LINKERKANT
Sander van der Horst
"De animus is het broertje van de anima. Een onbewuste anima kan tot animaal gedrag leiden; een onbewuste animus tot animusbezetenheid. Een dergelijk persoon is minder slachtoffer dan dader waar het om geestelijke voorspiegeling gaat. Ook voor de absurdste beweringen wordt hier de hand niet omgedraaid - teneinde te bluffen, om een eerzucht of absolutistische pretenties van het ego te bevredigen. Wie zichzelf of anderen wat wil voorspiegelen, kan daarmee een heel eind komen. Er is geen garantie voor dat iemand die van de superioriteit en ijdelheid van zijn geest bezeten is ooit de schellen van de ogen vallen."
- Evelin Burger en Johannes Fiebig, 'De Crowley Tarot'
"Alle overeenkomsten met reeds levende personen zijn vanzelfsprekend."
- Janosch
Waarschuwing: de nu volgende geschiedenis die nu volgt, daar het hier immers de nu volgende geschiedenis betreft, is de geschiedenis van een voorval.
1
Op een van de druilerigste dagen van het jaar - een pretentieuze claim, gezien de meteorologische afkeer die de atmosfeer van dit kleine kikkerlandje schijnt te hebben, wat de kleumende broeikas-optimisten ook mogen beweren - zat Gajl, de vermaarde literatuurcriticus, achter zijn bureau geconcentreerd naar een leeg vel papier te staren. Hij was namelijk bezig aan een essay over De Verloren Morannon, het nieuwe allesomvattende meesterwerk van zijn grote voorbeeld en mede-genie Max de Luis, dat ruim drieduizend pagina's telde en dat bestond uit conversaties tussen God en De Luis' grote voorbeeld en persoonlijke vriend, de dichter Albert Edelsteen.
Na een paar uur vruchteloze opperste concentratie stond de gefrustreerde geleerde op en liep zuchtend zijn studeerkamer uit. Hij begaf zich naar de huiskamer, waar hij meer ruimte had om te ijsberen, hoewel het risico aanwezig was dat zijn broer Djak zich daar ook bevond.
"Goedemorgen, broer," riep deze hem vrolijk toe toen hij de deur opendeed. Djak lag languit op de bank met een joint in zijn hand en de verzamelde werken van Iwan Boekanoninitsj naast zich. "Hoe staat het met je studie van de alomgeniale De Luis?"
Gajl trok een nog chagrijniger gezicht en antwoordde niet, maar nam wel de joint aan. Djak grijnsde breed; het was duidelijk dat het antwoord hem duidelijk was.
"Je moet me toch eens wat uitleggen, Gajl," ging hij door. "Als De Luis' claim dat er per twee eeuwen maar vijf grote schrijvers opstaan echt waar is, moet je me toch eens vertellen wie die vijf schrijvers dan wel zijn."
Gajl liep zwijgend naar het raam, en tuurde de grauwe leegte in. Djak sprak ongestoord verder.
"Om te beginnen is er natuurlijk Boekanoninitsj, ik neem aan dat je met me eens bent dat dat een groot schrijver is. Dan hebben we natuurlijk Konrad J. nog, die jij ook bewondert, nietwaar? Verder hebben we natuurlijk De Luis zelf en zijn grote vriend Edelsteen, die zullen we er wel bij moeten rekenen. Dan blijft er nog een over, terwijl er volgens mijn bescheiden berekening nogal wat auteurs zijn die we nog niet genoemd hebben. Vertel eens, welke is dan die ene echte schrijver?"
Gajl staarde zijn broer aan met een blik vol slangen en donderwolken.
"Wil je het echt weten?"
"Uiteraard."
"Ik neem niet aan dat je dit van me aan zal nemen. Vermoedelijk zul je me uitlachen, zoals je dat immers overal mee doet. Maar aangezien ik me al lang uberhaupt niet meer om je oordeel bekommer zal ik het je vertellen. Die schrijver ben ik."
Djak keek hem geamuseerd aan. "Is het heus? Verbeter me maar als ik het verkeerd heb, zoals je dat immers altijd doet, maar is het geen kenmerk van een schrijver dat hij boeken schrijft?"
"Dat komt nog wel. Misschien zal zelfs jij ooit mijn gelijk nog wel inzien, hoewel ik daar eigenlijk weinig hoop op heb."
"Ha! Voor de verandering ben ik het eens met je eens; daar heb ik ook weinig hoop op."
"Zal ik je eens zeggen waarom ik hier niet tot schrijven kom?" viel Gajl driftig uit. "The only thing that really matters in life is not wealth or poverty, pleasure or hardship, but the nature of the human beings with whom one is thrown into contact, and one's relationship with them. Maar zelfs als jij niet constant in mijn buurt zou zijn, en ik in de gelegenheid was om in een gezonde omgeving die aan mijn artistieke natuur recht doet..." (hier barstte Djak in gelach uit) "...werkelijk tot het schrijven van een echt goed boek zou komen, ga ik er niet van uit dat ik op jou enige indruk zou maken, aangezien je niet verder kan kijken dan je eigen starre vooroordelen, wat wel blijkt uit het feit dat zelfs De Verloren Morannon je niet heeft kunnen overtuigen van De Luis' genialiteit..."
"Brevity is the soul of wit," viel Djak hem in de rede, nu ook geirriteerd. "En na het doorwerken van duizenden pagina's kunstig geconstrueerde pseudo-wijsheid ben ik inderdaad alleen gesterkt in de overtuiging dat Max de Luis een dwaas is, die noch van het leven, noch van de kunst ook maar iets begrijpt."
Gajl maakte de joint, die hij intussen had opgerookt, uit in de asbak en beende de kamer uit. Djak slaakte een zucht en pakte zijn boek weer op.
2
Meteen kwam Gajl weer binnen. "Luister!" bulderde hij ziedend. "Max de Luis weet alles!"
Hij trok zijn woedende hoofd terug en sloot de deur, nog voordat Djak zich een rolberoerte kon beginnen te lachen.
3
Het was een vreemde droom, want hij was vol van geuren, en Djak droomde anders nooit van geuren. Hij zat aan een overdadig overladen eettafel met de profeten Ezechiel en Jesaja, die gulzig zaten te schrokken. Djak had, tot zijn eigen verbazing, geen trek in al het heerlijke eten en zat een joint te rollen. Het was warm en behaaglijk in de kamer, maar toch voelde hij zich niet volkomen op zijn gemak, omdat buiten de Azteken naar hem zochten, om hem te offeren aan Tecciztecatl, de god van de dood.
Jesaja slurpte lustig van een grote kop wonderlijke, goudkleurige bouillon die naar prei, selderij en peterselie rook. Djak vroeg hem: "Eet ge thuis ook zo? Als het waarlijk waar is dat God tot u beiden gesproken heeft, evenals hij dat tegen Albert Edelsteen deed, had hij u beiden dan niet enige tafelgeboden aan de hand kunnen doen?"
Jesaja verslikte zich en begon luid te hoesten. Ezechiel antwoordde: "Nee."
Toen Jesaja zich enigszins hersteld had haalde hij een zwarte roos tevoorschijn en vroeg: "Weet u wat dit is?"
Met een schok werd Djak wakker. Een verpleegster liep de kamer binnen, gevolgd door een bezorgd kijkende Gajl.
"Hoe is het ermee, broer?" kreunde Djak met een van pijn vertrokken gezicht dat vrolijk moest lijken.
"Dat kwam ik eigenlijk aan jou vragen," zei Gajl.
"Met mij? Ik heb geen idee... Zuster, hoe gaat het met mij?"
"Geen idee," antwoordde de zuster. "De dokter weet het ook niet, en dat betekent dat we u nog vier weken hier zullen houden en u smerig voedsel en nutteloze medicijnen toedienen." Hierop liep ze de kamer uit.
Gajl barstte in lachen uit. Djak zuchtte geergerd.
Gajl haalde een groot pak tevoorschijn, en gaf het met een grijns aan Djak. Die maakte het open.
"De verzamelde werken van Max de Luis? Heeft hij nu alweer een verzameld werk uitgegeven?"
"Ja, dat doet hij elke keer als hij een nieuw boek heeft geschreven, dat weet je toch? Veel plezier ermee."
"Dat had je nou niet hoeven doen..."
Even later reed Gajl opgetogen naar huis. Hij zette zijn fiets in de schuur, en begaf zich naar zijn studeerkamer, waar hij zich weer stortte op zijn essay over De Verloren Morannon.
'Daar Max de Luis een Groot Schrijver is, neemt hij voor zijn proza niet het vergankelijke en uitermate vulgaire wereldgebeuren als toneel, zoals inferieure auteurs plegen te doen, maar beperkt hij zich tot het Goddelijke. De Verloren Morannon is een ingenieuze, geniaal geconstrueerde filosofisch-psychologische esthetische tijdroman, die bestaat uit conversaties tussen God en Albert Edelsteen. Ook hier verbergt De Luis op meesterlijke wijze zijn geheimen, bedoelingen en geheime bedoelingen achter argeloze beschrijvingen en dialogen. Zoals de passage waar God voor de spiegel zijn haar staat te kammen in een kamer die door Max de Luis Kabinet genoemd wordt, en ondertussen enige klassiekers van Bianca Castafiore ten beste geeft, als Edelsteen het kabinet binnenkomt en een hele verhandeling begint over de psychische trauma's die over het algemeen ten grondslag liggen aan dergelijk vals gezang. Het boek dat God hierop naar zijn hoofd smijt is De Interpretatie van Dromen van Freud.
In meerdere opzichten heeft het boek iets weg van een midzomernachtsdroom op een regenachtige donderdagmiddag in oktober. De atmosfeer is zoals altijd bij De Luis zwanger van sfeer en betekenis, zoals maar weer blijkt uit het feit dat uit het boek blijkt hoeveel De Luis gelezen heeft.
De Luis' onmeetbare wijsheid, die ook hemzelf wel eens zal bevreemden, wordt mooi geillustreerd door deze scene (evenals door alle andere scenes in het boek):
'De heer Edelsteen plofte neer op de divan. Niet op het grote vierkante blauwe kussen, en ook niet op het kleine vierkante gele kussen dat er bovenop lag. Ik zou het nog sterker willen zeggen: hij ging op geen van de kussens zitten, maar ernaast; zo was hij dit gewend. "Wat bedoelt U?" sprak de heer Edelsteen.
"Nu, dat, ziet u. Dat, dat ene, niet dat andere."
"Ah, dat." De heer Edelsteen knikte ernstig en begrijpend.
"Maar stel nu," vervolgde God, "dat dat nu juist niet dat was, maar iets anders?"
"U liegt," antwoordde Edelsteen."
"Ja, dat is waar."
"U liegt! U zegt dat het waar is dat U liegt, maar dan is het niet waar, wat zou betekenen dat U niet liegt, in welk geval het gelogen is dat U liegt, in welk geval U toch liegt. Komt U soms van Kreta?"
Het boek dat God de heer Edelsteen hierop naar het hoofd smeet was het Tibetaanse Dodenboek.''
Gajl legde zijn pen neer, en liet zijn ogen tevreden over zijn pennevrucht glijden. Dat zou die schampere slampampers leren Max de Luis te bekritiseren.
Hij liep de trap af, naar de keuken, waar de wietpot stond. Maar toen hij de keuken binnenkwam zag hij daar drie heksen.
"Spreek, als ge kunt," zei hij. Wie zijn jullie?"
"Hallo!" zeiden de heksen in koor.
"Waar komen jullie vandaan?"
Een van de heksen trad naar voren en sprak: "Het doet er niet toe waar we vandaan komen, het gaat om waar we heengaan." Ze gaf Gajl een zwarte roos, en de heksen losten alledrie in rook op. Gajl stond een tijdje roerloos naar de roos in zijn hand te kijken, legde hem toen op het aanrecht en haalde de wietvoorraad uit het keukenkastje.
4
Djak werd wakker met de smaak van zilver in zijn mond, terwijl hij anders toch nooit van smaken droomde, zeker niet van die van zilver. De zaal was bijna volkomen duister, en de stilte werd slechts verstoord door een zacht gezoem van ondefinieerbare oorsprong. De andere patienten op de zaal hadden de gordijnen om hun bedden dichtgetrokken, zodat de zaal de steriele sereniteit van een futuristische tempel kreeg.
Hij stond behoedzaam op en wankelde naar de deur, waarbij hij even een blik wierp in een spiegel die daar aan de muur hing. Hij droeg een wit verband om zijn hoofd. En terwijl hij zichzelf diep in de gesloten ogen keek, borrelden ineens beelden in zijn hoofd op die herinneringen moesten zijn aan dromen, of dromen van herinneringen... er was een horzel met een krokodilleziel, een wandeling over de Styx, een Abessijnse woestijnkat, een wagen vol duivels, stuk voor stuk gehuld in de huid van een gele koe...
De deur bleek gesloten te zijn. Na enig geroep en gebons, waarvan zijn zaalgenoten uiteraard wakker schrokken, verscheen er een verpleegster met een groot pistool, die hem in gebroken Engels toeschreeuwde dat hij onmiddelijk terug moest gaan naar zijn bed, wat hij maar wijselijk deed. Er kwam een arts binnen, en de verpleegster begon in het Arabisch tegen hem te praten. De arts nam hem afkeurend op, sprak een paar woorden tegen de verpleegster, en beiden verlieten het vertrek. Djak staarde niet-begrijpend naar de deur.
"Ze gaan u opereren, geloof ik," zei een oude man die in het bed naast hem lag. En jawel, de deur ging weer open en de verpleegster kwam weer binnen, met een grote zaag. Djak veerde zijn bed uit en stormde langs de verpleegster, die haar pistool trok en hem wild schietend achtervolgde door de gang. Drie boze zwarte mannen met bezems en dweilen kwamen hem tegemoet. Hij dook een kamer in, die leeg was, op een paneel met enkele kranen en vernuftig ogende technische snufjes na. Met een haast bovennatuurlijke krachtinspanning trok hij het paneel los en gooide het door het raam. Hij hoorde de voetstappen van zijn achtervolgers dichterbij komen; hij sprong uit het raam en rende onder het licht van de volle maan de vrijheid tegemoet. De verpleegster schold en schoot, maar raakte hem niet. Met een grom draaide ze zich om, en beval de arts, die buiten adem binnen kwam strompelen, om de honden los te laten.
5
'"Het is toch verschrikkelijk," sprak God. "Onafgebroken wijd je je aan het allerbelangrijkste, de hoofdzaak, en dan komt het moment dat je ermee klaar bent, of niet, of het vergeet, of er juist aan denkt, of doodgaat en de hele handel mee je graf in neemt. Het is ronduit schandalig."
De heer Edelsteen knikte instemmend. Het hoofd van God deed hem aan een ibis denken.
"Ik hoef u niet te vertellen," vervolgde God, "dat het Absoluut Hyperoneindige Licht(TM) zo werkt, dat ook diegenen, die zonder speciale bedoelingen geboren zijn, zoals u..."
Het leek of de heer Edelsteen opeens een ander mens was. Zijn neus was in elk geval een aanzienlijk eind langer dan een moment eerder, hoewel dat ook gezichtsbedrog kon zijn.
"Wat ik U nog wilde vragen," viel hij God in de rede, "Het is algemeen bekend dat men zijn sterfdatum kan uitrekenen door de sterfleeftijd van beide ouders bij elkaar op te tellen, met vier te vermenigvuldigen en daarna door acht te delen. Nu is het zo, dat mijn ouders allebei nog leven, wat betekent dat we tweemaal oneindig zouden moeten nemen. Nu, volgens Pythagoras is het zo, dat tweemaal oneindig maal vier gedeeld door acht oneindig maakt. Maar het probleem is, dat mijn moeder twee jaar jonger is dan mijn vader. Hoeveel is oneindig min twee?"
Het boek dat God de heer Edelsteen hierop naar het hoofd gooide was een groot, dik boek, getiteld Ik Kan Al Rekenen deel 3.'
Gajl legde het boek weg en rolde nog een joint. Het oude huis dat hij met zijn broer bewoonde was een stuk rustiger sinds deze in het ziekenhuis lag, constateerde de overwerkte criticus keer op keer tevreden. Dit gaf hem de gelegenheid om zich te ontspannen, en eens diep en ongestoord na te denken, iets waar hij, vond hij zelf, erg goed in was. Denken heeft namelijk niet zozeer de aard van een suikerriet kappende holbewoner, maar veeleer van een kreeft, die zich schreeuwend in een pan kokend water ziet verdwijnen.
Hij stak de joint aan en verdiepte zich diep in de diepe diepten van zijn gedachten, die erg diep waren. Maar plotseling werd hij opgeschrikt door een stem, die hij maar al te goed kende.
"Ik leef!" brulde Djak, en deed de deur open. "Ik leef!"
"Dat zie ik," zei Gajl. "Ik dacht dat jij nog weken bed moest houden? Hebben ze je nu al laten gaan?"
"Och, dat leverde eigenlijk nauwelijks problemen op, en al helemaal geen internationale." Gulzig griste Djak de joint uit Gajls hand. "Ik voel me uitstekend, moet ik je bekennen."
"Health is the primary duty of life," zei Gajl terwijl hij een halfvolle dan wel halflege fles wijn pakte, die naast de bank stond. Hij schonk twee van de vele vuile glazen op de tafel vol. "Op je gezondheid dan maar."
Wie op dat moment buiten liep, zijn kraag hoog opgezet tegen de bittere kou en zijn lange, zware winterjas wapperend in de gierende wind, kon over de verder verlaten landweg een klein mannetje langs zien komen met een gigantische tuba in een koffer. Maar een dergelijk iemand was er niet.
Zo kwam het ook, dat niemand Bertje Oeverloosheidsmans opmerkte, een klein ventje met een groot minderwaardigheidscomplex en een toverstafje, dat al voor veel ellende gezorgd had in vele verledens die wellicht nooit plaats zullen vinden. Daar hij niet zo lang van stuk was strompelde hij door de antigeschiedenis, waar hij tot zijn oksels in waadde. Zwemmen, met de stroom meegaan inplaats van er tegenin, had Bertje nooit geleerd.
Behalve de woede der elementen was er geen geluid te horen. Heel in de verte was een auto zichtbaar, maar die kwam niet in aanmerking. Wat niet gehoord is, is vermoedelijk wel geschreven; de vraag is alleen door wie.
En de klinkers van de rijweg, die alleen door zijn zachte slingering verraadde in een vorig leven een rivier te zijn geweest, waren in een visgraatmotief gelegd.
Bertje prevelde een eeuwenoude spreuk en steeg op. Langs ongewone weg vloog hij naar het koude noorden, tot hij zwevende staan bleef boven het huis van Gajl en Djak. Hij toverde uit het niets een pakje tevoorschijn, in glimmend rood papier verpakt en dichtgebonden met een gouden lint, en wierp het door de schoorsteen.
"Ja, dat kennen we," antwoordde Djak smalend. "Indifference is the revenge the world takes on mediocritics."
"Zalig zijn de armen van geest..." zei Gajl met minstens evenveel minachting.
"Als mijn oordeel, en dat van al die onwetenden en cultuurbarbaren waar de wereld kennelijk mee bevolkt is, zo ver beneden je is, waarom maak je je er dan zo druk over? Juist het feit dat je zo zit te springen om roem en erkenning is er het bewijs van dat ze je niet toekomen. Zij die roem omhelzen als ware het een schim van de deugd..."
Er klonk een plof in de open haard, die nooit gebruikt werd. Roet, stof en as stoven de kamer in. Verbaasd liep Gajl naar de haard en pakte het pak op. Hij maakte het open, en er zat een bol in van gitzwart kristal.
Voor de ogen van de beide verbijsterde broers begonnen zich in het kristal beelden te vormen, ondefinieerbare vormen en vreemde kleuren die in een razend tempo in elkaar overvloeiden, tot er plotseling een gezicht verscheen, dat iets van een aardappel weg had.
"Max de Luis!" riepen Gajl en Djak tegelijk.
Max de Luis staarde hen beiden aan, en vroeg met zijn blik: "Dus ge zijt teruggekomen? Waarom heeft ge zo lang geen verslag... wacht even, wie zijn jullie?"
Gajl en Djak staarden hem aan, elk in een oog, en zeiden niets. Het gezicht van De Luis vertrok tot een grimmige grijns.
"We zullen elkaar weldra ontmoeten," zei hij. "Zeg maar tegen Bertje dat ik onmiddellijk..." het beeld verdween. Er bleef een dieprode gloed in de bol achter.
"Het gevaar komt des nachts, wanneer je het het minst verwacht," zei Gajl. Djak begon nog een joint te rollen. Dat Bertje Oeverloosheidsmans met een vergenoegd gezicht door het raam gluurde zagen ze niet. Ook zagen ze de paranormale muis niet, die in een hoek van de kamer zat en het tafereel observeerde.
Gajl liep naar de hoek van de kamer waar zich de kast bevond waarin zich zijn trompet bevond.
"Is dat echt nodig?" vroeg Djak bezorgd, toen hij zag wat zijn broer van plan was. Die haalde zijn lessenaar en zijn papieren tevoorschijn en zei: "Ja. Kunst vereist vaardigheid, vaardigheid vereist oefening."
Djak pakte Gajls boek en sloeg het zo maar ergens open.
'God sloeg voor de zoveelste keer een b aan inplaats van een bes. De heer Edelsteen, zeer vermoeid zijnde, schreeuwde tot God: "Je doet het verkeerd!!!"
"Goh," antwoordde God, "Dat wist ik niet."
"Kijk, God, bij muziek zit het zo," legde de heer Edelsteen uit, "dat de taak van de muzikant eruit bestaat te voorkomen dat hij iets van zichzelf in zijn muziek legt; het is het puur technische proces van het genereren van bepaalde toonsoorten die bepaalde uitwerkingen hebben op de emotionele gesteldheid van de luisteraar..."
"Zo, is het heus? En hoe weet ge dat allemaal?"
"Dat heeft Max me eens uitgelegd."
Het boek, dat God hierop richting de neus van de heer Edelsteen lanceerde, was de autobiografie van Miles Davis.'
6
Ondanks al Gajls gemusiceer was Djak volkomen verdiept in De Verloren Morannon, dus op een gegeven moment hield Gajl maar weer op met zijn even vruchte- als nutteloze arbeid. Toen hij zag dat Djak echt niet naar hem keek liep hij stilletjes verontwaardigd de ruimte uit. Hij sloop op zijn tenen de trap op, want hij wilde voorkomen dat Djak hoorde dat hij weg was. Dat zou hem leren Max de Luis te bekritiseren.
Hij haalde de sleutel tevoorschijn - hij had die aan een koordje om zijn nek hangen - en deed de deur open. Zoals hij verwacht had zag hij daar niet de kale zolderkamer die er normaal gesproken geweest zou zijn, maar de kamer met het schilderij.
Hij schoof de gordijnen opzij, en keek in de hypnotische ogen van Max de Luis; het was een Max de Luis met horentjes, die er oorspronkelijk niet geweest waren.
Hij spreidde een donkerrood, Perzisch tapijt met zilveren borduursel uit voor het portret, en knielde ervoor neer.
Djak was ondertussen in slaap gevallen. Hij had het gewichtige boekwerk uit zijn handen laten vallen, en het was onder de bank doorgerold en terechtgekomen bij een paranormale muis, die er hongerig aan begon te knabbelen.
Hij droomde van een kunstmatige harmonie die Nederland heette, waar mensen woonden die de kunstmatige kunst tot kunst probeerden te verheffen en de kunst tot TMF dag-top 5.
In zijn droom ontvluchtte hij bovengenoemd oord, en kwam hij in een ver en koud land bovenop een besneeuwde bergtop Boekanoninitsj tegen. Deze zei tegen hem: "Kijk omhoog!", veranderde in een meeuw en vloog weg.
Djak werd wakker toen Gajl hijgend en blazend de kamer in rende en hem op zijn hoofd sloeg. "Luister! Ga jij nog ergens heen vandaag?"
"H... huh? Die ene week, was dat deze week?"
Gajl praatte snel op hem in, voor hij goed wakker kon worden. "Vanavond is dat gala, en als jij het toch niet nodig hebt, kan ik dan dat rode colbertje van je lenen?"
"Maar... eh, ik..."
"Ja, ik weet wel dat je er ook heen gaat, maar dan heb je dat jasje toch niet nodig? Je draagt het toch nooit?"
"Eh... nee, okee..."
"Mooi." Gajl stoof de kamer weer uit voor Djak zich kon bedenken. Djak, die nog steeds zijn ziekenhuispyjama en ochtendjas aanhad, liet zich van de bank in zijn pantoffels vallen met een loomheid, die hem een zekere eigenaardige gratie verleende. Zijn blik werd donker, en diep in zijn ziel trok onweer voorbij.
Hij liep de trap op naar zijn slaapkamer, waar zijn broer hem tegemoet kwam met een zwarte broek en het bewuste jasje in zijn handen.
Djak zuchtte, liep zijn kamer binnen en trok met een norse frons een wit pak aan.
Hij liep weer naar beneden. Axl de Muis, die hem zijn slaapkamer in gevolgd was, maakte het raam open en Bertje Oeverloosheidsmans klauterde behendig en heroisch naar binnen.
Djak kwam de huiskamer weer binnen, waar zijn broer ernstig aan zijn turqoise stropdas liep te frunniken. "Hoe laat is het dan eigenlijk?"
Djak keek op zijn horloge. "E-eh... half drie."
"Half drie? 's Middags?"
"Ja, kijk maar naar buiten."
Hoe laat begint dat gala dan?"
"Eh... Half acht, geloof ik."
Met een zucht plofte Djak weer op de bank neer en haalde een zakje wiet uit zijn binnenzak. Gajl zuchtte zenuwachtig en beende het vertrek uit. Hij liep de trap op en opende de deur, die hem toegang verschafte tot zijn eigen studeerkamer. Hij plofte achter zijn computer, logde in en keek gauw of Vera nog had gemaild. Vera, voor de duidelijkheid, was een 24-jarige economiestudente waar Gajl een net-relatie mee had.
Geen post. IRC proberen dan maar.
Hij kwam binnen op #hallo, waar Gigspot, @Weezer, Michelle, Arendsoog, Weezo2, Vera, Kanin, Gio, BDP en @_Vark aanwezig waren.
/msg Vera hoi!
*Vera* Aron! Hoi! Hoe is 't ermee?
/msg . O, uitstekend... zeg, ik ga vanavond naar dat gala, weet je wel? Dat had ik je toch verteld? De Luis komt ook... heb je zin om mee te gaan?
*Vera* Ja, ik wil hem graag eens ontmoeten ;-)
/msg . Ja nee maar ik bedoel
/msg . dat ik
*Vera* ja, dat weet ik wel... O Aron, wat ben je toch gevoelig!
/weet je waar ik gevoelig voor ben?
Om acht uur precies belde Vera aan. Gajl rende naar de deur en deed open. Vera schrok even toen ze hem zag - en nog eens toen ze zijn schoenen zag - maar herstelde zich kranig en kwam binnen. Djak had ondertussen De Verloren Morannon uit en zat verveeld een joint te roken.
Langzaam en aarzelend drentelde men de deur uit. Men stapte in diverse auto's en verdween in de regenende nacht.
7
Enkele uren later stopte men en masse voor het Amsterdamsche Amstel Hotel. Snel snelde men uit de auto, door de huilende druilende kou, gauw het gebouw in, net voordat een op hol geslagen tank hun vehikels overreed.
Een portier snelde haastig op het druipende gezelschap toe en vroeg bezorgd wat men hier deed.
"Eh... nou, dat zit zo, er is..."
"Telefoon voor Max de Luis," zei Djak, waarop Gajl hem onopvallend keihard achteruit tegen zijn scheen schopte.
"...er is een gala... toch? En... eh..."
De portier schopte hen alle vier de straat op. Bertje Oeverloosheidsmans rende scheldend terug naar binnen en werd weer naar buiten geschopt. Ondertussen waren de anderen stiekem verdwenen.
Bertje schold ze na, en liep de andere kant op. Hij wist wel wat hij zou doen. Hij zou ze leren. Maar dan moest hij wel Max de Luis zelf erbij halen. Axl de Muis, die zich in Bertjes hoge hoed verscholen had, zuchtte diep en zette een bezorgd en mystiek gezicht.
Opeens liep hij terug. Hij had een slim plan: Max de Luis was natuurlijk in dat hotel. Daar moest hij dus binnen zien te komen.
Vera, Gajl en Djak stonden onder een duister tunneltje dat toevalig in de buurt was, en overlegden over de nu te volgen strategie.
"Hoe laat is het?" vroeg Gajl.
"Het is Twaalf Uur," zei Djak, die geen horloge had.
Twaalf Uur kwam op hen aflopen, en net toen Vera en Gajl hem opmerkten veranderde hij in het demoonbeest. Schreeuwend sprintte men richting weesperzijde. Het demoonbeest gromde en kwam men achterna. Djak klom in een boom, Vera verstopte zich achter een lantaarnpaal en Gajl sprong krijsend over een woonboot heen de Amstel in. Aangezien Gajl nogal corpulent was veroorzaakte dit zo'n plons dat er een druppel precies op het hoofd van het demoonbeest terechtkwam, dat terstond weer in Twaalf Uur veranderde.
"Goh. Goeiemorgen, lui," zei hij en liep weg.
"O Gajl!" riep Vera, en rende naar de druipende held toe, die net het water uitklom. "Wat ben je dapper!" Hij keek haar verbijsterd aan, en ze sprong in zijn armen.
Bertje ondertussen veranderde Axl de Muis tegen diens wil en dank in een rood helikoptertje, en vloog om het gebouw heen. Aan de Amstelkant waren, zoals hij al vermoed, voorzien en bovendien bevroed had, ramen open op de bovenste verdieping. Ze vlogen naar binnen. Axl de Muis veranderde weer in een muis, en ze vielen op de parketvloer van een bijzonder bombastisch ingerichte suite. De blonde vrouw, die in het gigantische hemelbed lag, schrok schreeuwend overeind, sprong het bed uit, greep haar handtasje en haalde er een revolver uit. Bertje en Axl stoven de gang op, terwijl de vrouw al schietend in haar nachtjapon achter hen aanrende.
Vera, Gajl en Djak hadden inmiddels de portier knock-out geslagen en zijn spaargeld uit zijn sok gehaald, en liepen druipend en waardig de zaal in.
8
Max de Luis was niet op het gala. Hij had een van zijn dubbelgangers gestuurd, en was zelf in zijn kasteel in Latveria een zeer snood plan aan het uitvoeren. Max de Luis wilde de wereld namelijk hebben, en aangezien het duidelijk was dat dat hem niet zou lukken had hij besloten uit wraak Gajl en Djak het leven zuur te maken. Het slimme van het plan was, dat Bertje Oeverloosheidsmans iedereen af zou leiden, en ondertussen zou De Luis zelf alle meubels uit hun huis wegtoveren.
Max de Luis drukte op een knopje.
9
Argressief loeiend spande de oude kachel zich in om de koude lucht te verjagen, die door de kieren in de muren binnenstroomde.
Buiten stormde het. In het maanlicht waren de dansende silhouetten van de bomen zichtbaar, die weerloos waren tegen de willekeur van de wind. Het oude huis kraakte; nu en dan kletterden takken tegen de ruiten, de wind probeerde de kamer binnen te bulderen.
De twee vrienden, die tegenover elkaar in twee fauteuils zaten, hadden allebei een deken om zich heen gewikkeld. Er was nog een tweede warmtebron in de kamer: een oud theelichtje stond op het tafeltje het tafereel te verlichten, en daaraan had Gajl zojuist nog een joint aangestoken.
Djak nam een slok uit het glas dat hij in zijn hand hield, en staarde de pikzwarte hemel aan.
"Kijk! De maan wordt weer vol!"
Gajl blies een rookwolk uit. "Ja," zei hij. "Hier." Djak nam de joint aan.
Minutenlang zaten ze zwijgend te kijken naar de maan en de sterren, die de storm ondanks zijn woedende pogingen niet te pakken kon krijgen, terwijl ze zich hulden in rookwolken, die even snel weer uit elkaar werden gewaaid en in flarden alle kanten op verdwenen.
Wolken kwamen aanjagen, en de maan werd omhuld door duisternis. In de verte lichtte een bliksemschicht de nachtelijke hemel op. De joint ging uit.
Met een ongeÔnteresseerde vloek stak Djak hem weer aan en inhaleerde. Gajl staarde met een afwezige blik naar buiten, waar de hemel inmiddels helemaal betrokken was, en zei:
"Weet je, ik mis de zomer."
Djak knikte somber en instemmend, en Gajl ging door: "Er woedt een soort eeuwige strijd tussen warmte en kou op deze planeet. Het is jammer dat wij hier in een gebied wonen waar de kou meestal wint."
Djak gaf Gajl de joint. De planeet tolde onverstoord verder door het heelal, en terwijl overal op diezelfde planeet de warmte vocht tegen de kou lieten de wolken, die door de dampkring dreven, de eerste regendruppels op de ramen van het grote, houten huis vallen. De beide vrienden zaten zwijgend voor zich uit te staren, bang als ze waren om elkaar en zichzelf toe te geven hoe bang ze waren.
"Eh, Djak..."
Djak keek op. Gajl blies de laatste rookwolken uit, en gooide het restant in een hoek van de kamer, waar er meer lagen.
"Zullen we het nu..."
Djak knikte, en liep langzaam de keuken in. Een eindeloze minuut later kwam hij terug. Gajl keek naar het piepkleine bruine flesje, dat Djak krampachtig met zijn linkerhand vastklampte. Het kleine beetje vloeistof dat erin zat was kleurloos, helder en dreigend. Op het etiket stond alleen een zwarte roos. In zijn andere hand hield Djak een andere fles. Deze had wel een opschrift: Stolichnaya.
Gajl zette de wodka op tafel, en hield het kleine flesje nadenkend in zijn hand. Hij had het gekocht toen hij in de stad was, en elke minuut van de drie dagen en nachten die sindsdien verstreken waren hadden ze de aanwezigheid van het flaconnetje gevoeld; steeds voelden ze hoe ze dwars door de kastdeur heen vastgegrepen werden door de kille vingers van het noodlot.
Nu moest het er dan van komen, op deze woensdagavond, nadat ze hun brein genoeg beneveld hadden om de dodelijke angst voor het onvermijdelijke te vergeten, of in elk geval genoeg af te stompen om dit flesje, waarvan ze zoveel verwachtten, eindelijk tevoorschijn te halen.
Djak vulde de glazen met wodka, en haalde toen de dop van het flesje. Zijn handen trilden mee met de wereld. Gajl keek toe hoe hij boven elk glas een paar druppels losliet, die met een gigantische vaart naar beneden suisden en na een kleine oneindigheid met een doodsklap op de doodstille drank te pletter sloegen. De bruingele druppels vermengden zich razendsnel met de wodka, en waren weg.
Djak liet het flesje vallen. Het knalde uit elkaar op de tafel; de heftig dampende vloeistof liep in venijnige druppels over het tafelblad, en loste binnen een paar seconden op in de onrustige lucht.
"O, Jezus, wat gebeurt er nu weer?" riep Djak. "Wat doe ik? Wat doen we nu?"
Gajl rilde. "Weetje, volgens mij... Ik denk, dat we beter niet..."
Djak zeeg neer in zijn stoel, veegde met zijn koude hand over zijn voorhoofd en zei niets. Geen van beiden raakten ze het glas aan dat voor hen stond.
"Wat een vreemde kleuren bevat de wereld toch," sprak Djak na een tijdje, terwijl Gajl hem ontsteld in zijn ogen keek.
"Hond!" schreeuwde Gajl plotseling, terwijl hij opsprong. "Je deed het expres! Klootzak!"
Djak keek uit het raam. "Luister," zei hij, "Regen."
Gajl pakte zijn glas en smeet de vloeistof in Djaks gezicht. "Zie je wat je gedaan hebt?"
Djak hoorde hem niet. Hij staarde door het raam, en werd steeds bleker. "Het is zover. Zie je het niet? Ze zijn gekomen."
Wolven wachtten voor het raam. Hun ijselijke gehuil kroop door de kieren naar binnen.
Gajl hoorde het. Hij keek gespannen uit het raam, maar de schaduwen verborgen het gevaar.
Djak zag het ook, en zuchtte.
"Ik heb erop gewacht."
Gajl keek hem even aan, las in de ogen van zijn vriend dezelfde door bittere onverschiligheid verborgen angst, die ook zijn hart ineenkneep. Nu ging het gebeuren. Weer steeg het wolvengehuil op.
Toen verscheurde de stilte het geluid. Gajls blik doorpriemde de schaduwen, op zoek naar de demonen die zich daar schuil hielden.
"Er... zijn helemaal geen wolven."
Djak keek hem verbaasd aan, staarde toen weer angstig naar buiten en zei niets.
Het wolvengehuil kwam dichterbij, en omringde hen. Een keten van ijzingwekkende kreten, waaruit geen ontsnappen
mogelijk was.
Hun blikken braken af op de duisternis.

No comments:
Post a Comment