Diepte en Duisternis
Het wegrattende paard slaagde er niet in bergen te verzetten. Het sloop naar een donkere hoek van zijn vergeetput en huilde.
De maan kon hem daar in zijn kerker slechts met omwegen in de ogen zien. Hem recht aankijken kon ze niet.
"Ha, een wonder! Dat zat er ook nog wel aan te komen," zei het paard toen de maan de deur open deed gaan.
"Hoezo?" vroeg de maan, die dit niet begreep; ze wist niet wat een wonder was.
"Ha," dacht en sprak het krakkemikkige paard bedaard. "Weet je niet hoe een wonder werkt?"
"Dus jij weet zelf - als wonder zijnde - niet eens wat de nawerking van een wonder is?"
"Hoofdpijn," zei de maan.
"Wat je noemt. Weet je niet dat elk wonder, inclusief al die vervloekte wonderen waar die naieve dwaas van een Christus zonder enig mededogen mee rond placht te strooien, een verschrikkelijke catastrofe met zich mee brengt? Wie een wonder verricht, sticht een ramp!"
"De maan keek het paard vragend aan. De naam 'Christus' was haar onbekend.
"Kennelijk is het de hemel zelf ontgaan? Christus maakte wijn van water. Nadat hij weg was en de wijn op was, droogden alle bronnen op. 'Zo,' zei de aarde, 'Ik geef de mensen water, en het is niet goed genoeg? Goed, geen water meer.' En iedereen kwam om van de dorst. 'Een wonder,' zegt de natuur, 'is een belediging tegenover mij. Denkt de Hemel dat ik dergelijke beledigingen over mijn kant laat gaan?' Sindsdien heeft de natuur elk wonder, elke door de Hemel opgelegde breuk in de continuiteit en harmonie van de wereld, vergolden met het bloed van hen, die de Hemel met zijn wonderen bedoelde te imponeren."
De maan had geen idee waar het paard het over had. Van een hemel had ze nooit gehoord. Het hele sprookje was haar nooit verteld.
En ze had ook nu nauwelijks geluisterd. Voornamelijk had ze gekeken, gestaard in de ogenschijnlijk onwaarschijnlijk onooglijk droge, bewogen ogen van het stervende paard. Ze hield van hem. Ze was te laat gekomen.
-SH, 1997

No comments:
Post a Comment