Een brug is aan mij gewijd
door mij natuurlijk van mij voor mij tot mij
als -- ik
Tijd, zijn, concreet,
wortel, diep, vermoed ik
steen kraakt open
gras groeit sap
de wereld die bestaat
negeert volkomen het gespuis
het jankend canaille
schofferend de dag
die nacht is eeuwig
waar adelaars staan van steen
hun trots in hun snavels vastgelegd
starend in eerbied voor hun eerbeid
en zo voorts, in het koude donker
eigendom van zilveren sterren.
Friday, November 18, 2011
geen raadsel maar ik
(logos)
Door een kier in het gordijn
kijk ik naar buiten op het gele steen
verhuld in de groene bomen
badend in de ijzige lucht
Dit uitzicht, versteend, als een foto van een schilderij
aan de muur van mijn stilstaand leven
waar het wam is van binnen
omdat lelies dansen
(neuros)
Mijn geest priemt door wolken
als bliksem die paden zoekt en vindt
en raast en kraakt en geeuwt
nadat hij alles vermorzelt.
Stof daalt neer, trekt op,
waait weg en ontsluiert
de chaos met daar middenin
Een piekig fort, rijzend, trotserend.
Kobolden janken scherp
tongen zwepen de hoge lucht
de zon gaat onder als koning
Oranje klieft zich een as
Sommige mensen stappen in
voeren conversaties met tongen
laag, maar trots als gebouwen
die de woede van Wodan weerstaan.
Een baby huilt nu maar het steen
staart mij nog steeds aan
onverschillig, gemoedelijk
water kruipt door buizen
Ik denk aan de woede van Venus
de kartelige randen van liefde
glorierijke fonteinen
met zweet bevuild en gewassen
Ik denk aan oude muren
hoog maar niet te hoog en goud
koepels als zonnen, vereeuwigd
door heilige wandaden van de mens
Dan denk ik weer aan straten
met mensen met rokken en laarzen
en muurtjes en winkels en brillen
en een stem die mij in zich herkent.
Door een kier in het gordijn
kijk ik naar buiten op het gele steen
verhuld in de groene bomen
badend in de ijzige lucht
Dit uitzicht, versteend, als een foto van een schilderij
aan de muur van mijn stilstaand leven
waar het wam is van binnen
omdat lelies dansen
(neuros)
Mijn geest priemt door wolken
als bliksem die paden zoekt en vindt
en raast en kraakt en geeuwt
nadat hij alles vermorzelt.
Stof daalt neer, trekt op,
waait weg en ontsluiert
de chaos met daar middenin
Een piekig fort, rijzend, trotserend.
Kobolden janken scherp
tongen zwepen de hoge lucht
de zon gaat onder als koning
Oranje klieft zich een as
Sommige mensen stappen in
voeren conversaties met tongen
laag, maar trots als gebouwen
die de woede van Wodan weerstaan.
Een baby huilt nu maar het steen
staart mij nog steeds aan
onverschillig, gemoedelijk
water kruipt door buizen
Ik denk aan de woede van Venus
de kartelige randen van liefde
glorierijke fonteinen
met zweet bevuild en gewassen
Ik denk aan oude muren
hoog maar niet te hoog en goud
koepels als zonnen, vereeuwigd
door heilige wandaden van de mens
Dan denk ik weer aan straten
met mensen met rokken en laarzen
en muurtjes en winkels en brillen
en een stem die mij in zich herkent.
Tuesday, November 15, 2011
sinds dat perron
Achteruit waait de wind in het verloren vizier
terug kaatst de bal van het lot heen en heen
het ventiel precarieus aan de buitenkant
Ik staar naar de kade in mijn herinnering
ik zie de grijze stenen die nu bloeien
verbeeld me het groen dat ik toen niet zag
De stroom is nog steeds kalm
nog steeds klinken voetstappen hol en ruim
niet langer kleven mijn vleugels aan het web.
terug kaatst de bal van het lot heen en heen
het ventiel precarieus aan de buitenkant
Ik staar naar de kade in mijn herinnering
ik zie de grijze stenen die nu bloeien
verbeeld me het groen dat ik toen niet zag
De stroom is nog steeds kalm
nog steeds klinken voetstappen hol en ruim
niet langer kleven mijn vleugels aan het web.
Sunday, November 13, 2011
Steenbok
Schat op de tast
je schermutseling
je muts in de sneeuw
zo is het
de boom staat
dat is klaar
de maan schijnt
naar
tot wie is gekomen
als elf zuilen
vergingen tot gruis
aan zijn hoef
je schermutseling
je muts in de sneeuw
zo is het
de boom staat
dat is klaar
de maan schijnt
naar
tot wie is gekomen
als elf zuilen
vergingen tot gruis
aan zijn hoef
Sunday, November 6, 2011
Paarlmoeren Vrachtschip
Ondraaglijke capriolen
gescheiden van mijn zekere ziel
verteren mijn gewelven
mijn brokkelende oerboom
de grote genade van het geweten
de geest in de fles op zee
slechts gezien door een piraat
en volkomen genegeerd.
Een eiland spoelt aan in t gezichtsveld
en staan voetstappen in het zand
geweest zijn hier lieden, verboden
ze zongen hymnen aan dode weelde
ik sta hier nu verloren
voor iedereen die mij ooit verliet
aan t strand met blote voeten
in het eeuwig wederekered gezang
schepsel, vurige bal, rood
geboren uit een razende bloem
veelstuwend gesternte, jij ding
aan de grondslag van onmogelijk engelengezang
wij kunnen niet versagen, dit bindt ons
in weerwil van rukkende paardekrachten
vlijmscherpe kettingen en wreedheid
in het traag stuivende woestijnzand
Wij zijn niet hier, waarheen men wijst
noch daar, waarvan men heen trekt
gezamelijk, in stoere karavanen
in de goddelijke middagzon
over hellingen kan men ons vinden
in grotten verschenen er tekens
in poelen weerspiegeld een glimlach
de tijd rooft zijn kostje bijeen
Enter dit paarlmoeren vrachtschip
zing uw beden, laat uw lied klinken
over de wrede golven
het zal niet onopgemerkt blijven.
gescheiden van mijn zekere ziel
verteren mijn gewelven
mijn brokkelende oerboom
de grote genade van het geweten
de geest in de fles op zee
slechts gezien door een piraat
en volkomen genegeerd.
Een eiland spoelt aan in t gezichtsveld
en staan voetstappen in het zand
geweest zijn hier lieden, verboden
ze zongen hymnen aan dode weelde
ik sta hier nu verloren
voor iedereen die mij ooit verliet
aan t strand met blote voeten
in het eeuwig wederekered gezang
schepsel, vurige bal, rood
geboren uit een razende bloem
veelstuwend gesternte, jij ding
aan de grondslag van onmogelijk engelengezang
wij kunnen niet versagen, dit bindt ons
in weerwil van rukkende paardekrachten
vlijmscherpe kettingen en wreedheid
in het traag stuivende woestijnzand
Wij zijn niet hier, waarheen men wijst
noch daar, waarvan men heen trekt
gezamelijk, in stoere karavanen
in de goddelijke middagzon
over hellingen kan men ons vinden
in grotten verschenen er tekens
in poelen weerspiegeld een glimlach
de tijd rooft zijn kostje bijeen
Enter dit paarlmoeren vrachtschip
zing uw beden, laat uw lied klinken
over de wrede golven
het zal niet onopgemerkt blijven.
potsierlijk gevaar
Stroomopwaarts voert de eindeloze redding
door nachten omgeven door koele dood
langs oevers die niet bestaan zonder eed
die nog niemand bereid is af te leggen
Nee geen kamermeisje dit keer, man
geen gerechtigheid op klaarlichte dag
geen rauwe schreeuw op het dorpsplein
maar een schot in de roos
Uitstekende kleinkeverkunst uit de bergen
van alleenheerschappij en verklaringen
van dood en leven als gummyberen
van rotswanden zonder kartels of tekens
ik scherts in mijn geheimschrift
aan tegen de golven die kermen
wensen, krijsen, schmieren
maar onbeantwoord bljjven
Ach ik hier, moederziel, steen
gerustgesteld door ongure blikken
met trouwe wolkenflarden, rood
als een toga om mijn ziel
vergeefs kijk ik naar buiten
veronderstel ik zaken, redeneer
kom tot conclusies, verlaat ze
en leg mij neer in gekreukte lakens
door nachten omgeven door koele dood
langs oevers die niet bestaan zonder eed
die nog niemand bereid is af te leggen
Nee geen kamermeisje dit keer, man
geen gerechtigheid op klaarlichte dag
geen rauwe schreeuw op het dorpsplein
maar een schot in de roos
Uitstekende kleinkeverkunst uit de bergen
van alleenheerschappij en verklaringen
van dood en leven als gummyberen
van rotswanden zonder kartels of tekens
ik scherts in mijn geheimschrift
aan tegen de golven die kermen
wensen, krijsen, schmieren
maar onbeantwoord bljjven
Ach ik hier, moederziel, steen
gerustgesteld door ongure blikken
met trouwe wolkenflarden, rood
als een toga om mijn ziel
vergeefs kijk ik naar buiten
veronderstel ik zaken, redeneer
kom tot conclusies, verlaat ze
en leg mij neer in gekreukte lakens
dungesmeerde dood
Ik reed geel van ijver door de stallen terug
mijn paard bezweet van vergeefse arbeid
ik grijs en kaal en dood in mijn gedachten
zonder zadel of teugels in de droge stank
Zo was mijn plan tot wasdom gekomen
onverhoopt, overhaast, onverschillig aan gort
de riemen gebroken in de grauwe zee
die het minder kon schelen dan niets
De zon was weer bleek in de grijze mist
staarde wat rond, wierp karig licht
de broden, gestolen, hard en groenschimmelig
geen eend waagde zich er nog aan
en toen was er rood, en een druppel dauw
zomaar uit het niets
als een traan langs de wang van het bestaan
tot bloedens toe vergeef ik U
mijn paard bezweet van vergeefse arbeid
ik grijs en kaal en dood in mijn gedachten
zonder zadel of teugels in de droge stank
Zo was mijn plan tot wasdom gekomen
onverhoopt, overhaast, onverschillig aan gort
de riemen gebroken in de grauwe zee
die het minder kon schelen dan niets
De zon was weer bleek in de grijze mist
staarde wat rond, wierp karig licht
de broden, gestolen, hard en groenschimmelig
geen eend waagde zich er nog aan
en toen was er rood, en een druppel dauw
zomaar uit het niets
als een traan langs de wang van het bestaan
tot bloedens toe vergeef ik U
Subscribe to:
Posts (Atom)
