Tuesday, August 25, 2009
Jack en het keukenraam
Jack stond voor zijn keukenraam en rapsodiseerde over het houtwerk. 'Wat is dit voor een stom keukenraam,' raposdiseerde hij, 'dit houtwerk is niet mooi afgewerkt. Ik bel de timmerman.' Buiten raasde de wind. Jack belde de timmerman. Na drie keer rinkelen nam die op: 'Tims Timmerbedrijf, wat kan ik voor u doen?' 'Ja, met Jack. Mijn raampje is... niet goed ingemetseld. En het houtwerk is... niet bevrdedigend, van kwaliteit. Kun u vandaag nog langskomen?' 'Dat gaat lastig worden in dit weer, meneer, Jack... zei u? 'Klopt, Jack is de naam'. 'Dat gaat lastig worden in dit weer. Maar voor een extra commissie kan ik buiten kantooruren zien wat ik voor u kan doen.' 'Dat is goed. Komt u maar wanneer het u schikt, een extra commissie, als die niet buitensporig van omvang is, ligt op u te wachten.' 'Uitstekend dan, meneer Jack. Ik meld me dan rond de klok van koffietijd na het eten aan uw adres, mits dat in de stad is. Uw adres, waar woont u precies?' 'Ik woon aan de Kanarielaan. Nummer 88. Drie hoog. Ik zie u dan.' Jack hing op met een zucht van verlichting. Eindelijk zou zijn keukenraam aan de hoge eisen voldoen die hij stelde aan al zijn interieur. De dag was nu al geslaagd.
Saturday, August 22, 2009
raadsel en perk
Raderen, dalende kamers in schachten
klamme krochten, nachten vol wolken
bochten en zomen, gewaden
krampachtig naderen van de toren
Tegengas in de stoomfontein
oproer in de kluwe, de raderen stokken
in de keel van het zenuwcentrum
nagenoeg dicht, slechts speeksel
luistert naar de wind als het de vloer raakt
toch was hier een boom, een aangezicht
een redenloos bedrijf, gegarandeerd:
u wacht, wat is het, dat u drijft
hier te staan, in de wind?
De appel valt niet ver, maar rolt de heuvel af
botst tegen perk en paal, laat zicht niet bepalen
door tak of boom of knauw of klap van de molen
de redenen vechten om voorrang, de appel rolt
en komt dan tot stilstand aan de voeten van een weduwe.
klamme krochten, nachten vol wolken
bochten en zomen, gewaden
krampachtig naderen van de toren
Tegengas in de stoomfontein
oproer in de kluwe, de raderen stokken
in de keel van het zenuwcentrum
nagenoeg dicht, slechts speeksel
luistert naar de wind als het de vloer raakt
toch was hier een boom, een aangezicht
een redenloos bedrijf, gegarandeerd:
u wacht, wat is het, dat u drijft
hier te staan, in de wind?
De appel valt niet ver, maar rolt de heuvel af
botst tegen perk en paal, laat zicht niet bepalen
door tak of boom of knauw of klap van de molen
de redenen vechten om voorrang, de appel rolt
en komt dan tot stilstand aan de voeten van een weduwe.
Saturday, August 8, 2009
zweemnacht
Ah, de trammelant van een stoorzender in een ongerept woud van verderf. Het OK-en van een schimmenspel in het transdimentionele cinemacomplex bovenop de berg van technologisch onderricht. Het krankjoreme van het zinnige, het stoppelbaardmoeras van een doodleuk kompaantje in het wegversperringsgebied. Nimmer kwam de leeuwerik totaan de nachtegaal, maar de pracht en praal van haar stemgeluid weerklonk in vergelijkbare domeinen door en gouden ringen strengelden zich ook om haar staart, en zo was een ras geboren, een legende, een mythe en een vergeten geschiedenis, die zij deelden en waardoor het mogelijk was te spreken van muziek, zonder deze te horen.
Dwazen en koningen en ruiters reden de zon tegemoet, de zondvloed voorbij en de regendampen stijgend van de grasdistels kwamen tot leven aan hun voeten, hun hoeven en roestten hun ijzers om het geheel het gevoel van 'authentiek' mee te geven voor bij de hemelpoort, waar de picknick gepland was. Zonder roest aan je hoefijzers kan je niet aankomen bij die verweerde openbaring, en dat wist de voorzienigheid maar al te goed. In het ongewisse van deze overwegingen stormden de paarden en hun ruiters voort door de dorder geworden en weer opgebloeide vlakte, en passeerden meren en schepselen in die meren die het daglicht niet verdragen konden, en die zich onder rotsen verborgen hielden tot het maanschijnsel op de varens boven de oevers uitspande als een onzichtbaar net dat al het zichtbare wikkelt in een kristallen doorschijnendheid, waardoor zels het slechte zich durft te tonen, bevrijd van de vrees voor het eigene, het blijvende, het steeds grimmig wachtende donkere, de reptielenstaart in de geest die voortleeft, en als alles terugschreeuwt naar de maan glimlacht zij want het is haar te doen om die aandacht, dat stenen monster, dat heerst over de jachtvelden van welleer, de spijt en de pijn van het onongedaanmaakbare, het onaanraakbare dat onze maag roert als het daglicht vervaagt en de stenen trappen van het leven in hun schrijnenden weerbarstigheid naar boven kronkelen voor ons ontmaskerde geestesoog.
Dwazen en koningen en ruiters reden de zon tegemoet, de zondvloed voorbij en de regendampen stijgend van de grasdistels kwamen tot leven aan hun voeten, hun hoeven en roestten hun ijzers om het geheel het gevoel van 'authentiek' mee te geven voor bij de hemelpoort, waar de picknick gepland was. Zonder roest aan je hoefijzers kan je niet aankomen bij die verweerde openbaring, en dat wist de voorzienigheid maar al te goed. In het ongewisse van deze overwegingen stormden de paarden en hun ruiters voort door de dorder geworden en weer opgebloeide vlakte, en passeerden meren en schepselen in die meren die het daglicht niet verdragen konden, en die zich onder rotsen verborgen hielden tot het maanschijnsel op de varens boven de oevers uitspande als een onzichtbaar net dat al het zichtbare wikkelt in een kristallen doorschijnendheid, waardoor zels het slechte zich durft te tonen, bevrijd van de vrees voor het eigene, het blijvende, het steeds grimmig wachtende donkere, de reptielenstaart in de geest die voortleeft, en als alles terugschreeuwt naar de maan glimlacht zij want het is haar te doen om die aandacht, dat stenen monster, dat heerst over de jachtvelden van welleer, de spijt en de pijn van het onongedaanmaakbare, het onaanraakbare dat onze maag roert als het daglicht vervaagt en de stenen trappen van het leven in hun schrijnenden weerbarstigheid naar boven kronkelen voor ons ontmaskerde geestesoog.
een dwaas is geen dwaas
Ramshoorn, koortsdroom, rotsboom, lamskoren
wandelgang, trammelant, krochten diep, aftershock
klonterend ijs, wezels grijs, ronkeld staal, moordkabaal
rotsendamp krochten kramp, reddend vizier, ver van hier
stampend moord, rampenoord, doornendring, woordenring
Staand voor de nevel van zijn bestaan was Geraldibard, alias Henk, de contouren van dit dampenrijk aan het nagaan. Rond, scheef, recht, wat was het? Hij kon er zijn vinger niet op leggen. Hij probeerde het toch - de dampen weken voor zijn warme aanraking. Het was hem egaal - observeren was alles wat hij deed, voor nu. Hij staarde nog wat meer. Er kwam een bliksem uit, en een regenboog, en een paar groene geesten dansten rond en zijn oog nam de kleur en scherpte van een tijgeroog aan. Hij zag zijn eigen zien, en viel in een diepe slaap.
Dromen knaagden aan hem, hij rommelde met dromen, kastelen vielen en werden herbouwd uit grote grijze blokken, de jonkvrouw met haar witte kleed en gouden kroon gilde uit het raam en stortte zich in het vangnet van de uitgerukte brandweer, donkere wolken verzamelden zich zonder echt samen te pakken, de lucht was paars hier en blauw daar en rood boven de horizon, waar ook het geel van de zon te zien was. Geel, goud, Henk vond dit een alleraangenaamste combinatie. Hij stoof op zijn zwarte peerd richting die horizonten die zulk een plezierig patroon wisten voort te brengen. De jonkvrouw keek hem na, maar slechts voor de vorm. Oh die hoofse liefde, romantiek zonder aanrakingen, het hoogste van het hoogste, en zo volkomen onverifieerbaar voor de dagelijkse kost. Kom aan, Henk gaf zijn peerd de sporen en ze stoven nog harder, om het stuiven was het hen te doen, want het bereiken van de horizon of zelfs maar de gouden bol die daarboven hing, dat was immers een waanidee. Hoe hoofs de liefde van Henk ook was, een dwaas was hij niet.
Toen de koning uitgegeten was en hij zijn botten uitgespuwd had viel hij als een lege zak in elkaar. De lakeien moesten hem opvegen. Men vergaf het hem spoedig, want zijn regime verloor haar aantrekkingskracht op buitenlandse investeerders en rust kwam weer over de velden. Wijnranken ontsproten aan de dor geworden wildernis en brachten zoet-sappige, donkerpaars gevelde vruchten voort die het land ondersteunden in het terugvinden van zijn oorspronkelijke geestdriften en hartstochten. Lang duurde dit, eeuwen, eeuwen leefde het land in de zelfomsluitende vergetelheid, en het was goed. Toen de buitenlandse investeerders terugkeerden, met hun peerden, hun jeeps en privejets, toen had het land zich al duizendmaal in zijn graf ogedraaid en was zolangzamerhand wel toe aan een ontbijt. Maar eerst koffie. De slimme investeerders die hierop hadden geanticipeerd kregen het voor elkaar de natuurlijke grondstoffen van het land voor zich te winnen en zich ermee te verloven. Het honderdste jaar was eeuwig, en de sterren daalden neer tot in de kruin vaneen boom vol gevolgelte. Tsjielp tsjielp, leerden de leeweriken de sterren zingen. Nog nooit was de hemel zo paars, en de horizon zo rood, of geel of goud, naargelang door welke bril je onze historie pleegt te beschouwen.
wandelgang, trammelant, krochten diep, aftershock
klonterend ijs, wezels grijs, ronkeld staal, moordkabaal
rotsendamp krochten kramp, reddend vizier, ver van hier
stampend moord, rampenoord, doornendring, woordenring
Staand voor de nevel van zijn bestaan was Geraldibard, alias Henk, de contouren van dit dampenrijk aan het nagaan. Rond, scheef, recht, wat was het? Hij kon er zijn vinger niet op leggen. Hij probeerde het toch - de dampen weken voor zijn warme aanraking. Het was hem egaal - observeren was alles wat hij deed, voor nu. Hij staarde nog wat meer. Er kwam een bliksem uit, en een regenboog, en een paar groene geesten dansten rond en zijn oog nam de kleur en scherpte van een tijgeroog aan. Hij zag zijn eigen zien, en viel in een diepe slaap.
Dromen knaagden aan hem, hij rommelde met dromen, kastelen vielen en werden herbouwd uit grote grijze blokken, de jonkvrouw met haar witte kleed en gouden kroon gilde uit het raam en stortte zich in het vangnet van de uitgerukte brandweer, donkere wolken verzamelden zich zonder echt samen te pakken, de lucht was paars hier en blauw daar en rood boven de horizon, waar ook het geel van de zon te zien was. Geel, goud, Henk vond dit een alleraangenaamste combinatie. Hij stoof op zijn zwarte peerd richting die horizonten die zulk een plezierig patroon wisten voort te brengen. De jonkvrouw keek hem na, maar slechts voor de vorm. Oh die hoofse liefde, romantiek zonder aanrakingen, het hoogste van het hoogste, en zo volkomen onverifieerbaar voor de dagelijkse kost. Kom aan, Henk gaf zijn peerd de sporen en ze stoven nog harder, om het stuiven was het hen te doen, want het bereiken van de horizon of zelfs maar de gouden bol die daarboven hing, dat was immers een waanidee. Hoe hoofs de liefde van Henk ook was, een dwaas was hij niet.
Toen de koning uitgegeten was en hij zijn botten uitgespuwd had viel hij als een lege zak in elkaar. De lakeien moesten hem opvegen. Men vergaf het hem spoedig, want zijn regime verloor haar aantrekkingskracht op buitenlandse investeerders en rust kwam weer over de velden. Wijnranken ontsproten aan de dor geworden wildernis en brachten zoet-sappige, donkerpaars gevelde vruchten voort die het land ondersteunden in het terugvinden van zijn oorspronkelijke geestdriften en hartstochten. Lang duurde dit, eeuwen, eeuwen leefde het land in de zelfomsluitende vergetelheid, en het was goed. Toen de buitenlandse investeerders terugkeerden, met hun peerden, hun jeeps en privejets, toen had het land zich al duizendmaal in zijn graf ogedraaid en was zolangzamerhand wel toe aan een ontbijt. Maar eerst koffie. De slimme investeerders die hierop hadden geanticipeerd kregen het voor elkaar de natuurlijke grondstoffen van het land voor zich te winnen en zich ermee te verloven. Het honderdste jaar was eeuwig, en de sterren daalden neer tot in de kruin vaneen boom vol gevolgelte. Tsjielp tsjielp, leerden de leeweriken de sterren zingen. Nog nooit was de hemel zo paars, en de horizon zo rood, of geel of goud, naargelang door welke bril je onze historie pleegt te beschouwen.
Subscribe to:
Posts (Atom)
