niet nodig hebt, kan ik dan dat rode colbertje van je lenen?"

"Maar... eh, ik..."

"Ja, ik weet wel dat je er ook heen gaat, maar dan heb je dat jasje toch niet nodig? Je draagt het toch nooit?"

"Eh... nee, okee..."

"Mooi." Gajl stoof de kamer weer uit voor Djak zich kon bedenken. Djak, die nog steeds zijn ziekenhuispyjama en ochtendjas aanhad, liet zich van de bank in zijn pantoffels vallen met een loomheid, die hem een zekere eigenaardige gratie verleende. Zijn blik werd donker, en diep in zijn ziel trok onweer voorbij.

Hij liep de trap op naar zijn slaapkamer, waar zijn broer hem tegemoet kwam met een zwarte broek en het bewuste jasje in zijn handen.

Djak zuchtte, liep zijn kamer binnen en trok met een norse frons een wit pak aan.

Hij liep weer naar beneden. Axl de Muis, die hem zijn slaapkamer in gevolgd was, maakte het raam open en Bertje Oeverloosheidsmans klauterde behendig en heroisch naar binnen.

Djak kwam de huiskamer weer binnen, waar zijn broer ernstig aan zijn turqoise stropdas liep te frunniken. "Hoe laat is het dan eigenlijk?"

Djak keek op zijn horloge. "E-eh... half drie."

"Half drie? 's Middags?"

"Ja, kijk maar naar buiten."

Hoe laat begint dat gala dan?"

"Eh... Half acht, geloof ik."

Met een zucht plofte Djak weer op de bank neer en haalde een zakje wiet uit zijn binnenzak. Gajl zuchtte zenuwachtig en beende het vertrek uit. Hij liep de trap op en opende de deur, die hem toegang verschafte tot zijn eigen studeerkamer. Hij plofte achter zijn computer, logde in en keek gauw of Vera nog had gemaild. Vera, voor de duidelijkheid, was een 24-jarige economiestudente waar Gajl een net-relatie mee had.

Geen post. IRC proberen dan maar.

Hij kwam binnen op #hallo, waar Gigspot, @Weezer, Michelle, Arendsoog, Weezo2, Vera, Kanin, Gio, BDP en @_Vark aanwezig waren.

/msg Vera hoi!

*Vera* Aron! Hoi! Hoe is 't ermee?

/msg . O, uitstekend... zeg, ik ga vanavond naar dat gala, weet je wel? Dat had ik je toch verteld? De Luis komt ook... heb je zin om mee te gaan?

*Vera* Ja, ik wil hem graag eens ontmoeten ;-)

/msg . Ja nee maar ik bedoel

/msg . dat ik

*Vera* ja, dat weet ik wel... O Aron, wat ben je toch gevoelig!

/weet je waar ik gevoelig voor ben?



Om acht uur precies belde Vera aan. Gajl rende naar de deur en deed open. Vera schrok even toen ze hem zag - en nog eens toen ze zijn schoenen zag - maar herstelde zich kranig en kwam binnen. Djak had ondertussen De Verloren Morannon uit en zat verveeld een joint te roken.

Langzaam en aarzelend drentelde men de deur uit. Men stapte in diverse auto's en verdween in de regenende nacht.

7



Enkele uren later stopte men en masse voor het Amsterdamsche Amstel Hotel. Snel snelde men uit de auto, door de huilende druilende kou, gauw het gebouw in, net voordat een op hol geslagen tank hun vehikels overreed.

Een portier snelde haastig op het druipende gezelschap toe en vroeg bezorgd wat men hier deed.

"Eh... nou, dat zit zo, er is..."

"Telefoon voor Max de Luis," zei Djak, waarop Gajl hem onopvallend keihard achteruit tegen zijn scheen schopte.

"...er is een gala... toch? En... eh..."

De portier schopte hen alle vier de straat op. Bertje Oeverloosheidsmans rende scheldend terug naar binnen en werd weer naar buiten geschopt. Ondertussen waren de anderen stiekem verdwenen.

Bertje schold ze na, en liep de andere kant op. Hij wist wel wat hij zou doen. Hij zou ze leren. Maar dan moest hij wel Max de Luis zelf erbij halen. Axl de Muis, die zich in Bertjes hoge hoed verscholen had, zuchtte diep en zette een bezorgd en mystiek gezicht.

Opeens liep hij terug. Hij had een slim plan: Max de Luis was natuurlijk in dat hotel. Daar moest hij dus binnen zien te komen.

Vera, Gajl en Djak stonden onder een duister tunneltje dat toevalig in de buurt was, en overlegden over de nu te volgen strategie.

"Hoe laat is het?" vroeg Gajl.

"Het is Twaalf Uur," zei Djak, die geen horloge had.

Twaalf Uur kwam op hen aflopen, en net toen Vera en Gajl hem opmerkten veranderde hij in het demoonbeest. Schreeuwend sprintte men richting weesperzijde. Het demoonbeest gromde en kwam men achterna. Djak klom in een boom, Vera verstopte zich achter een lantaarnpaal en Gajl sprong krijsend over een woonboot heen de Amstel in. Aangezien Gajl nogal corpulent was veroorzaakte dit zo'n plons dat er een druppel precies op het hoofd van het demoonbeest terechtkwam, dat terstond weer in Twaalf Uur veranderde.

"Goh. Goeiemorgen, lui," zei hij en liep weg.

"O Gajl!" riep Vera, en rende naar de druipende held toe, die net het water uitklom. "Wat ben je dapper!" Hij keek haar verbijsterd aan, en ze sprong in zijn armen.

Bertje ondertussen veranderde Axl de Muis tegen diens wil en dank in een rood helikoptertje, en vloog om het gebouw heen. Aan de Amstelkant waren, zoals hij al vermoed, voorzien en bovendien bevroed had, ramen open op de bovenste verdieping. Ze vlogen naar binnen. Axl de Muis veranderde weer in een muis, en ze vielen op de parketvloer van een bijzonder bombastisch ingerichte suite. De blonde vrouw, die in het gigantische hemelbed lag, schrok schreeuwend overeind, sprong het bed uit, greep haar handtasje en haalde er een revolver uit. Bertje en Axl stoven de gang op, terwijl de vrouw al schietend in haar nachtjapon achter hen aanrende.

Vera, Gajl en Djak hadden inmiddels de portier knock-out geslagen en zijn spaargeld uit zijn sok gehaald, en liepen druipend en waardig de zaal in.

8



Max de Luis was niet op het gala. Hij had een van zijn dubbelgangers gestuurd, en was zelf in zijn kasteel in Latveria een zeer snood plan aan het uitvoeren. Max de Luis wilde de wereld namelijk hebben, en aangezien het duidelijk was dat dat hem niet zou lukken had hij besloten uit wraak Gajl en Djak het leven zuur te maken. Het slimme van het plan was, dat Bertje Oeverloosheidsmans iedereen af zou leiden, en ondertussen zou De Luis zelf alle meubels uit hun huis wegtoveren.

Max de Luis drukte op een knopje.

9



Argressief loeiend spande de oude kachel zich in om de koude lucht te verjagen, die door de kieren in de muren binnenstroomde.

Buiten stormde het. In het maanlicht waren de dansende silhouetten van de bomen zichtbaar, die weerloos waren tegen de willekeur van de wind. Het oude huis kraakte; nu en dan kletterden takken tegen de ruiten, de wind probeerde de kamer binnen te bulderen.

De twee vrienden, die tegenover elkaar in twee fauteuils zaten, hadden allebei een deken om zich heen gewikkeld. Er was nog een tweede warmtebron in de kamer: een oud theelichtje stond op het tafeltje het tafereel te verlichten, en daaraan had Gajl zojuist nog een joint aangestoken.

Djak nam een slok uit het glas dat hij in zijn hand hield, en staarde de pikzwarte hemel aan.

"Kijk! De maan wordt weer vol!"

Gajl blies een rookwolk uit. "Ja," zei hij. "Hier." Djak nam de joint aan.

Minutenlang zaten ze zwijgend te kijken naar de maan en de sterren, die de storm ondanks zijn woedende pogingen niet te pakken kon krijgen, terwijl ze zich hulden in rookwolken, die even snel weer uit elkaar werden gewaaid en in flarden alle kanten op verdwenen.

Wolken kwamen aanjagen, en de maan werd omhuld door duisternis. In de verte lichtte een bliksemschicht de nachtelijke hemel op. De joint ging uit.

Met een ongeÔnteresseerde vloek stak Djak hem weer aan en inhaleerde. Gajl staarde met een afwezige blik naar buiten, waar de hemel inmiddels helemaal betrokken was, en zei:

"Weet je, ik mis de zomer."

Djak knikte somber en instemmend, en Gajl ging door: "Er woedt een soort eeuwige strijd tussen warmte en kou op deze planeet. Het is jammer dat wij hier in een gebied wonen waar de kou meestal wint."

Djak gaf Gajl de joint. De planeet tolde onverstoord verder door het heelal, en terwijl overal op diezelfde planeet de warmte vocht tegen de kou lieten de wolken, die door de dampkring dreven, de eerste regendruppels op de ramen van het grote, houten huis vallen. De beide vrienden zaten zwijgend voor zich uit te staren, bang als ze waren om elkaar en zichzelf toe te geven hoe bang ze waren.

"Eh, Djak..."

Djak keek op. Gajl blies de laatste rookwolken uit, en gooide het restant in een hoek van de kamer, waar er meer lagen.

"Zullen we het nu..."

Djak knikte, en liep langzaam de keuken in. Een eindeloze minuut later kwam hij terug. Gajl keek naar het piepkleine bruine flesje, dat Djak krampachtig met zijn linkerhand vastklampte. Het kleine beetje vloeistof dat erin zat was kleurloos, helder en dreigend. Op het etiket stond alleen een zwarte roos. In zijn andere hand hield Djak een andere fles. Deze had wel een opschrift: Stolichnaya.

Gajl zette de wodka op tafel, en hield het kleine flesje nadenkend in zijn hand. Hij had het gekocht toen hij in de stad was, en elke minuut van de drie dagen en nachten die sindsdien verstreken waren hadden ze de aanwezigheid van het flaconnetje gevoeld; steeds voelden ze hoe ze dwars door de kastdeur heen vastgegrepen werden door de kille vingers van het noodlot.

Nu moest het er dan van komen, op deze woensdagavond, nadat ze hun brein genoeg beneveld hadden om de dodelijke angst voor het onvermijdelijke te vergeten, of in elk geval genoeg af te stompen om dit flesje, waarvan ze zoveel verwachtten, eindelijk tevoorschijn te halen.

Djak vulde de glazen met wodka, en haalde toen de dop van het flesje. Zijn handen trilden mee met de wereld. Gajl keek toe hoe hij boven elk glas een paar druppels losliet, die met een gigantische vaart naar beneden suisden en na een kleine oneindigheid met een doodsklap op de doodstille drank te pletter sloegen. De bruingele druppels vermengden zich razendsnel met de wodka, en waren weg.

Djak liet het flesje vallen. Het knalde uit elkaar op de tafel; de heftig dampende vloeistof liep in venijnige druppels over het tafelblad, en loste binnen een paar seconden op in de onrustige lucht.

"O, Jezus, wat gebeurt er nu weer?" riep Djak. "Wat doe ik? Wat doen we nu?"

Gajl rilde. "Weetje, volgens mij... Ik denk, dat we beter niet..."

Djak zeeg neer in zijn stoel, veegde met zijn koude hand over zijn voorhoofd en zei niets. Geen van beiden raakten ze het glas aan dat voor hen stond.

"Wat een vreemde kleuren bevat de wereld toch," sprak Djak na een tijdje, terwijl Gajl hem ontsteld in zijn ogen keek.

"Hond!" schreeuwde Gajl plotseling, terwijl hij opsprong. "Je deed het expres! Klootzak!"

Djak keek uit het raam. "Luister," zei hij, "Regen."

Gajl pakte zijn glas en smeet de vloeistof in Djaks gezicht. "Zie je wat je gedaan hebt?"

Djak hoorde hem niet. Hij staarde door het raam, en werd steeds bleker. "Het is zover. Zie je het niet? Ze zijn gekomen."

Wolven wachtten voor het raam. Hun ijselijke gehuil kroop door de kieren naar binnen.

Gajl hoorde het. Hij keek gespannen uit het raam, maar de schaduwen verborgen het gevaar.

Djak zag het ook, en zuchtte.

"Ik heb erop gewacht."

Gajl keek hem even aan, las in de ogen van zijn vriend dezelfde door bittere onverschiligheid verborgen angst, die ook zijn hart ineenkneep. Nu ging het gebeuren. Weer steeg het wolvengehuil op.

Toen verscheurde de stilte het geluid. Gajls blik doorpriemde de schaduwen, op zoek naar de demonen die zich daar schuil hielden.

"Er... zijn helemaal geen wolven."

Djak keek hem verbaasd aan, staarde toen weer angstig naar buiten en zei niets.

Het wolvengehuil kwam dichterbij, en omringde hen. Een keten van ijzingwekkende kreten, waaruit geen ontsnappen

mogelijk was.

Hun blikken braken af op de duisternis.

Teller

HTML hit counter - Quick-counter.net

Blog Archive