De knel van de hoek
in de steeg bij de straat
waar koperen pijpen liggen
doven koplampen
en hoort men een "klik".
De baas stapt uit.
Een vogel kijkt toe hoe
de metalen deur knarst
als de leren schoen naar binnen stapt.
Binnen is het donker
er gaat een licht aan
en dan een hele batterij.
Zijn laatste helhol
bevat een onmogelijkheid
en barst door loyaliteit.
Friday, December 9, 2011
Thursday, December 8, 2011
Er-zijnd & diens technische applicatie
Rollende schouders
ademende wegen
goede banen
toekomst op schoot
kalme krachtsinspanningen
losgelaten en herpakt in de curve
Gretig zijnd
kalm aan
we zijn er
ademende wegen
goede banen
toekomst op schoot
kalme krachtsinspanningen
losgelaten en herpakt in de curve
Gretig zijnd
kalm aan
we zijn er
Saturday, December 3, 2011
Kris Kras
Gluiperig paars
gloedvolle bellen schimmerend
in het karige boogje
van diament, vloedlijn, hulp
bij gade, redding te nood van besluit
geen dood meer geen eeuwig sterven
voor even
boegbeeld onevenswaardig
trotsch geschemer ter nacht
nat in het regenpark, sluiks in het gras
grenzend aan suprematie
een regenworm
tersluiks is het geschillendebat
tot stilstand gekomen de
kruiwagen is verschillend
van zichzelf en verschilt alleen daarom van 1
We kunnen niet dan constateren
dat we niet kunnen constateren
dat wat in deze waarde rust
een dolend doel zal zijn
hoe te vinden
deze schepe
in het duister?
de borden staan aangegeven
er is tijd verstreken
Krijs nu
gloedvolle bellen schimmerend
in het karige boogje
van diament, vloedlijn, hulp
bij gade, redding te nood van besluit
geen dood meer geen eeuwig sterven
voor even
boegbeeld onevenswaardig
trotsch geschemer ter nacht
nat in het regenpark, sluiks in het gras
grenzend aan suprematie
een regenworm
tersluiks is het geschillendebat
tot stilstand gekomen de
kruiwagen is verschillend
van zichzelf en verschilt alleen daarom van 1
We kunnen niet dan constateren
dat we niet kunnen constateren
dat wat in deze waarde rust
een dolend doel zal zijn
hoe te vinden
deze schepe
in het duister?
de borden staan aangegeven
er is tijd verstreken
Krijs nu
Ierse gloed
De steeg
rond en zucht
kaal
Iers
Tweeds
gaan de wereld rond als azen
sneeuw verdampt
Geeuw
De morgenstond aast op Gieren
er dood veroordeeld door het lot
door vlaggen, Beren en kastelen
Ierse wonderen
Terdege sluit het sluitstuk
Het gene ten westen
van het oosten der nacht
van verdwaalde zielen
Vertwijfelde aanstonds schijnende
verzalfden, kanige knechten delen
de was, in het oude schiergat
Komen we tezamen? If lachten dit in binnenste
binnenstebuitenstebolderwijn
ik spleet
de aarde
te niet
in gouwerblijn
of wat dat ook betekent
zeggen zonder zeggingskracht
of zeggingskracht zonder zeggen
de zondaars zijn de criminelen
des wils
De stad is in de kiem
paars
goud gloed
leerzaam, donker waardig, trust
troost, tranen, treurwilgenconcert
waarom bestaat dit?
Geen antwoord.
rond en zucht
kaal
Iers
Tweeds
gaan de wereld rond als azen
sneeuw verdampt
Geeuw
De morgenstond aast op Gieren
er dood veroordeeld door het lot
door vlaggen, Beren en kastelen
Ierse wonderen
Terdege sluit het sluitstuk
Het gene ten westen
van het oosten der nacht
van verdwaalde zielen
Vertwijfelde aanstonds schijnende
verzalfden, kanige knechten delen
de was, in het oude schiergat
Komen we tezamen? If lachten dit in binnenste
binnenstebuitenstebolderwijn
ik spleet
de aarde
te niet
in gouwerblijn
of wat dat ook betekent
zeggen zonder zeggingskracht
of zeggingskracht zonder zeggen
de zondaars zijn de criminelen
des wils
De stad is in de kiem
paars
goud gloed
leerzaam, donker waardig, trust
troost, tranen, treurwilgenconcert
waarom bestaat dit?
Geen antwoord.
Friday, November 18, 2011
stalen brug
Een brug is aan mij gewijd
door mij natuurlijk van mij voor mij tot mij
als -- ik
Tijd, zijn, concreet,
wortel, diep, vermoed ik
steen kraakt open
gras groeit sap
de wereld die bestaat
negeert volkomen het gespuis
het jankend canaille
schofferend de dag
die nacht is eeuwig
waar adelaars staan van steen
hun trots in hun snavels vastgelegd
starend in eerbied voor hun eerbeid
en zo voorts, in het koude donker
eigendom van zilveren sterren.
door mij natuurlijk van mij voor mij tot mij
als -- ik
Tijd, zijn, concreet,
wortel, diep, vermoed ik
steen kraakt open
gras groeit sap
de wereld die bestaat
negeert volkomen het gespuis
het jankend canaille
schofferend de dag
die nacht is eeuwig
waar adelaars staan van steen
hun trots in hun snavels vastgelegd
starend in eerbied voor hun eerbeid
en zo voorts, in het koude donker
eigendom van zilveren sterren.
geen raadsel maar ik
(logos)
Door een kier in het gordijn
kijk ik naar buiten op het gele steen
verhuld in de groene bomen
badend in de ijzige lucht
Dit uitzicht, versteend, als een foto van een schilderij
aan de muur van mijn stilstaand leven
waar het wam is van binnen
omdat lelies dansen
(neuros)
Mijn geest priemt door wolken
als bliksem die paden zoekt en vindt
en raast en kraakt en geeuwt
nadat hij alles vermorzelt.
Stof daalt neer, trekt op,
waait weg en ontsluiert
de chaos met daar middenin
Een piekig fort, rijzend, trotserend.
Kobolden janken scherp
tongen zwepen de hoge lucht
de zon gaat onder als koning
Oranje klieft zich een as
Sommige mensen stappen in
voeren conversaties met tongen
laag, maar trots als gebouwen
die de woede van Wodan weerstaan.
Een baby huilt nu maar het steen
staart mij nog steeds aan
onverschillig, gemoedelijk
water kruipt door buizen
Ik denk aan de woede van Venus
de kartelige randen van liefde
glorierijke fonteinen
met zweet bevuild en gewassen
Ik denk aan oude muren
hoog maar niet te hoog en goud
koepels als zonnen, vereeuwigd
door heilige wandaden van de mens
Dan denk ik weer aan straten
met mensen met rokken en laarzen
en muurtjes en winkels en brillen
en een stem die mij in zich herkent.
Door een kier in het gordijn
kijk ik naar buiten op het gele steen
verhuld in de groene bomen
badend in de ijzige lucht
Dit uitzicht, versteend, als een foto van een schilderij
aan de muur van mijn stilstaand leven
waar het wam is van binnen
omdat lelies dansen
(neuros)
Mijn geest priemt door wolken
als bliksem die paden zoekt en vindt
en raast en kraakt en geeuwt
nadat hij alles vermorzelt.
Stof daalt neer, trekt op,
waait weg en ontsluiert
de chaos met daar middenin
Een piekig fort, rijzend, trotserend.
Kobolden janken scherp
tongen zwepen de hoge lucht
de zon gaat onder als koning
Oranje klieft zich een as
Sommige mensen stappen in
voeren conversaties met tongen
laag, maar trots als gebouwen
die de woede van Wodan weerstaan.
Een baby huilt nu maar het steen
staart mij nog steeds aan
onverschillig, gemoedelijk
water kruipt door buizen
Ik denk aan de woede van Venus
de kartelige randen van liefde
glorierijke fonteinen
met zweet bevuild en gewassen
Ik denk aan oude muren
hoog maar niet te hoog en goud
koepels als zonnen, vereeuwigd
door heilige wandaden van de mens
Dan denk ik weer aan straten
met mensen met rokken en laarzen
en muurtjes en winkels en brillen
en een stem die mij in zich herkent.
Tuesday, November 15, 2011
sinds dat perron
Achteruit waait de wind in het verloren vizier
terug kaatst de bal van het lot heen en heen
het ventiel precarieus aan de buitenkant
Ik staar naar de kade in mijn herinnering
ik zie de grijze stenen die nu bloeien
verbeeld me het groen dat ik toen niet zag
De stroom is nog steeds kalm
nog steeds klinken voetstappen hol en ruim
niet langer kleven mijn vleugels aan het web.
terug kaatst de bal van het lot heen en heen
het ventiel precarieus aan de buitenkant
Ik staar naar de kade in mijn herinnering
ik zie de grijze stenen die nu bloeien
verbeeld me het groen dat ik toen niet zag
De stroom is nog steeds kalm
nog steeds klinken voetstappen hol en ruim
niet langer kleven mijn vleugels aan het web.
Sunday, November 13, 2011
Steenbok
Schat op de tast
je schermutseling
je muts in de sneeuw
zo is het
de boom staat
dat is klaar
de maan schijnt
naar
tot wie is gekomen
als elf zuilen
vergingen tot gruis
aan zijn hoef
je schermutseling
je muts in de sneeuw
zo is het
de boom staat
dat is klaar
de maan schijnt
naar
tot wie is gekomen
als elf zuilen
vergingen tot gruis
aan zijn hoef
Sunday, November 6, 2011
Paarlmoeren Vrachtschip
Ondraaglijke capriolen
gescheiden van mijn zekere ziel
verteren mijn gewelven
mijn brokkelende oerboom
de grote genade van het geweten
de geest in de fles op zee
slechts gezien door een piraat
en volkomen genegeerd.
Een eiland spoelt aan in t gezichtsveld
en staan voetstappen in het zand
geweest zijn hier lieden, verboden
ze zongen hymnen aan dode weelde
ik sta hier nu verloren
voor iedereen die mij ooit verliet
aan t strand met blote voeten
in het eeuwig wederekered gezang
schepsel, vurige bal, rood
geboren uit een razende bloem
veelstuwend gesternte, jij ding
aan de grondslag van onmogelijk engelengezang
wij kunnen niet versagen, dit bindt ons
in weerwil van rukkende paardekrachten
vlijmscherpe kettingen en wreedheid
in het traag stuivende woestijnzand
Wij zijn niet hier, waarheen men wijst
noch daar, waarvan men heen trekt
gezamelijk, in stoere karavanen
in de goddelijke middagzon
over hellingen kan men ons vinden
in grotten verschenen er tekens
in poelen weerspiegeld een glimlach
de tijd rooft zijn kostje bijeen
Enter dit paarlmoeren vrachtschip
zing uw beden, laat uw lied klinken
over de wrede golven
het zal niet onopgemerkt blijven.
gescheiden van mijn zekere ziel
verteren mijn gewelven
mijn brokkelende oerboom
de grote genade van het geweten
de geest in de fles op zee
slechts gezien door een piraat
en volkomen genegeerd.
Een eiland spoelt aan in t gezichtsveld
en staan voetstappen in het zand
geweest zijn hier lieden, verboden
ze zongen hymnen aan dode weelde
ik sta hier nu verloren
voor iedereen die mij ooit verliet
aan t strand met blote voeten
in het eeuwig wederekered gezang
schepsel, vurige bal, rood
geboren uit een razende bloem
veelstuwend gesternte, jij ding
aan de grondslag van onmogelijk engelengezang
wij kunnen niet versagen, dit bindt ons
in weerwil van rukkende paardekrachten
vlijmscherpe kettingen en wreedheid
in het traag stuivende woestijnzand
Wij zijn niet hier, waarheen men wijst
noch daar, waarvan men heen trekt
gezamelijk, in stoere karavanen
in de goddelijke middagzon
over hellingen kan men ons vinden
in grotten verschenen er tekens
in poelen weerspiegeld een glimlach
de tijd rooft zijn kostje bijeen
Enter dit paarlmoeren vrachtschip
zing uw beden, laat uw lied klinken
over de wrede golven
het zal niet onopgemerkt blijven.
potsierlijk gevaar
Stroomopwaarts voert de eindeloze redding
door nachten omgeven door koele dood
langs oevers die niet bestaan zonder eed
die nog niemand bereid is af te leggen
Nee geen kamermeisje dit keer, man
geen gerechtigheid op klaarlichte dag
geen rauwe schreeuw op het dorpsplein
maar een schot in de roos
Uitstekende kleinkeverkunst uit de bergen
van alleenheerschappij en verklaringen
van dood en leven als gummyberen
van rotswanden zonder kartels of tekens
ik scherts in mijn geheimschrift
aan tegen de golven die kermen
wensen, krijsen, schmieren
maar onbeantwoord bljjven
Ach ik hier, moederziel, steen
gerustgesteld door ongure blikken
met trouwe wolkenflarden, rood
als een toga om mijn ziel
vergeefs kijk ik naar buiten
veronderstel ik zaken, redeneer
kom tot conclusies, verlaat ze
en leg mij neer in gekreukte lakens
door nachten omgeven door koele dood
langs oevers die niet bestaan zonder eed
die nog niemand bereid is af te leggen
Nee geen kamermeisje dit keer, man
geen gerechtigheid op klaarlichte dag
geen rauwe schreeuw op het dorpsplein
maar een schot in de roos
Uitstekende kleinkeverkunst uit de bergen
van alleenheerschappij en verklaringen
van dood en leven als gummyberen
van rotswanden zonder kartels of tekens
ik scherts in mijn geheimschrift
aan tegen de golven die kermen
wensen, krijsen, schmieren
maar onbeantwoord bljjven
Ach ik hier, moederziel, steen
gerustgesteld door ongure blikken
met trouwe wolkenflarden, rood
als een toga om mijn ziel
vergeefs kijk ik naar buiten
veronderstel ik zaken, redeneer
kom tot conclusies, verlaat ze
en leg mij neer in gekreukte lakens
dungesmeerde dood
Ik reed geel van ijver door de stallen terug
mijn paard bezweet van vergeefse arbeid
ik grijs en kaal en dood in mijn gedachten
zonder zadel of teugels in de droge stank
Zo was mijn plan tot wasdom gekomen
onverhoopt, overhaast, onverschillig aan gort
de riemen gebroken in de grauwe zee
die het minder kon schelen dan niets
De zon was weer bleek in de grijze mist
staarde wat rond, wierp karig licht
de broden, gestolen, hard en groenschimmelig
geen eend waagde zich er nog aan
en toen was er rood, en een druppel dauw
zomaar uit het niets
als een traan langs de wang van het bestaan
tot bloedens toe vergeef ik U
mijn paard bezweet van vergeefse arbeid
ik grijs en kaal en dood in mijn gedachten
zonder zadel of teugels in de droge stank
Zo was mijn plan tot wasdom gekomen
onverhoopt, overhaast, onverschillig aan gort
de riemen gebroken in de grauwe zee
die het minder kon schelen dan niets
De zon was weer bleek in de grijze mist
staarde wat rond, wierp karig licht
de broden, gestolen, hard en groenschimmelig
geen eend waagde zich er nog aan
en toen was er rood, en een druppel dauw
zomaar uit het niets
als een traan langs de wang van het bestaan
tot bloedens toe vergeef ik U
Tuesday, August 16, 2011
1. De Jongeling
Wijze man! Sprak de jongeling op klaaglijke toon indringend aan de Vorst, die hem genadig gezind was. Hoeder van Uw Volk, beschermeling van het Noodlot! Als uw hart niet van steen is, koud als de rotsen in het Noorden die veel te verduren hebben van de wrede zee, gekoeld door scherpe winden en de haat van de Zeedemonen, antwoord mij dan met uw machtige stem, O mannen aansporende geweldenaar! Want ik vraag u open en bloot, zonder de roerselen van mijn hart voor u te verbergen: heeft U gezien, waar mijn vriend is heengegaan, de Godgelijke dichter die zowel de beste soldaten van de baardige volkeren in het Oosten schrik aanjoeg met zijn verbrijzelende vuistslag, als met zijn glansrijke liederen de harten verlichtte van zijn vrienden, toen hij nog bij ze was? En de Vorst die hem genadig gezind was werd verscheurd door de twee willen die aan hem hun bevelen oplegden, namelijk die van het hoofd en die van het hart. Maar uiteindelijk koos hij ervoor de wil van zijn hoofd te onderwerpen en sprak hij met zijn hart, en wat hij sprak was de waarheid: Beste jongen die uit een volk uitverkoren werd door de Hemelbarster, ik zeg je eerlijk en uit de grond van mijn hart deze waarheid: jouw vriend heeft zich uit vrije wil bij de mannen gevoegd die uit het Noorden kwamen, en die ijselijke strijdkreten uitstoten wanneer zij aanvallen en voorlinies breken. Ik zeg je diep treurend in mijn hart voor jouw verlies, dat hij zich heeft afgekeerd van de paardenvoedende vlaktes waarop hij werd grootgebracht, en voet heeft gezet richting de stormgodenvererende volkeren die niets vrezen, zelfs niet de dood en het donkere doodslot. En de jongen was verbijsterd en hij verstarde in zijn hart toen hij dit hoorde en het werd hem zwart voor de ogen en hij wenste dat de rotsensplijtende lotsbepaler hem het leven zou ontnemen met een genadige blikseminslag. Maar toen maakte een of andere God dat er een vuur ontbrandde in zijn middenrif en hij gaf vleugels aan zijn woorden: Maar als dit waar is, Koning en hoeder van het volk dat u terecht vereert want u bent rechtvaardig en verkiest nooit zomaar de één boven de ander maar u heeft altijd een goede reden voor uw oordeel, zoveel is mij wel bekend, en ik twijfel er niet aan dat wat u zegt de waarheid is, ook al is die wreed en stroomt hij over uw lippen op de adem vanuit uw middenrif zoals de mannenvertwijfelende lotsbepaler de schepen teistert van hen die huiswaarts willen keren maar die tegen hun wil van hun huis worden verdreven, dan zal ik mijn moed verzamelen en mijn vrienden bijeenbrengen voor een offermaaltijd aan de onsterfelijke Goden die strenge regels stellen en altijd goed opletten of de mensen hen wel correct vereren, en dan zal ik het malste stuk vlees van mijn beste schaap verbranden en ik pleng de zoete wijn samen met mijn beste vrienden om de Goden gunstig te stemmen want geen sterveling slaagt erin zijn doel te bereiken zonder goeddunken van de Goden, en ik zal afreizen naar het noorden! En diep in zijn hart was de Vorst die de jongen genadig gezind was verrukt over dit voornemen want hij vermoedde, dat de alleswetende Goden dit alles hadden voorzien en al plannen beraamden om de tocht van de jongen tot een succes te maken zonder hem ten prooi te laten vallen aan de akelig huilende wolven in de schaduwwerpende wouden met de goedverborgen wegen, en hem een weerzien met zijn vriend wilden gunnen. En zij nuttigden met veel smaak het vlees dat hen op gouden schalen werd aangereikt door prachtige slaven met glanzende donkere huid en zij offerden zorgvuldig en toen dronken ze de zoete wijn en met elke slok werden hun zorgen minder, want zij dronken zich de moed van de Goden in, die over alles heersen en geen vrees kennen.
Saturday, August 6, 2011
G-strijder
Limiet
Groots en Zacht
krampachtig en machtig
mysterieus en dames-achtig
vierkant, weerbarstig
kartelig,
de bard wacht af
tot het
breed toegejuichte openingsschot
de signalen flakkeren
de doodsmoed is terzijde
de springplank is gehesen
Wie nu predikt zal verdwijnen
wie nu aarzelt zal verdoemen
wie nu deelneemt zal beslissen
wie nu kantelt zal branden
wie luistert naar de kraaien
gaat naar de haaien
wie zaait in gronden
likt oude wonden
wie zich verzet
die wordt geplet
wie overgeeft
die overleeft
wie groeit
die boeit
wie lapt
die papt
aan met de kraan
op de justrein
Groots en Zacht
krampachtig en machtig
mysterieus en dames-achtig
vierkant, weerbarstig
kartelig,
de bard wacht af
tot het
breed toegejuichte openingsschot
de signalen flakkeren
de doodsmoed is terzijde
de springplank is gehesen
Wie nu predikt zal verdwijnen
wie nu aarzelt zal verdoemen
wie nu deelneemt zal beslissen
wie nu kantelt zal branden
wie luistert naar de kraaien
gaat naar de haaien
wie zaait in gronden
likt oude wonden
wie zich verzet
die wordt geplet
wie overgeeft
die overleeft
wie groeit
die boeit
wie lapt
die papt
aan met de kraan
op de justrein
Aan de doofpot geluisterd
Er was eens een paard in de skilift en toen was het aan het regenen, dikke langzame droppen op het plexiglas en de paardebek keek zeggingsloos naar buiten, toen de bomen voorlangs gleden en hij zijn afdaling anticiperend op zijn dooie akkertje niets zat te doen, denken of ook maar vermoeden, hij was gewoon een vaag beeld in iemands hoofd die een beeld is in iemands hoofd die nu een beeld heeft van zichzelf - en de dikke droppels regenden Dik Trom op zijn bolle buikje en sloegen hem termaals drie keer in 's gelaats. Zo kwam hij op de zwarte tegels terecht, en stierf een onnodig doodje, nog voor dat hij zijn croissantje had kunnen verorberen. De garnalen dfie avond smaakten Mietje niet, al wist zen van niks over Dik Troms duistere doodslot want er werd alleen maar over gefluisterd in de doofpot.
Het Luchtkasteel
Het wordt nu lichter buiten
Lichter dan ooit
nooit meer te nimmer
zo licht op dit uur
van de nacht
Ik wil niet dit krijsen der moleculen
dit weerbarstig ontwaken
kraken, knersen, driemaal neen!
de auto raast
hij is... onwelkom
een scooter -
de hele dag is kapot.
van binnen warm licht
tegen dat - tekstiel
tussen mij en de dag die
hier
is
nu
en
ik
wacht op de tekenen van de Heilige Eland met het Geheimzinnige Gewei.
In April leggen de kippen de goudste eieren
in de sterfelijkheidsbenoemer rent de stuurman naar dek
zinnen om een gulden snede raken kant noch wal maar
zijn die dekselse bliksem nog niet kwijt.
Lichter dan ooit
nooit meer te nimmer
zo licht op dit uur
van de nacht
Ik wil niet dit krijsen der moleculen
dit weerbarstig ontwaken
kraken, knersen, driemaal neen!
de auto raast
hij is... onwelkom
een scooter -
de hele dag is kapot.
van binnen warm licht
tegen dat - tekstiel
tussen mij en de dag die
hier
is
nu
en
ik
wacht op de tekenen van de Heilige Eland met het Geheimzinnige Gewei.
In April leggen de kippen de goudste eieren
in de sterfelijkheidsbenoemer rent de stuurman naar dek
zinnen om een gulden snede raken kant noch wal maar
zijn die dekselse bliksem nog niet kwijt.
Vlag vaandel wapper
Het grootschalige gevecht
van optellend lijden tegen de machine
verbindt de mensen met wil
te staan als bewust
van optellend lijden tegen de machine
verbindt de mensen met wil
te staan als bewust
Boek tm
vuur in steden
op dit moment
afgrijselijk
wat doe ik?
ik wacht berustend
tot tijden die komen
volgende week
over een week
ik drink een glas melk
ik ga naar de wc
ik wacht
op macht
hier is een deurkruk
daar een platform
hier een glazen wand
hier is een visnet
een stuk touw en een mes
hier is een boek.
op dit moment
afgrijselijk
wat doe ik?
ik wacht berustend
tot tijden die komen
volgende week
over een week
ik drink een glas melk
ik ga naar de wc
ik wacht
op macht
hier is een deurkruk
daar een platform
hier een glazen wand
hier is een visnet
een stuk touw en een mes
hier is een boek.
Friday, August 5, 2011
de Aardschokker
En toen de schepen vertrokken van de zilte kust ontwaakte ergens, diep in zee, de Aardschokker met de blauwzwarte haren uit een van zijn door nymfen bewoonde dromen. Hij spoedde zich uit zijn groenzwarte vesting diep onder de gladde, windloze spiegel van duisternis, en begaf zich met de vaart van duizend dolfijnen naar de plek, waar de kielen van de schepen zich door zijn wateren kliefden. Al vlug had de Aardschokker door dat het hier niet ging om heiligschenners, maar om wankele wezens die zich dieper in het bestaan wensten te verankeren. En hij liet toe dat ze zijn domein verder binnendrongen, en trof met de gezwinde spoed waartoe alleen een onsterfelijke God in staat is al maatregelen voor hun ontvangst in zijn heiligdom. Hij nam zich voor een schipbreuk veroorzaken nabij de kust van een rotsig, kaal eiland waar men diep moet graven in de eigen krachten, om het er goed vanaf te brengen, en niet vroegtijdig en jammerlijk in de armen te vallen van een of ander donker doodslot. En het plezierde de Aardschokker dat hij zich kon bemoeien met de levens van mensen, want ondanks zijn verachting voor hun zwakte en de ergerniswekkende meelij die de goeden onder hen soms in hem teweegbrachten, had hij in de besten van hun het doorzettingsvermogen lief en vergeleek het soms met de onwrikbaarheid getijden van zijn eigen wereldomarmende rijk. En over de zee viel nu de nacht, en in de holle zwarte schepen ontstaken nu de waaglustige avonturiers enkele fakkels, en vanaf de Olympus keek de Lotsbepaler toe in verwondering, over zoveel moed in zulke zwakke schepselen. En de avonturiers openden twee kruiken met onvermengde wijn - een godendrank - en maakten plengoffers aan de onsterfelijke Goden, en in het bijzonder aan de Aardschokker, niet vermoedend wat die voor hen in petto had...
En een straffe wind stak op toen het ochtend met duizend roze vingers gloorde, en de mannen haasten zich naar de touwen van de goedgeweven zeilen en trokken die strak, zodat de sierlijke schepen, die krom waren van voren en van achter, zich als speren over het wateroppervlak bewogen, tegengehouden door geen sterfelijke kracht.
En een straffe wind stak op toen het ochtend met duizend roze vingers gloorde, en de mannen haasten zich naar de touwen van de goedgeweven zeilen en trokken die strak, zodat de sierlijke schepen, die krom waren van voren en van achter, zich als speren over het wateroppervlak bewogen, tegengehouden door geen sterfelijke kracht.
Tuesday, August 2, 2011
tent zonder grondzeil
Het woord is een grensgebied
de spreker is een reiziger
soms is er controle
nooit een plaatsbewijs
Klimmende slak op nat asfalt
nat krakend hout in een schuur
Vlak meer, heet, muggen en damp
een pad die een vlinder bespiedt
De dichter langs hekken dijken
strijkt strelend langs hun strakke lijn
plots richt hij zijn blik op:
de geslagen bres grijnst hem toe.
het eeuwige sterven de vleugels
ter afwending van het niets
de schuwe kern ontvouwt zich
verscholen in zichzelf
Verheven tot de laatste graad breekt
de maarschalk met zijn wrede blik
maar vingers teder als dauwlicht
dit zandkorreltje in twee
Geweien tegen toornig rood
Hoorns verzamelen in zwart
Ineens, als een striemende zweepslag
tekent de horizon af
de spreker is een reiziger
soms is er controle
nooit een plaatsbewijs
Klimmende slak op nat asfalt
nat krakend hout in een schuur
Vlak meer, heet, muggen en damp
een pad die een vlinder bespiedt
De dichter langs hekken dijken
strijkt strelend langs hun strakke lijn
plots richt hij zijn blik op:
de geslagen bres grijnst hem toe.
het eeuwige sterven de vleugels
ter afwending van het niets
de schuwe kern ontvouwt zich
verscholen in zichzelf
Verheven tot de laatste graad breekt
de maarschalk met zijn wrede blik
maar vingers teder als dauwlicht
dit zandkorreltje in twee
Geweien tegen toornig rood
Hoorns verzamelen in zwart
Ineens, als een striemende zweepslag
tekent de horizon af
Monday, August 1, 2011
Zwarte Kool
Onmogelijk hoog waren de bergen, de berg dan, de berg van as en zwarte kool, groter dan God, groter dan het vliegtuig dat zich in 9/11 boorde, groter dan de linguistische achterstand van een Ezel op een Maanreiziger, groter dan het algehele BLA van de verenigde Staten, groter dan de Dollar, groter dan Afrika, China, Elezier Achmed vond zelfs zijn lul groter dan de woestijn. Maar hij had geen gelijk. De woestijn was groter, en dat wist hij zelf ook. De woesternij, die alles opvrat - ook zijn lul. Achmet was een beetje boos, maar hij vond het ook wel weer terecht. Anders konden er geen anderen zijn. En dat moest toch, anders kon hij er niet zijn, Dus zo was alles ook wel weer opgelost, maar de Woestijn was nog groot en Ledig, en God had nog niet het licht gescheiden van het duister, alhoewel dit spoedig te gebeuren stond wachtte Elezier bekommerd, de maan tegemoet ziend die hem op zijn pad door het niets zou verlichten tot een pad uit het niets, hoopte hij - er waren bizarre tijden op komst voor Elezier Achmed de Woestijndwaler.
Werkelijk, nachten vol lelies en oerzwammen die hem visioenen brachten, krakende bedden in gevangenissen en boze negers, scherpe tanden en klauwen van een vrouwelijk superwezen dat hem tegen de grond probeert te werken met haar ijselijke gemiauw - de gelaatsuitdrukkingen van de maanloze nacht. Zo onschuldig was Achmed dus ook niet, hij had eens op een boot gestaan, nadat hij gemoord had. Er op los in een moeras, hij had zijn verleden daar verwerkt. Zijn verleden in dat rotte dorp, waar hij geboren was als rotte appel, en daarom de macht in handen moest nemen in zijn wereld. Slechtheid moet vergeld worden door de slechte zeif. Dat had hij geleerd - en hij had bewezen, dat wat hij geleerd had de waarheid was door een succesvol zakenman in Ethiopie te worden, en bevriend te raken met de generaals aldaar. Het had hem een paleis opgeleverd vol dienaren en dienaressen, en hier had hij het leven geproefd, dat Guatama zo overvol maakte dat hij Zarathustra's berg af rolde en tegen een boom tot stilstand kwam.
Elezier was echter wat dubbelzinnigers van zins geweest. Eindeloze perikelen in zijn kleutertijd hadden hem ervan overtuigd dat zijn adolescentie nog niet had mogen plaatsvinden. Hier door projecteerde hij voor zichuit een trajectorium van idealen die hem uiteindelijk onsterfelijkheid zouden brengen in de stof. Hij wist al dat hij onsterfelijk was in de ziel, daar hoefde hij niets voor te doen - dat is dus niet interessant, dacht Elezier. Wat raarder is, hier voor mijn voeten, dit vreemd-wezende - dit alles-vertegenwoordige, dit totaal-onintellectuele geheelwezen van het hout, het steen en het dierenrijk, waar wij vanuit overgeschuimd zijn, over de randen van het zijnde zijn wij het vernietigende geworden...
- dit zei Achmed tot zichzelf terwijl hij tegen de berg van as opklom en zich voornam deze as uit te spreiden over de woestijn, en het te laten regenen als de Genadige Zelve. Wij moeten ons een grotere kop vinden. En zo ging Achmed Elezier op zoek naar een kelk, een drager voor de zeeen van geluk en ongehoorzaamheid.
Werkelijk, nachten vol lelies en oerzwammen die hem visioenen brachten, krakende bedden in gevangenissen en boze negers, scherpe tanden en klauwen van een vrouwelijk superwezen dat hem tegen de grond probeert te werken met haar ijselijke gemiauw - de gelaatsuitdrukkingen van de maanloze nacht. Zo onschuldig was Achmed dus ook niet, hij had eens op een boot gestaan, nadat hij gemoord had. Er op los in een moeras, hij had zijn verleden daar verwerkt. Zijn verleden in dat rotte dorp, waar hij geboren was als rotte appel, en daarom de macht in handen moest nemen in zijn wereld. Slechtheid moet vergeld worden door de slechte zeif. Dat had hij geleerd - en hij had bewezen, dat wat hij geleerd had de waarheid was door een succesvol zakenman in Ethiopie te worden, en bevriend te raken met de generaals aldaar. Het had hem een paleis opgeleverd vol dienaren en dienaressen, en hier had hij het leven geproefd, dat Guatama zo overvol maakte dat hij Zarathustra's berg af rolde en tegen een boom tot stilstand kwam.
Elezier was echter wat dubbelzinnigers van zins geweest. Eindeloze perikelen in zijn kleutertijd hadden hem ervan overtuigd dat zijn adolescentie nog niet had mogen plaatsvinden. Hier door projecteerde hij voor zichuit een trajectorium van idealen die hem uiteindelijk onsterfelijkheid zouden brengen in de stof. Hij wist al dat hij onsterfelijk was in de ziel, daar hoefde hij niets voor te doen - dat is dus niet interessant, dacht Elezier. Wat raarder is, hier voor mijn voeten, dit vreemd-wezende - dit alles-vertegenwoordige, dit totaal-onintellectuele geheelwezen van het hout, het steen en het dierenrijk, waar wij vanuit overgeschuimd zijn, over de randen van het zijnde zijn wij het vernietigende geworden...
- dit zei Achmed tot zichzelf terwijl hij tegen de berg van as opklom en zich voornam deze as uit te spreiden over de woestijn, en het te laten regenen als de Genadige Zelve. Wij moeten ons een grotere kop vinden. En zo ging Achmed Elezier op zoek naar een kelk, een drager voor de zeeen van geluk en ongehoorzaamheid.
Friday, July 29, 2011
grauw is de huid van licht
Stoffige hoofdstad
bevat het ultieme
meerdere malen
boven twijfel verheven
massieve vlakte
van puur gebeuren
een arrogante lichtstraal
kamt de trotse rivier
In licht uit tijd gebeiteld
spiegelt verborgen wet
in ontelbare slapende ogen
tot een wakende blik schreeuwt
bevat het ultieme
meerdere malen
boven twijfel verheven
massieve vlakte
van puur gebeuren
een arrogante lichtstraal
kamt de trotse rivier
In licht uit tijd gebeiteld
spiegelt verborgen wet
in ontelbare slapende ogen
tot een wakende blik schreeuwt
verankerd in de baren
Deze terechtstelling
het schandblok, weer in gebruik genomen
want - zijn we weer bij de les -
schaamte is leven
want de natuur wil zich verhullen.
De wegen kruisen en splitsen en wentelen
in blinde spiralen om elkaar heen
leiden tot niets dan uitputting
neervallen in het stof
slaan op de Aarde.
Deze Aarde beeft dan
geeft gehoor, jawel
zoals de Hemel blijft zwijgen
na talloze diensten aan hem bewezen
kreunt de grond met mij mee
gebarsten basis voor mijn fort
het magma stuwt zich op
als gewelddadig braaksel
uit de maag van de vuurvreter
die geen grenzen kent
Jij wel, ranke vogel
jij kent wel grenzen, niet?
Talloze, ze maken je schoonheid
mogelijk, precies zoals jij
jij weet jezelf te dragen.
Een vogel krast in mijn verleden
ik sla er geen acht meer op
mijn Aarde is me trouw
wie ben ik als niet
de wispelturige hemel?
het schandblok, weer in gebruik genomen
want - zijn we weer bij de les -
schaamte is leven
want de natuur wil zich verhullen.
De wegen kruisen en splitsen en wentelen
in blinde spiralen om elkaar heen
leiden tot niets dan uitputting
neervallen in het stof
slaan op de Aarde.
Deze Aarde beeft dan
geeft gehoor, jawel
zoals de Hemel blijft zwijgen
na talloze diensten aan hem bewezen
kreunt de grond met mij mee
gebarsten basis voor mijn fort
het magma stuwt zich op
als gewelddadig braaksel
uit de maag van de vuurvreter
die geen grenzen kent
Jij wel, ranke vogel
jij kent wel grenzen, niet?
Talloze, ze maken je schoonheid
mogelijk, precies zoals jij
jij weet jezelf te dragen.
Een vogel krast in mijn verleden
ik sla er geen acht meer op
mijn Aarde is me trouw
wie ben ik als niet
de wispelturige hemel?
Wednesday, July 27, 2011
Grijsaard
Bezeten grijsaard
Zijn bevelen schallen geluidsloos
Door de hallen van steen
Die zich mijn hart noemen
Er zijn ooit tekenen geweest
Aan de wanden, nu noest
En onherbergzaam
En ooit galmden veertig stemmen
Machtig en grof, liederen
de gulle woorden des daads
Nu wemelt het hier van slangen
Aan de stoffige voeten, bevroren
Door de kou die spreekt uit gedachten
In het duister-kluivende hoofd
Zijn bevelen schallen geluidsloos
Door de hallen van steen
Die zich mijn hart noemen
Er zijn ooit tekenen geweest
Aan de wanden, nu noest
En onherbergzaam
En ooit galmden veertig stemmen
Machtig en grof, liederen
de gulle woorden des daads
Nu wemelt het hier van slangen
Aan de stoffige voeten, bevroren
Door de kou die spreekt uit gedachten
In het duister-kluivende hoofd
Monday, July 25, 2011
HOLY SHRAPNEL
THE GUARDIANS OF ENTROPY
THE NIHILISTIC HERD
BREAK THEIR MORALITY
IN A BILLION HOLY PIECES!
THE NIHILISTIC HERD
BREAK THEIR MORALITY
IN A BILLION HOLY PIECES!
Friday, July 22, 2011
In De Groezelige Kroeg
De kar rijdt langs de wei over het bospad, aan de rand van het veld van een van de Heren van het Merengebied. Plotinus weet niet waarom hij is verbannen, hij wil het ook niet weten, het kan hem niet schelen, hij is al lang blij dat hij weg is. Maar goed, de weg is nog lang en er is eten nodig. Er zijn alleen naar knoflook ruikende bladeren, van wild is geen sprake laat staan dat hij iets zou kunnen vangen, hij heeft geen touw of mes. En vissen met een speer zou moeten werken maar vuur maken, tsja, dan maar met dat houtje proberen. Hij vraagt zich af of hij dit gaat redden, en zet de pas erin, met de bedoeling op een geschikt moment het bos in te stevenen. Hij moet ergens onvernachten bovendien, dat moet geregeld voor de nacht valt.
Overleven is een dagtaak, beseft Plotinus en komt er voorlopig niet aan toe zijn idealen bot te vieren.
Hij moet ze maar samenvatten, dat hij ze niet vergeet, Dan maar zo: tierend tegen een boom:
"Alles dat is, is omdat het niet zomaar bestaat, maar zichzelf wil zijn, zichzelf waardeert. Actief zichzelf is. Aangetrokken is tot zichzelf. In zelfherkenning geworteld. Dit is vorm, van waaruit wij de ledigte bespiegelen.
Vandaar dar kunst altijd te buiten gaat, en perken stelt.
Vandaar dat we weten zonder te denken
vandaar dat alles onverwacht nuttig blijkt
vandaar dat men zich nooit af mag keren van het onverwachte
vandaar dat moed nuttig is
en niet dom, en intelligentie dapperheid vereist.
Overleven is een dagtaak, beseft Plotinus en komt er voorlopig niet aan toe zijn idealen bot te vieren.
Hij moet ze maar samenvatten, dat hij ze niet vergeet, Dan maar zo: tierend tegen een boom:
"Alles dat is, is omdat het niet zomaar bestaat, maar zichzelf wil zijn, zichzelf waardeert. Actief zichzelf is. Aangetrokken is tot zichzelf. In zelfherkenning geworteld. Dit is vorm, van waaruit wij de ledigte bespiegelen.
Vandaar dar kunst altijd te buiten gaat, en perken stelt.
Vandaar dat we weten zonder te denken
vandaar dat alles onverwacht nuttig blijkt
vandaar dat men zich nooit af mag keren van het onverwachte
vandaar dat moed nuttig is
en niet dom, en intelligentie dapperheid vereist.
Thursday, July 21, 2011
Gemenebest
Laat dit de laatste dwaas zijn in het woud
de dag voor hij het woud verlaat
en terugkeert naar zijn burcht
en zijn torenkamer, waar hij als magier uitziet over de velden
de dag voor hij het woud verlaat
en terugkeert naar zijn burcht
en zijn torenkamer, waar hij als magier uitziet over de velden
Friday, July 15, 2011
dat dit bestaat
Gedicht van een vriend, een woord dat duidt zo
mijmerend, ik keek uit het raam in mijn herinnering
de regen die ik binnen voelde suizen nu ook
zachtjes ruist mijn bloed
ik denk dat ik denk en ik weet dat ik droom
soms weet ik te denken
dan denk ik eigenlijk niets -
ik bedenk - ik plaats wat blijkbaar was in het licht
en zie de wereld zonder regels,
alleen bestaan,
alleen dit, wat bestaat
omdat het dit is
dat bestaat.
De haan kraait
het is laat
de avond valt
over de streek
van Groningen
waar een oude vriend begraven ligt.
___
Steeds als ik gewillig was
kwam het noeste dier
reed ik met het samen
over de deining
Steeds als ik verbeet
knarste de wereld
en kwam hij tot stilstand
____
Ohoeboeroe, Langhors en Ardanwen kapen de kust voor steeds-weer-stad
de weerlichten en duitse ufo's en pimpelpaarse reuzenraden en geel verlichte kroketten
En de Peere zei tot de koeke:
Jo, maar heb je nog eh, je weet wel?
Zei die koeke: NEE!
maar zo is die.
"Das Universum - ein Maschine, die aus Atomen und einer Art von Medium zwischen ihnen zusammengesetzt ist; die Gesetze der Energie sind die Gesetze, welche die Wirkung dieser Maschine berherrschen."
mijmerend, ik keek uit het raam in mijn herinnering
de regen die ik binnen voelde suizen nu ook
zachtjes ruist mijn bloed
ik denk dat ik denk en ik weet dat ik droom
soms weet ik te denken
dan denk ik eigenlijk niets -
ik bedenk - ik plaats wat blijkbaar was in het licht
en zie de wereld zonder regels,
alleen bestaan,
alleen dit, wat bestaat
omdat het dit is
dat bestaat.
De haan kraait
het is laat
de avond valt
over de streek
van Groningen
waar een oude vriend begraven ligt.
___
Steeds als ik gewillig was
kwam het noeste dier
reed ik met het samen
over de deining
Steeds als ik verbeet
knarste de wereld
en kwam hij tot stilstand
____
Ohoeboeroe, Langhors en Ardanwen kapen de kust voor steeds-weer-stad
de weerlichten en duitse ufo's en pimpelpaarse reuzenraden en geel verlichte kroketten
En de Peere zei tot de koeke:
Jo, maar heb je nog eh, je weet wel?
Zei die koeke: NEE!
maar zo is die.
"Das Universum - ein Maschine, die aus Atomen und einer Art von Medium zwischen ihnen zusammengesetzt ist; die Gesetze der Energie sind die Gesetze, welche die Wirkung dieser Maschine berherrschen."
Wednesday, July 13, 2011
9:1
Overhaast bij het meer aangekomen zag ik de deining wegtrekken, voordat het stil was, zoals Eland bedoeld had.
De Eland sprak tot me: jongen, je moet je niet zo haasten! Dan lijken dingen allemaal ingewikkelder, dan ze al zijn.
Je moet begrijpen, niet leren.
En toen zweeg de Eland in alle talen.
De Eland sprak tot me: jongen, je moet je niet zo haasten! Dan lijken dingen allemaal ingewikkelder, dan ze al zijn.
Je moet begrijpen, niet leren.
En toen zweeg de Eland in alle talen.
8:6
En de Heere zei tegen me: laat de stormen waaien en de bomen omvallen, en verheug je in het gekraak en gedreun, en ga op in de wind en verwelkom de bliksem en dans op het dreunen, en baadt je in de woeste stroom des levens. En hij deed de deur dicht van zijn kamer, en ik stond weer in het leven, in deze wereld, waar God niet aanwezig pleegt te zijn behalve in de aard van de dingen zelf. En ik draaide me om naar de wereld en zag de dingen die ik had gedaan en waarin ik had geleefd, en ik keerde me weer om naar God maar de deur tot hem was gesloten. En ik maakte aanstalten te kloppen maar voelde toen een donderbui afgaan in mijn hart, en ik vertrok van de deur van de Heere en daalde af in mijn daden, mijn wegen en mijn velden, en betrad het huis van mijn leven, dat in brand stond, en redde daaruit wat er te redden viel en dat was alles, wat van waarde was voor mij, en niets, wat ik had bewaard omdat het ooit wellicht iemand anders tot waarde zou kunnen zijn.
Nu was de wereld vol wind en storm en regen en weerlicht, en ik trok daarin onverschrokken op naar nieuwe einders en grote rivieren om te overkruisen, en ik zag kastelen tegen de barse lucht en begon mij een beeld te vormen van de wereld, dat zich nog niet eerder aan mij voorgedaan had. Een beeld van heroische drakentemmers en beeldschone wondermaaksters, braven mensen die geloven in het goede en dappere mensen die het goede scheppen. En over de slechte en armzalige mensen in de woestijnen en toendra's dacht ik niet na, want ik bevond me in aardse rijkdom, waar het leven gul is en men niet constant op Gods deur hoeft te kloppen voor rechtvaardiging. Ik besefte dat de wereld veel vreemder was dan ik me had voorgesteld, en dat ik er meer op mijn plaats was, dan wie ook.
Nu was de wereld vol wind en storm en regen en weerlicht, en ik trok daarin onverschrokken op naar nieuwe einders en grote rivieren om te overkruisen, en ik zag kastelen tegen de barse lucht en begon mij een beeld te vormen van de wereld, dat zich nog niet eerder aan mij voorgedaan had. Een beeld van heroische drakentemmers en beeldschone wondermaaksters, braven mensen die geloven in het goede en dappere mensen die het goede scheppen. En over de slechte en armzalige mensen in de woestijnen en toendra's dacht ik niet na, want ik bevond me in aardse rijkdom, waar het leven gul is en men niet constant op Gods deur hoeft te kloppen voor rechtvaardiging. Ik besefte dat de wereld veel vreemder was dan ik me had voorgesteld, en dat ik er meer op mijn plaats was, dan wie ook.
Friday, July 8, 2011
R:3
Dit is alles. Het grote regenwoud. De oerberg en de eenzaamheid. Het boek der geschrevenheid staat gebeiteld in het leven. Een cactus staart rood naar het hemelse, de hemelzee, de starende sterren staan alleen verbijtend de stilte, het geraas in hun binnenste dat al het andere verstomt. Dit alles begint nergens en eindigt overal, verdoemd en vermaand en verbloemd en van gedaante verwisselend, eeuwig weerom als de maan boven het meer steeds weer anders liefheeft, steeds mooier haar vluchtige deugden uitstrooit en zich verstopt. Zo mooi scheen het weer, toen ik geen wolken zag - zo akelig is het nu, onder de rokende vulkaan. Dus hiervandaan, Piet - uit dit oord, waar de aarde woest is en de hemel ledig.
Wednesday, July 6, 2011
8:16
Het grauwe wapengekletter ging maar door de afgrond en klonk door de darmwanden van de Heere. Hij had Maagzuur. Het Maagzuur was een wezen, dat hij in zich gekreeerd had - en dit wezen noemde zichzelf: mens.
En de mens was, en hij bestond, en hij leefde in het Oerwoud.
En het Oerwoud was de Heere en de Slang was de Mens,
en de Aap was de Mens, en de Mens was de Aap. En het oerwoud gaapte,
en het dier werd geboren. De mens scheidde het af als een belastingvoordeel, en het kwam neer
op vrij voedsel, en welbespraakt gevolgelte.
En de mens was in orde, en er bestond zo iets als: de kosmos. En het Maagzuur van de Heere
had zich laten afscheiden met de ergernissen van de vorige dag en legde zich neer bij de feiten: de taak tot verteren.
En zo kwam het, dat het Maagzuur tot Overmens werd, en de Heere diende als de Bovenmens.
En de mens was, en hij bestond, en hij leefde in het Oerwoud.
En het Oerwoud was de Heere en de Slang was de Mens,
en de Aap was de Mens, en de Mens was de Aap. En het oerwoud gaapte,
en het dier werd geboren. De mens scheidde het af als een belastingvoordeel, en het kwam neer
op vrij voedsel, en welbespraakt gevolgelte.
En de mens was in orde, en er bestond zo iets als: de kosmos. En het Maagzuur van de Heere
had zich laten afscheiden met de ergernissen van de vorige dag en legde zich neer bij de feiten: de taak tot verteren.
En zo kwam het, dat het Maagzuur tot Overmens werd, en de Heere diende als de Bovenmens.
Friday, July 1, 2011
5:5
En de Heere sprak me toe: Jij gumbal, malend in de kaken van het lot, laat je niet breken, laat je niet inslikken. En ik werd wakker uit een dommeling tegen een grote steen en voelde dat mijn huid droog en heet was, en dat ik dorst had. Het was tijd om verder te gaan. En de Heere gaf me een zetje in de rug in de vorm van een briesje, dat uit het niets mijn rug een koele tinteling gaf. En ik wandelde en wandelde, en de zon ging schoon een braaf onder, en de lucht werd een schouwspel en ik vergaapte me eraan en toen was het donker, en wandelde ik nog steeds. En door de nacht bleef ik gaan, en ik kreeg het koud maar ik gin door en ik hoorde geluiden in de bosjes maar ik sloeg geen acht op ze, ook al vreesde ik in het diepst van mijn hart niets meer dan de dingen waar ik geen acht op sla... en zo kwam ik ongedeerd aan in de ochtend, die me leidde tot een riviertje. Dit riviertje volgde ik stroomopwaarts en nadat ik mij gewassen had en gedronken, kruiste ik de stroom en volgde hem niet langer, maar week af het land in, mijn gevoel tegemoet.
Ik kwam mij een dorpje en, mijn neus volgend, vond ik een bakker en kocht brood. Dat at ik zittend op een stenen stoepje op, en merkte op hoe leeg het dorpje was, hoe kaal zon neerscheen op de stenen, en hoe langzaam het leven van de mensen hier moest zijn. Hoe leeg ook, voelde ik treurig, en stond op en verliet het dorpje.
Toen kwam ik bij een weiland, en doorkruiste dat en kwam bij een andere weiland met een hek eromheen en een boer die er iets op een het bewerkstelligen was. Ik riep de boer. Hij kwam me tegemoet en ik vroeg: hoe kom ik bij de dichtsbijzijnde stad? De hboer keek om zich heen een scheen te peinzen - alsof hij diep in zijn geheugen moest graven om zich een stad te herinneren. Tenslotte wees hij naar het noorden, waar ik vandaan kwam. Ik knikte en bedankte hem, en liep verder naar het zuiden. Dan maar geen stad.
Toen de nacht weer gevallen was sliep ik, genesteld in mos,onrustig, maar werd verfrist wakker. Een toch door het bos volgde, en ik at bramen en bosbessen, en dronk de dauw van de bladeren. En ik kwam aan op een grote weg, waar paarden reden. En ik volgde de weg tot ik stadsmuren zag oprijzen. En uiteindelijk werd ik binnengelaten in deze stad en zocht ik de herberg, waar ik wijn dronk en brood at, en de moeheid van mijn leden vergat, en in een dromerig gesprek raakte met een vrouw die me vertelde van mijn bestemming, dat ik hem gevonden had en dat ik hier zou blijven in deze stad. Ik herinner me niet in slaap te zijn gevallen maar ik werd wakker in een zacht bed, met naast mij dezelfde vrouw en buiten het geluid van zingende mensen. Ik voelde me vrediger dan ik voor mogelijk had gehouden, en sloot mijn ogen. Tot op de dag van vandaag sluit ik mijn ogen en lig ik daar, in dat bed.
Ik kwam mij een dorpje en, mijn neus volgend, vond ik een bakker en kocht brood. Dat at ik zittend op een stenen stoepje op, en merkte op hoe leeg het dorpje was, hoe kaal zon neerscheen op de stenen, en hoe langzaam het leven van de mensen hier moest zijn. Hoe leeg ook, voelde ik treurig, en stond op en verliet het dorpje.
Toen kwam ik bij een weiland, en doorkruiste dat en kwam bij een andere weiland met een hek eromheen en een boer die er iets op een het bewerkstelligen was. Ik riep de boer. Hij kwam me tegemoet en ik vroeg: hoe kom ik bij de dichtsbijzijnde stad? De hboer keek om zich heen een scheen te peinzen - alsof hij diep in zijn geheugen moest graven om zich een stad te herinneren. Tenslotte wees hij naar het noorden, waar ik vandaan kwam. Ik knikte en bedankte hem, en liep verder naar het zuiden. Dan maar geen stad.
Toen de nacht weer gevallen was sliep ik, genesteld in mos,onrustig, maar werd verfrist wakker. Een toch door het bos volgde, en ik at bramen en bosbessen, en dronk de dauw van de bladeren. En ik kwam aan op een grote weg, waar paarden reden. En ik volgde de weg tot ik stadsmuren zag oprijzen. En uiteindelijk werd ik binnengelaten in deze stad en zocht ik de herberg, waar ik wijn dronk en brood at, en de moeheid van mijn leden vergat, en in een dromerig gesprek raakte met een vrouw die me vertelde van mijn bestemming, dat ik hem gevonden had en dat ik hier zou blijven in deze stad. Ik herinner me niet in slaap te zijn gevallen maar ik werd wakker in een zacht bed, met naast mij dezelfde vrouw en buiten het geluid van zingende mensen. Ik voelde me vrediger dan ik voor mogelijk had gehouden, en sloot mijn ogen. Tot op de dag van vandaag sluit ik mijn ogen en lig ik daar, in dat bed.
Tuesday, June 28, 2011
3:12
De Orakels van de waarzeggers spraken kwaad over de Heere, en over zijn dienaar riepen zij vloeken uit en zij bedeelden hem niets dan het tragische, het zelf-vernietigende on-lot, en hun schaduwen wierpen zich als duistere grijnzen over de afwezigheid van het geloof. Er was niets in deze dag dan een bittere leegte, en zo moest het zijn, want de werkelijkheid, die de Heere geschapen had, keerde zich soms tegen hem, en tegen zichzelf. En de dienaar van de Heere begreep dit, en ploeterde voort, an haalde zich open aan de doorns om te voelen, dat hij nog bestond, en niet verzwolgen was door die ideeen, die de waarzeggers in zijn hoofd hadden doen ontspruiten als giftige gewassen, die de bloemen verstiken. Bloed vloeide uit zijn vinger, en hij proefde het en dacht aan de oceaan, en zijn hoofd klaarde zich. En toen was het nacht geworden en de vreselijkste dag was voorbij, want de dromen die nu opkwamen waren zoet van aard en bevatten boodschappers van liefde en voortekenen van leven. En de dienaar van de Heere hoopte stilletjes, dat deze boodschappers niet alleen hem, maar alle dieren in het woud bezochten, en dat hun boodschap ook aan de andere kant van de oceaan post zou vatten en zou doen vergeten, wat voor een afgrijselijke leegte er soms bestond, als je er teveel aandacht aan besteedde.
Sunday, June 26, 2011
4:14
En de Heere keek me aan en zei: Het is goed jongen, wat je denkt. Je bent een beest, een woesteling van de barre woestijn en je bent op zoek naar het beekje, dat je redden zal. Maar geen beekje zal je tegenkomen, maar vloeden zullen je overspoelen. Het is goed jongen, maar breng mee je spieren, om te zwemmen, dat je je redden zal in de vloed, die komen gaat. Want de vloed is goed, maar jij bent slechts goed in denken, en jouw spieren zullen moeten groeien. Vergeet de beek en kom tot jezelf, want daar zal de vloed plaatsvinden. En ik begreep en stopte met denken.
Saturday, June 25, 2011
He stadje
Het is koud.
De kachel staat aan.
In de fokking zomer!
Ik ben terug hier in de stad
dit oord
en dit huis
dat nu - na "al die" jaren
leeg is.....
gedachten varen uit
arriveren gezwind
drijvend op hete lucht
aan de Donau
warme kades
hand in hand
één of ander gedoe
altijd wel weer
De ruimte vult zich nu
met iets van sfeer
het kale hout de het gele verf
ik sla er even geen acht op
verdwijn in mezelf
zoals ik loop,
bezig, met straks
als ik kan ontsnappen
De kachel ruist
het gillende kind
buiten in de regen
verdwijnt ook weer
ik vraag aan mezelf
wat hier eigenlijk is
er moet hier iets zijn
ik heb het nooit gevonden
Ooit waren hier havens
ooit waren hier provo's
ooit waren hier Beates
ooit was hier mijn jeugd
ooit scheen hier de zon
zonder dat hij loog
een eerlijke zon
een leven geleden
Verschrikkelijke nacht
al die jaren terug
het lijkt wel een eeuw
of twee, of drie
sindsdien ken ik Grieken
en Duitsers en Fransen
Romeinen, New-Yorkers
maar niet deze stad
Voor mij komt de dag
steeds weer als de nacht
die volgt op die avond
dat ik om de hoek kwam
de deur kwam genaderd
het kwaad was geschied
ik wist al zo iets
toen ik de sleutel omdraaide
Vervloekt, scherpe pijnen
die jij moest verduren
jij arme, jij verre vriend
ik dacht dicht bij je
te zijn met begrip
en wijsheid in de aanslag
voor als jij daar ooit
om vragen zou...
Sindsdien is de Aarde
een plaats voor de Gieren
ik haat alle dingen
veracht alle mensen
wantrouw alle ogen
begrijp het kwaad
doe nooit meer iets anders
dan zinken en stikken
Ik wou dat je hier was
in rechte gestalte
met komische ogen
en trotse glimlach
dan gaan we naar boven
ik zink in je stoel
jij zet muziek op
en kijkt me aan
we spreken elkaar
we stijgen tezamen
ons schaakspel neemt vorm aan
de muren verdwijnen
het licht komt ons nader
en als het ons grijpt
breekt er een lach
en misschien wel veel meer
ach trieste waarheid
mijn rug is nu stram
de kachel loeit door
mijn minachting groeit
maar nu slechts voor de stad
die de hitte niet afdwingt
maar gedwee
de zomer laat verregenen.
De kachel staat aan.
In de fokking zomer!
Ik ben terug hier in de stad
dit oord
en dit huis
dat nu - na "al die" jaren
leeg is.....
gedachten varen uit
arriveren gezwind
drijvend op hete lucht
aan de Donau
warme kades
hand in hand
één of ander gedoe
altijd wel weer
De ruimte vult zich nu
met iets van sfeer
het kale hout de het gele verf
ik sla er even geen acht op
verdwijn in mezelf
zoals ik loop,
bezig, met straks
als ik kan ontsnappen
De kachel ruist
het gillende kind
buiten in de regen
verdwijnt ook weer
ik vraag aan mezelf
wat hier eigenlijk is
er moet hier iets zijn
ik heb het nooit gevonden
Ooit waren hier havens
ooit waren hier provo's
ooit waren hier Beates
ooit was hier mijn jeugd
ooit scheen hier de zon
zonder dat hij loog
een eerlijke zon
een leven geleden
Verschrikkelijke nacht
al die jaren terug
het lijkt wel een eeuw
of twee, of drie
sindsdien ken ik Grieken
en Duitsers en Fransen
Romeinen, New-Yorkers
maar niet deze stad
Voor mij komt de dag
steeds weer als de nacht
die volgt op die avond
dat ik om de hoek kwam
de deur kwam genaderd
het kwaad was geschied
ik wist al zo iets
toen ik de sleutel omdraaide
Vervloekt, scherpe pijnen
die jij moest verduren
jij arme, jij verre vriend
ik dacht dicht bij je
te zijn met begrip
en wijsheid in de aanslag
voor als jij daar ooit
om vragen zou...
Sindsdien is de Aarde
een plaats voor de Gieren
ik haat alle dingen
veracht alle mensen
wantrouw alle ogen
begrijp het kwaad
doe nooit meer iets anders
dan zinken en stikken
Ik wou dat je hier was
in rechte gestalte
met komische ogen
en trotse glimlach
dan gaan we naar boven
ik zink in je stoel
jij zet muziek op
en kijkt me aan
we spreken elkaar
we stijgen tezamen
ons schaakspel neemt vorm aan
de muren verdwijnen
het licht komt ons nader
en als het ons grijpt
breekt er een lach
en misschien wel veel meer
ach trieste waarheid
mijn rug is nu stram
de kachel loeit door
mijn minachting groeit
maar nu slechts voor de stad
die de hitte niet afdwingt
maar gedwee
de zomer laat verregenen.
Thursday, June 23, 2011
the holy handshake
I created your world in the blink of an eye
first let it thunder then let it rain
made for you bridges to walk on and rest
above all my maddest desires
a day came for you when you had to look
into what I had for you not intended
then you became me, you craziest fool
and bound us in precarious love
Grasp, keep on reaching
I give you my millions of hands
Take them and one by one follow
these mad finishing touches of truth
first let it thunder then let it rain
made for you bridges to walk on and rest
above all my maddest desires
a day came for you when you had to look
into what I had for you not intended
then you became me, you craziest fool
and bound us in precarious love
Grasp, keep on reaching
I give you my millions of hands
Take them and one by one follow
these mad finishing touches of truth
Wednesday, June 22, 2011
Nederland
Gekke dwaas
Volkomen geirriteerde strandjongen
Gratis bij de patat:
Zuipschuiten!
En bij de Boer
een Vrouw!
En wat voor één!
Nu nog naar de poelier.
Één kippetje twéé vijftig!
Soms gaan we naar school.
Dan leren we.
Van rassenhaat!
maar dan niet - haha!
We vinden ons
in leugens om slechtwil
In het eggie zijn zijn we zo slecht niet.
(goed zal het wel nooit worden) [Een afvoerputje slurpt]
Volkomen geirriteerde strandjongen
Gratis bij de patat:
Zuipschuiten!
En bij de Boer
een Vrouw!
En wat voor één!
Nu nog naar de poelier.
Één kippetje twéé vijftig!
Soms gaan we naar school.
Dan leren we.
Van rassenhaat!
maar dan niet - haha!
We vinden ons
in leugens om slechtwil
In het eggie zijn zijn we zo slecht niet.
(goed zal het wel nooit worden) [Een afvoerputje slurpt]
Tuesday, June 21, 2011
1:4
En zo kwam de Heere tot de zoon en de zoon tot de Heere: in bevelen die als daden schalden. Dalen beefde op hun grondvesten en bergen spuwden vuur. Dit was eindig, en de Zon slokte het op. Geen mens die overbleef durfde zich te herinneren, wat er voorgevallen was. Er was er slechts één, die door de herinnering overweldigd werd, als door een rover in het bos die hem in zijn slaap overviel. En dit was nu juist Hein, die goed in varen was. Zo kwam het dat God de zeeen veroverde en de kanalen beheerste, havens uitademde en steden leven inblies. En zo kwam het dat het nageslacht van Hein koningen voortbracht, die hun weelde deelden met het vragende volk. En het volk leerde en baadde in de glorie van Heins God, en permitteerde zich een grote weegschaal, welke men vulde met goud aan de linkerzij, en aan de rechterzij zichzelf maat gaf aan het Goud. En zo kwam het, dat de dikste mens werd uitverkoren om te worden geofferd naar God, die zich in walging afkeerde. En zo was het volk Gods verloren.
1:3
De woeste ploeteringen van de Heere voerden door tot de hallen van de zuinigheid, en de kanalen van beknepenheid. En hij begreep, en vaarde, in ondiepe wateren en leerde te trotseren: het eindige. En hij bekwam een zoon. En zijn zoon groeide op zonder hem, maar met hem in zich en begreep dat hij begreep. En de Heere wist dat het goed zat. En toen de zoon negentien was geworden haalde de Heere een troef uit zijn mouw. En het gebeurde, dat zijn nageslacht paden insloeg, die niet voor hem bedoeld waren. En de Heere leunde achterover in zijn troon, en liet het donderen.
Monday, June 20, 2011
2:8
En de Heere liet me toe in zijn schatkamer. Voor maar één seconde, maar ik zag twintigduizend eeuwigheden in de fonkeling van één parel, en dertigduizend in de glinstering van een gouden ring, die ik ontwaarde rond de vinger van wat een standbeeld leek te zijn, van een vrouw aan een poel, waaruit muziek opsteeg als bijen en zwermen libellen, betoverende, beheksende muziek. Deze poel was rood, de stof was geen bloed en geen wijn, maar iets erboven, iets dat fonkelde als het gesneden oppervlak van een robijn, maar zacht uitnodigde als fluweel. Ik had echter geen tijd om de poel te benaderen, of uit te vinden of de vrouw van steen was of dat zij leefde, of enige andere wetenschappelijke observatie te betrachten. Ik stond weer buiten, ook al zag ik niet om me heen, maar was ik in gedachten nog voor lange uren bij wat ik gezien had. Toen ik het koud begon te krijgen merkte ik dat het nacht was, en dat ik in de bergen stond, en huiverde bij het vallen van sneeuw op mijn hals. Ik zette krachtdadig de pas erin naar beneden, en arriveerde met gelukzalig bonzend hart en ruisend bloed in het veilig oord, waar ik mijn stee had staan. Voor ik ging slapen echter zat ik aan tafel met de mannen van het dorp en vertelde verhalen, die ze niet geloofden, en voelde me bevoorrecht, te weten dat hoe goed ik ook vertelde, ik nooit zou kunnen beschrijven wat ik gezien had.
Sunday, June 19, 2011
3:1
En de Heere vergat wie ik was, en liet me onbedoeld achter op de bergtop, waar ik stierf van de kou. Mijn geest verliet mijn lichaam, en dwaalde door de bergen en de wolken, die er hetzelfde uitzagen. Ik zag niet, wat waarheid was en wat leugen, ze deden er niet, toe, alles was een mist. En de Heere bestond nog, ergens, en er was muziek, die klonk door kastelen en in sferen waar engelen en satyren ronddansten, maar ik was uitgesloten van dit alles, en van eten en drinken en ademen, aanraken en proeven, ruiken en alles, dat ik me nog wel vaag herinnerde, als een spijt, onder de naam Heere. Ik bad, en ik knielde voor zover mijn lichaamsloze gestalte dit toeliet, en ik herhaalde de naam van mijn spijt keer op keer, en er veranderde niets. Naar verloop van tijd begon ik patronen te zien, en dacht dat ik mezelf begon te kennen. Vierkanten, driehoeken en cirkels, en ik dacht dat ik mijn ziel zag, gemaakt van objecten, die eeuwig bestonden, overal in het universum. En toen ik dit geloofde werd ik ook een verzameling algemeenheden, en verloor ik zelfs de bergen en wolken uit het oog, en bevond me nu in een zwarte ledigte, met alleen vaag opflakkerende schijnsels van figuren om me heen. En toen ik zelfs voor deze vormen mijn interesse verloor, en niet meer dacht dat ik ze was, toen verdween ik zelf voor mezelf, en was er alleen nog pijn. En toen wist ik plots weer, wie ik was, en verschenen eerst weer de bergen, die ik afbrak, en de wolken, die ik tot regenen bracht, en de brokstukken en tranen regenden neer op de Aarde en vormden kraters vol water en modder. Ik liet mij neervallen in een zo'n modderpoel, en woelde en wemelde en schreeuwde, en de naam van de Heere was mij vreemd. Al wat ik wist uit te brengen was een schreeuw van haat tegen het eeuwige, dat niet bestond maar zich toch opdrong aan mij, als een vliegenplaag, terwijl ik me vastgreep in de blubberige substantie van mijn smart.
Friday, June 17, 2011
1:2
En God schiep de epische bergen en dalen, de grote vloeden en de wouden die hele continenten overspannen. En hij schiep de regenbogen en de beren en de wolven die zich ophouden in de bergen en de bijen en hun honing waarvan de beren smullen en zo schiep hij het geluk, dat hiervanaf straalde en ook de zon, die straalt evenals dit geluk en de maan die dit schijnen weerschijnt en rukt en sleurt aan het grote water van de zee, en daarmee de barensweeen op gang brengt in de woeste kolkende natuur waarin alles gebeurt, en waarover God met een glimlach van oor tot oor toeziet, zonder zich er verder mee te bemoeien; want hij zag, ziet en zal altijd zien dat het goed is.
Thursday, June 16, 2011
1:7
Op een nacht droomde ik en die ochtend vergat ik. Terwijl ik zocht naar mijn ontbijt en me daarbij openhaalde aan de braamstruiken vloeide waar bloed me verliet een herinnering binnen. Ik zag de kasteelwand van mijn oude vesting en er was een gat in geslagen, en rovers liepen in en uit. Een van de rovers had een baard, en hij droeg een graal en grijnsde. Ik wist niet wie deze dief was maar hij kwam me bekend voor - bekender dan mij aangenaam was. Hierna kwam ik weer bij mijn zinnen want ik rook het sap van fruit.
Tuesday, June 14, 2011
2:2
De boosheid van de Heere wierp een schaduw over mijn schouder alsof er een raaf op zat. Ik bereikte de stroom die klaterde en waste me maar de schaduw week niet. Ik keek toen in de zon en zag duister. Zo keerde ik mij in mijn ziel en trok terug van de zaken, die de Heere mij beloofd had.
Voortdurend leefde ik onder bomen, in gezelschap van holdieren, en van kruipende beesten van de grond. Ik was niet gelukkig, maar voelde ook geen smart. tijd trok aan mij voorbij als mist, en de Heere sprak niet tot mij. Soms rende ik en verwondde mij, en dan vloekte ik, alsof ik de Heere nooit gekend had. In de nacht werd ik soms wakker met een stekende pijn in mijn hart. Soms sliep ik diep, dagen lang.
Toen ik tenslotte vrienden had gemaakt met enkele dieren begon ik te voelen, dat ik de Heere miste. Ik ging op zoek naar de grenzen van het woud, maar vond ze niet. Ik vroeg de dieren me te helpen, maar zij misleidden me. Ik was hen dierbaar. Tenslotte slachtte ik een van hen, en joeg de anderen op de vlucht. Zo was ik alleen in het bos, wakker, met open ogen. En zo zag ik, dat er soms licht door de bladeren viel.
Ik klom in een boom en speurde de vier windstreken af. Ik zag niets dan bladerdek. Toch vulde hoop mijn buik en ik daalde af naar de grond met vernieuwde wil. Stappen zette ik, duizenden, met krachtige tred, en toen kwam ik bij een ruine, die mij deed vermoeden, dat het woud spoedig zou ophouden. Een vreemde spanning kwam over mijn leden, en ik begon te trillen. Toen hoorde ik de stem van de Heere:
Mijn zoon: jij hebt gedwaald, moedwillig heb je je voor mij verscholen. De wereld heeft zich in tweeen gespleten. Er is een brug, ergens verborgen in mijn rijk. De zon schijnt er, maar ook is er regen, en hoewel er wind staat, is het er ook stil. Vind nu deze plek, en verbind net als deze brug de twee delen van mijn rijk. Zo zul je mij dienen, en niet meer dwaas zijn maar redelijk.
Wederom ging ik op weg, en ik voelde dat hete nevels in mijn hoofd hadden gestaan, die nu wegtrokken door mijn neusgaten. Ik brieste als een stier terwijl ik paden zocht, en toen ik ze gevonden had zag mijn hart de schaduw niet meer, want die was gevlogen.
Voortdurend leefde ik onder bomen, in gezelschap van holdieren, en van kruipende beesten van de grond. Ik was niet gelukkig, maar voelde ook geen smart. tijd trok aan mij voorbij als mist, en de Heere sprak niet tot mij. Soms rende ik en verwondde mij, en dan vloekte ik, alsof ik de Heere nooit gekend had. In de nacht werd ik soms wakker met een stekende pijn in mijn hart. Soms sliep ik diep, dagen lang.
Toen ik tenslotte vrienden had gemaakt met enkele dieren begon ik te voelen, dat ik de Heere miste. Ik ging op zoek naar de grenzen van het woud, maar vond ze niet. Ik vroeg de dieren me te helpen, maar zij misleidden me. Ik was hen dierbaar. Tenslotte slachtte ik een van hen, en joeg de anderen op de vlucht. Zo was ik alleen in het bos, wakker, met open ogen. En zo zag ik, dat er soms licht door de bladeren viel.
Ik klom in een boom en speurde de vier windstreken af. Ik zag niets dan bladerdek. Toch vulde hoop mijn buik en ik daalde af naar de grond met vernieuwde wil. Stappen zette ik, duizenden, met krachtige tred, en toen kwam ik bij een ruine, die mij deed vermoeden, dat het woud spoedig zou ophouden. Een vreemde spanning kwam over mijn leden, en ik begon te trillen. Toen hoorde ik de stem van de Heere:
Mijn zoon: jij hebt gedwaald, moedwillig heb je je voor mij verscholen. De wereld heeft zich in tweeen gespleten. Er is een brug, ergens verborgen in mijn rijk. De zon schijnt er, maar ook is er regen, en hoewel er wind staat, is het er ook stil. Vind nu deze plek, en verbind net als deze brug de twee delen van mijn rijk. Zo zul je mij dienen, en niet meer dwaas zijn maar redelijk.
Wederom ging ik op weg, en ik voelde dat hete nevels in mijn hoofd hadden gestaan, die nu wegtrokken door mijn neusgaten. Ik brieste als een stier terwijl ik paden zocht, en toen ik ze gevonden had zag mijn hart de schaduw niet meer, want die was gevlogen.
Monday, June 13, 2011
2.1
Duivels was de berg en zijn hart trilde luid.
Tevergeefs stonden de bomen nog opgericht met hun stammen en ademden met hun kruinen het leven dat hen als licht geschonken werd uit de Hemel, die zich nu uitspande en de Aarde losliet. Spoedig zouden zij vallen en niemand zou er zijn om het te zien of horen. Maar de berg ziet en hoort en vergeet niet, en daarom sprak hij nu deze woorden, die als rillingen over de huid van de Aarde trokken.
Vergeefs heeft gij verstoten, de Uwen!
Vergeefs heeft gij gedacht, dat ik zou wijken!
Vergeeft heeft gij gepredikt uw grenzeloze beloften!
En toen zweeg de berg en had zijn boosheid wortel geschoten onder zijn vesten
en de wateren die hun onvatbare wegen door de gewelven banen beefden en zonken dieper in de Aarde en raakten het vuur, en sissende dampen vulden de gewelven nu, en spoedig was het stoom doorgedrongen totin de kortst en maakte het land vruchtbaar. Zo kwamen de ruimten onder de Heere leeg te staan.
Tevergeefs stonden de bomen nog opgericht met hun stammen en ademden met hun kruinen het leven dat hen als licht geschonken werd uit de Hemel, die zich nu uitspande en de Aarde losliet. Spoedig zouden zij vallen en niemand zou er zijn om het te zien of horen. Maar de berg ziet en hoort en vergeet niet, en daarom sprak hij nu deze woorden, die als rillingen over de huid van de Aarde trokken.
Vergeefs heeft gij verstoten, de Uwen!
Vergeefs heeft gij gedacht, dat ik zou wijken!
Vergeeft heeft gij gepredikt uw grenzeloze beloften!
En toen zweeg de berg en had zijn boosheid wortel geschoten onder zijn vesten
en de wateren die hun onvatbare wegen door de gewelven banen beefden en zonken dieper in de Aarde en raakten het vuur, en sissende dampen vulden de gewelven nu, en spoedig was het stoom doorgedrongen totin de kortst en maakte het land vruchtbaar. Zo kwamen de ruimten onder de Heere leeg te staan.
1:14
En de Heere sprak tot mij: jij ijzeren gordijn,
vertoon de barsten van mijn wil,
smelt in het vuur van mijn koningschap
draag de vestingen niet meer, die mij verstoten
berg je voor mijn onheil
als ik het uitstort over de jouwen, die de mijnen niet zijn
kom hier in mijn wateren
duik onder in eeuwigheid
doorvloei de aderen van mijn overvloed
en ken mijn hart.
En ik schrok als na een bliksemslag
en keek de schapen in de ogen
zoals zij om mij heen stonden verzameld
in de dorder wordende vlakte
en in mijn hart gehoorzaamde ik de Heere al
toen ik huiswaarts keerde.
vertoon de barsten van mijn wil,
smelt in het vuur van mijn koningschap
draag de vestingen niet meer, die mij verstoten
berg je voor mijn onheil
als ik het uitstort over de jouwen, die de mijnen niet zijn
kom hier in mijn wateren
duik onder in eeuwigheid
doorvloei de aderen van mijn overvloed
en ken mijn hart.
En ik schrok als na een bliksemslag
en keek de schapen in de ogen
zoals zij om mij heen stonden verzameld
in de dorder wordende vlakte
en in mijn hart gehoorzaamde ik de Heere al
toen ik huiswaarts keerde.
1:13
En de Heere sprak tot mij: Geel zal je worden, en groen van jaloezie - en paars van woede;
Ja waarlijk een regenboog van nijd en andere afgrondelijke sentimenten zal zich over jou uitspannen, voordat je zal ontwaken in het goud van mijn hart.
En ik begreep de Heere niet, en ik zei: grom!
En de Heere zweeg.
En na verloop van tijd fluisterde de Heere in mijn oor:
Ja mijn zoon, het is zo, dat alles zich tegen je heeft gekeerd.
en de vogels vlogen op van hun takken en krasten, dit waren de raven in het veld.
En de zon was bleek en verschool zich, en wolken trokken over de velden.
En de Heere zweeg weer. En het duurde honderd jaren voor hij weer sprak,
en toen lag ik al stil in mijn stee, want ik was vergeten, dat dingen nog leefden.
en dat de wereld nog niet vergaan was zoals hij was gestorven in mijn hart.
En de Heere sprak toen: Ontwaak, mijn zoon. De heldere morgen is hier: de beek
kabbelt en klatert muziekvol van de berg, en de stammen breken met hun wortels
door de koele stenen bij de bedding
en alles vermengt en verheugt
zich en jij zal je verheugen, deel te zijn van dit vermengen en verheugen.
En ik stond op en kraakte en geeuwde, want de morgen was gekomen.
Ja waarlijk een regenboog van nijd en andere afgrondelijke sentimenten zal zich over jou uitspannen, voordat je zal ontwaken in het goud van mijn hart.
En ik begreep de Heere niet, en ik zei: grom!
En de Heere zweeg.
En na verloop van tijd fluisterde de Heere in mijn oor:
Ja mijn zoon, het is zo, dat alles zich tegen je heeft gekeerd.
en de vogels vlogen op van hun takken en krasten, dit waren de raven in het veld.
En de zon was bleek en verschool zich, en wolken trokken over de velden.
En de Heere zweeg weer. En het duurde honderd jaren voor hij weer sprak,
en toen lag ik al stil in mijn stee, want ik was vergeten, dat dingen nog leefden.
en dat de wereld nog niet vergaan was zoals hij was gestorven in mijn hart.
En de Heere sprak toen: Ontwaak, mijn zoon. De heldere morgen is hier: de beek
kabbelt en klatert muziekvol van de berg, en de stammen breken met hun wortels
door de koele stenen bij de bedding
en alles vermengt en verheugt
zich en jij zal je verheugen, deel te zijn van dit vermengen en verheugen.
En ik stond op en kraakte en geeuwde, want de morgen was gekomen.
Thursday, June 9, 2011
illogical algorythm
driving miss crazy
eating the fruits of oblivion
hollow swallow
radical interest
fascinating versatility
ultimate interconnectivity
once upon a time
twice upon a life
three times great
eating the fruits of oblivion
hollow swallow
radical interest
fascinating versatility
ultimate interconnectivity
once upon a time
twice upon a life
three times great
Wednesday, June 8, 2011
recept van de dag
ochtendzon blijft roeren
opkloppen
als aardbij verorberd
voelt zacht hemelwater
mij een aap
dan de rit
door machines en spiegels
die ons blind vervormen
tot glashelder beeld
laat ik me passeren
wacht, drink zon
in de koffie
't vlees van de dag
wacht onder vroege sterren
opkloppen
als aardbij verorberd
voelt zacht hemelwater
mij een aap
dan de rit
door machines en spiegels
die ons blind vervormen
tot glashelder beeld
laat ik me passeren
wacht, drink zon
in de koffie
't vlees van de dag
wacht onder vroege sterren
Tuesday, June 7, 2011
stoffer en blik op stof
Die gruzelementen die daar liggen
in die plassen bloed, of wijn,
wat het ook is, of was,
ook die die vergaan in vergetelheid
Strand is zo eeuwig als wind
daar wil ik wel op wedden
de schelpen, de beesten, het leven
die tel ik uit als winst
in die plassen bloed, of wijn,
wat het ook is, of was,
ook die die vergaan in vergetelheid
Strand is zo eeuwig als wind
daar wil ik wel op wedden
de schelpen, de beesten, het leven
die tel ik uit als winst
Een geschiedenis van niets
PROLOOG
Aan een bureau zit hij
tranend nog niet
maar wel al met een hand
in de bloedige aanslag
NU BEGINT HET
Zelfs die gooi ik weg
die walgkroket
die amateur, lapzwans
dweil
nee ik houd niets
in mijn opgeheven hand
naar God, of althans
de totale duisternis
een wandeling langs
de Leidsestraat, onze melkweg
trap, exodus, mayonaise
druipend en levend en schoppend
verdriet blijft uit
als de kaars zomaar dooft
wat mag geweest zijn
als het er is geweest?
EPILOOG
Strandwinter, een beest
gruwelt door de greppel
zijn naakte lijf schrijnt
tegen de helkoude zon
Aan een bureau zit hij
tranend nog niet
maar wel al met een hand
in de bloedige aanslag
NU BEGINT HET
Zelfs die gooi ik weg
die walgkroket
die amateur, lapzwans
dweil
nee ik houd niets
in mijn opgeheven hand
naar God, of althans
de totale duisternis
een wandeling langs
de Leidsestraat, onze melkweg
trap, exodus, mayonaise
druipend en levend en schoppend
verdriet blijft uit
als de kaars zomaar dooft
wat mag geweest zijn
als het er is geweest?
EPILOOG
Strandwinter, een beest
gruwelt door de greppel
zijn naakte lijf schrijnt
tegen de helkoude zon
Kever over de Regenboog
Deze wereld
groen blauw
rode horizon
sporen trekken in zand
hout kloven door water waden
kinderen rennen een bal rolt
torens rijzen en vallen
miljarden hysterische gesprekken
krekels in de avondrust
ik zie vuur knetteren
ik hoor vuur knetteren
ik voel vuur knetteren
ik ruik vuur
stenen zijn warm
wolken hopen op
wit barst uit de hemel
groen blauw
rode horizon
sporen trekken in zand
hout kloven door water waden
kinderen rennen een bal rolt
torens rijzen en vallen
miljarden hysterische gesprekken
krekels in de avondrust
ik zie vuur knetteren
ik hoor vuur knetteren
ik voel vuur knetteren
ik ruik vuur
stenen zijn warm
wolken hopen op
wit barst uit de hemel
naar A. Adler
Droom in zicht
grote schoffelende waarheidsploert
ruige zeerots scherp rand snij bloed
druipt in de grauwe golven
schuim ja prinses van oer gewald
bitter glanzen, de cruelle hemel
bomen schaars maar heet en grijs
is het kokend steen onder
mijn afgesleten zool
Mijn lieve diepe haatje
kerend tegen hen
die niet zien mijn totalitaire
meesterübermachtsverdrag
met de godinnezonen & zon
& maan & sterren & planetenkorps
rode stormen, gouden ringen
wat weet jij nou helemaal, knuppel?
vraagt de stier aan zijn lap
grote schoffelende waarheidsploert
ruige zeerots scherp rand snij bloed
druipt in de grauwe golven
schuim ja prinses van oer gewald
bitter glanzen, de cruelle hemel
bomen schaars maar heet en grijs
is het kokend steen onder
mijn afgesleten zool
Mijn lieve diepe haatje
kerend tegen hen
die niet zien mijn totalitaire
meesterübermachtsverdrag
met de godinnezonen & zon
& maan & sterren & planetenkorps
rode stormen, gouden ringen
wat weet jij nou helemaal, knuppel?
vraagt de stier aan zijn lap
(Martin) Heidegger
Hier dit huis
dit witte steen deze traptreden
deze glazen deur omlijst met hout
dit koele zomerse marmer
veilig, vogels zingen
planten druipen tevreden
wat zoek ik nog meer?
buiten is de wereld weer
de wereld, mensen, grauzig steen
en klei en haren, stroef en bot
zoals de mensen zijn
zijn ze hier dan nog vooral
oud en wrevelig,
ondenkende kerkgangers
de toekomst kan ik zien als stap
voor stap voor stap een flauwe kluft
omringd door bomen, en dan iets
dat tastbaar is als een gareel
een keukenrek, een wassersplaat
gereedschapskist? en doe-het-zelf
wonen bouwen, denken dus.
dit witte steen deze traptreden
deze glazen deur omlijst met hout
dit koele zomerse marmer
veilig, vogels zingen
planten druipen tevreden
wat zoek ik nog meer?
buiten is de wereld weer
de wereld, mensen, grauzig steen
en klei en haren, stroef en bot
zoals de mensen zijn
zijn ze hier dan nog vooral
oud en wrevelig,
ondenkende kerkgangers
de toekomst kan ik zien als stap
voor stap voor stap een flauwe kluft
omringd door bomen, en dan iets
dat tastbaar is als een gareel
een keukenrek, een wassersplaat
gereedschapskist? en doe-het-zelf
wonen bouwen, denken dus.
Monday, June 6, 2011
Traum B
Het schip over de baa-haa ren,
biefstuk aan boord
naamplaatje zegt mijn vriend
verleden onderin de tas
onzichtbaar, bed ervan vrij
wat is dit, onleesbaar boek?
Koers zetten naar het open
het al, of althans het veel
het groot, het ruime sop
biefstuk aan boord
naamplaatje zegt mijn vriend
verleden onderin de tas
onzichtbaar, bed ervan vrij
wat is dit, onleesbaar boek?
Koers zetten naar het open
het al, of althans het veel
het groot, het ruime sop
Sunday, June 5, 2011
beek en huis
De wereld zal nooit perfect zijn
maar altijd veel mooier en meer
en het beste het vreemds van alles
maar altijd veel mooier en meer
en het beste het vreemds van alles
breeduit goud stiers gegeeld
Opaaaalen nacht!
Nog meer a's. AAAaaaa
wat mooi.
Deze hier dier
he wat lekker die zat erin.
deze kooi,
hier,
leeg
behalve
de TOTALE VOLte.
Het Dier
Beest Ding
Gene
Barazoen! Zomaar een
woord
Ik schep op
Bal met rijst
klauw
gurk
De betekenis is NIET
zowaar ik nacht heet
GURK
Een ridder heft zwaar
heeft zwaar
heeft het zwaar
van het heffen van het zware zwaard
"Zwaarder dan het Zwaard van Mijn Vader"
had mijn vreugdemaat
op zijn zalmroze ziel
en perzikgele huid
waar ik
geluk
ig wa
s.
+s = †
Het raam stond open
dat weet ik nog zo verdomd, uitzinnig goed
we sleepten godverdomme een bank
helemaal van de rivier
om op te zitten en in te verdwijnen
gedurende wat er restte.
Die grindpad
die geluid
dat niet
+s
Dat S
+ niet
= dus ja
verborgen goud achter blauwe hemel
verdwalen, vaag, veel en lang
gebroken iets
uitblijvend niets
het had niet zo moeten zijn
maar heeft zo gezijnd
Sinterklaas
Nee, die bestaat niet
nooit niet
en is geen permanente meteoorinslag
oorverdovend vanwege
onze samenwerking.
Nog meer a's. AAAaaaa
wat mooi.
Deze hier dier
he wat lekker die zat erin.
deze kooi,
hier,
leeg
behalve
de TOTALE VOLte.
Het Dier
Beest Ding
Gene
Barazoen! Zomaar een
woord
Ik schep op
Bal met rijst
klauw
gurk
De betekenis is NIET
zowaar ik nacht heet
GURK
Een ridder heft zwaar
heeft zwaar
heeft het zwaar
van het heffen van het zware zwaard
"Zwaarder dan het Zwaard van Mijn Vader"
had mijn vreugdemaat
op zijn zalmroze ziel
en perzikgele huid
waar ik
geluk
ig wa
s.
+s = †
Het raam stond open
dat weet ik nog zo verdomd, uitzinnig goed
we sleepten godverdomme een bank
helemaal van de rivier
om op te zitten en in te verdwijnen
gedurende wat er restte.
Die grindpad
die geluid
dat niet
+s
Dat S
+ niet
= dus ja
verborgen goud achter blauwe hemel
verdwalen, vaag, veel en lang
gebroken iets
uitblijvend niets
het had niet zo moeten zijn
maar heeft zo gezijnd
Sinterklaas
Nee, die bestaat niet
nooit niet
en is geen permanente meteoorinslag
oorverdovend vanwege
onze samenwerking.
Friday, June 3, 2011
onmogelijke openingszin
De Supermens stootte zich aan het nachtkastje. Hij wreef zijn knie en ging door met rondstruinen.
len is
Berend. Was een man. Dat had hij bedacht. Hij was stoer. Had hij ook bedacht. Toen was het afgelopen. Met de stoerheid. En met Berend. Zo heette die gast toch? Ja. Hij zat op een stoel. Hij was moe. (weer). Het leven van Berend. Jezus man, Mozes man, Abrhaham, ham in general - Berend at alles. Met Jam.
Tot, toen, en.
De deur ging open.
het draakje kwam binnen.
Berend ging zitten, van zijn stoel.
[hier een tekening]
Zoals u ziet, veel groen en geel.
Nu was er een boskabouter.
Die had een geel eendje.
En een zeilbootje, met een drenkeling aan boord
een Superman.
Deze was geacht, de wereld in zijn grote sterke armen te nemen, en er mee naar de overkant te vliegen.
Maar hij had zijn cape verloren
en droeg nu die van zijn vriend,
Batman.
Muterende oorlogen vinden plaats op het stapelbed.
Maar in de grotten van de harige Sjeik is geen stapelbed.
Ach drie grachten ploert
zegende kluin
roterende klucht
ploertenopperhoofd
Berend was nog steeds niet bij de ijskast. Het zou nog veertien annalen doorduren voor hij zijn kaas te pakken had, en begon zich te realiseren dat hij geen beschuit meer heeft, en dat de winkels al dicht zijn, en dat de nacht aan het val...
Tot, toen, en.
De deur ging open.
het draakje kwam binnen.
Berend ging zitten, van zijn stoel.
[hier een tekening]
Zoals u ziet, veel groen en geel.
Nu was er een boskabouter.
Die had een geel eendje.
En een zeilbootje, met een drenkeling aan boord
een Superman.
Deze was geacht, de wereld in zijn grote sterke armen te nemen, en er mee naar de overkant te vliegen.
Maar hij had zijn cape verloren
en droeg nu die van zijn vriend,
Batman.
Muterende oorlogen vinden plaats op het stapelbed.
Maar in de grotten van de harige Sjeik is geen stapelbed.
Ach drie grachten ploert
zegende kluin
roterende klucht
ploertenopperhoofd
Berend was nog steeds niet bij de ijskast. Het zou nog veertien annalen doorduren voor hij zijn kaas te pakken had, en begon zich te realiseren dat hij geen beschuit meer heeft, en dat de winkels al dicht zijn, en dat de nacht aan het val...
strak trek de ochtend
De woede is triomf, zo is het gewoon
ik haat al die dingen, vreedzaam geleuter
sinas, fanta, mensen die weten
hoe ze mosterd op hun kroketten smeren
hoe ze waggelend zich erkennen, bellend
hoe ze hun kamertje opgeruimd hebben
of hun villa met gepolijst hout als vloer
honden hebben ze, twee, en een man
(of een vrouw)
en dat is het ergste niet, ze hebben zichzelf
op die manier, die 'savonds vergeet
waar het plaatsvindt.
De verhalen die verteld worden
in Godsnaam wat zijn ze waard
wie herinnert ze zich nog, nadien
als het echte verhaal ontspint
als de leeuwen los zijn, de vogels
krijsend en de zon voor de wolken hangt
de regen horizontaal door de straten jaagt
de straten met ooit winkels
waar ooit een aankoop een daad was
languit lachen we dan, gestrekte gezichten
in wakkere koppen met heldere blikken
de wind trotserend met tranen
Ik ratel misschien in dit oerwoud
deze hoopvolle brandhaard, de tong
van een vlam laait en lurkt aan de lucht
de maan vervormt in de zinderende spiegel
de zon is overal
de wouden op Venus ze zingen dit lied
Mercurius met zijn stalen, koude kant
beraamt de toekomst, rotsvast en hard
klassiek als de zuilen waarop de tijd rust
de Goden hebben het bepaald zonder gok
in een opwelling weliswaar maar een grote
als het leven zelf
Ja oorlog, geen twijfel, die woekert
alsof het er één is, één brandend hart
één zeis, één sikkel, één korenveld
waarover de sikkelaar struint
waarboven de raven opvliegen
waar een vogelverschrikker verrot
waar zonlicht geen schaduwen werpt
omdat niemand achter zich kijkt
maar voor zich, in gifgroene ogen
van noodlot, van vuurrode tongen
en stevent, vooruit met de borst
gehavend, geschonden, verhit
onverdeeld, gebundeld als mankracht
van alle gestorven legioenen
toen ze nog ploeterden richting horizon
ik haat al die dingen, vreedzaam geleuter
sinas, fanta, mensen die weten
hoe ze mosterd op hun kroketten smeren
hoe ze waggelend zich erkennen, bellend
hoe ze hun kamertje opgeruimd hebben
of hun villa met gepolijst hout als vloer
honden hebben ze, twee, en een man
(of een vrouw)
en dat is het ergste niet, ze hebben zichzelf
op die manier, die 'savonds vergeet
waar het plaatsvindt.
De verhalen die verteld worden
in Godsnaam wat zijn ze waard
wie herinnert ze zich nog, nadien
als het echte verhaal ontspint
als de leeuwen los zijn, de vogels
krijsend en de zon voor de wolken hangt
de regen horizontaal door de straten jaagt
de straten met ooit winkels
waar ooit een aankoop een daad was
languit lachen we dan, gestrekte gezichten
in wakkere koppen met heldere blikken
de wind trotserend met tranen
Ik ratel misschien in dit oerwoud
deze hoopvolle brandhaard, de tong
van een vlam laait en lurkt aan de lucht
de maan vervormt in de zinderende spiegel
de zon is overal
de wouden op Venus ze zingen dit lied
Mercurius met zijn stalen, koude kant
beraamt de toekomst, rotsvast en hard
klassiek als de zuilen waarop de tijd rust
de Goden hebben het bepaald zonder gok
in een opwelling weliswaar maar een grote
als het leven zelf
Ja oorlog, geen twijfel, die woekert
alsof het er één is, één brandend hart
één zeis, één sikkel, één korenveld
waarover de sikkelaar struint
waarboven de raven opvliegen
waar een vogelverschrikker verrot
waar zonlicht geen schaduwen werpt
omdat niemand achter zich kijkt
maar voor zich, in gifgroene ogen
van noodlot, van vuurrode tongen
en stevent, vooruit met de borst
gehavend, geschonden, verhit
onverdeeld, gebundeld als mankracht
van alle gestorven legioenen
toen ze nog ploeterden richting horizon
Thursday, June 2, 2011
Tandenborstel des Tijds
Ze kwam bij het etalageraam staan
ook zij, nu was iedereen er
en keek uit op de buit
die ik verworven had
in mijn babywagen
Mijn hagelwitte ik
mijn tandeborstel des tijds
poetsend het vuil der eeuwen
wassend het donkere glas
brandend vergeeld perkament
Dit gruis hier was ooit
iets anders dan niets
dit poeder, dit stofje dit buskruit
dit middel tot iets was ooit
een verschijning van iets anders.
ook zij, nu was iedereen er
en keek uit op de buit
die ik verworven had
in mijn babywagen
Mijn hagelwitte ik
mijn tandeborstel des tijds
poetsend het vuil der eeuwen
wassend het donkere glas
brandend vergeeld perkament
Dit gruis hier was ooit
iets anders dan niets
dit poeder, dit stofje dit buskruit
dit middel tot iets was ooit
een verschijning van iets anders.
spekvet gistmolen
graafzand van droesem
eega, draagpost
steen afgezaagde klok
tikkend, heersend
ad-rem is die buil
kop op, zet hem/haar
tegenin, tegendraads
radeloze windstreek
achterom, de steeg
kromhout, beschutte kroeg
schuimkraag, barst in
gebroken witte kroes
de kastelein, een krachtterm
die avond was nog jong
als bloed dat dampend vloeit
terwijl de peuk nog rookt
eega, draagpost
steen afgezaagde klok
tikkend, heersend
ad-rem is die buil
kop op, zet hem/haar
tegenin, tegendraads
radeloze windstreek
achterom, de steeg
kromhout, beschutte kroeg
schuimkraag, barst in
gebroken witte kroes
de kastelein, een krachtterm
die avond was nog jong
als bloed dat dampend vloeit
terwijl de peuk nog rookt
conversations with rip van wilke
There comes a time
in the time of time
when time stands still
in a stone dove on top of a round pillar
and ruby-red eyes.
Yes this time comes my friends
but it is not now
nor then nor ever
My king, my maiden
my holy angel bird
my wings of paper
my tempting crash-and-burn
keep friends forever
grow grass on the treasure
rely on the dead
mechanism of time
that will come
in turn, when this passes, this
eternal now.
in the time of time
when time stands still
in a stone dove on top of a round pillar
and ruby-red eyes.
Yes this time comes my friends
but it is not now
nor then nor ever
My king, my maiden
my holy angel bird
my wings of paper
my tempting crash-and-burn
keep friends forever
grow grass on the treasure
rely on the dead
mechanism of time
that will come
in turn, when this passes, this
eternal now.
Sunday, May 29, 2011
voor 2 Kraaien
Ze kwam uit het keukenraam
Haar haar was vluchtig gewassen
En rook naar mijn drama
Haar zang was versteend in
duizend stukjes geslagen
de viool van het leven
was geen Stradivarius
en werd niet bespeeld
door lenige vingers
Slechts in betonnen kloven
Stond water
In de maan zat een gat
Dat me riep
Oh jee zei hij
Het is zover oh jee
De maan met zijn zwarte vogels
Kraalogen, dode beesten
Niets wetend en slecht
De maan is dood
Op zijn troon.
Haar haar was vluchtig gewassen
En rook naar mijn drama
Haar zang was versteend in
duizend stukjes geslagen
de viool van het leven
was geen Stradivarius
en werd niet bespeeld
door lenige vingers
Slechts in betonnen kloven
Stond water
In de maan zat een gat
Dat me riep
Oh jee zei hij
Het is zover oh jee
De maan met zijn zwarte vogels
Kraalogen, dode beesten
Niets wetend en slecht
De maan is dood
Op zijn troon.
Saturday, May 28, 2011
Dalend
Gorgelend evenbeeld
Geestesziekte, steen
Grauwe kleermakerszit
Botte bijl, damp.
Koorts dienaar
Oppervloed, kramp
Deze verstekeling
Rekent af.
Geestesziekte, steen
Grauwe kleermakerszit
Botte bijl, damp.
Koorts dienaar
Oppervloed, kramp
Deze verstekeling
Rekent af.
Saturday, May 21, 2011
de kloostertuin
Haar stralen zijn zeldzaam
en gevoelige zwaarden
die stenen daar fluisteren
met sensuele tongen
hier breekt er een lans
voor een dierbaar schepsel
en kleurt de as
de dageraad dieper
intense vokalen
begeleiden het lichtconcert
dat door mijn scheermes speelt
de geest is de zwakke
de tanende maan
nu, hier, heilig
wast het bloed het hart.
de brug is van zilver
en was me geraden
de heilige vijand
van de berusting
De weg is onzeker
kleuren vermengen
inkt beroert zich
in zwavelzure regen
tegen de klippen op
niet zal me verstoren
dit zwijn te braden
dit vuur te eten
dit lied te zingen
deze sterren te tellen
deze oerdood te sterven
steeds weer en opnieuw
en steeds maar door
het zijnde te scheuren
in goed en in kwaad
dit doek te weven
van draden van drang
dit wapen der verbranding
van al de zielen
die verdwalen in mijn web
ik breng hier de uiers
van de dode koe
de melk die verzuurde
wij stervend aan ranken
in de zon die lijdt
onder zijn eigen wreedheid
de onafwendbaarheid van zijn licht
Balder verlicht me
met een toornige stoot
stook vuren op, hoog
boven de huizen van geluk
licht de luchten
en regen diepe weerzin
tegen alles
dat niet dit is.
Stilte, maanlicht
verraadt een goedheid
hier in de kloostertuin.
en gevoelige zwaarden
die stenen daar fluisteren
met sensuele tongen
hier breekt er een lans
voor een dierbaar schepsel
en kleurt de as
de dageraad dieper
intense vokalen
begeleiden het lichtconcert
dat door mijn scheermes speelt
de geest is de zwakke
de tanende maan
nu, hier, heilig
wast het bloed het hart.
de brug is van zilver
en was me geraden
de heilige vijand
van de berusting
De weg is onzeker
kleuren vermengen
inkt beroert zich
in zwavelzure regen
tegen de klippen op
niet zal me verstoren
dit zwijn te braden
dit vuur te eten
dit lied te zingen
deze sterren te tellen
deze oerdood te sterven
steeds weer en opnieuw
en steeds maar door
het zijnde te scheuren
in goed en in kwaad
dit doek te weven
van draden van drang
dit wapen der verbranding
van al de zielen
die verdwalen in mijn web
ik breng hier de uiers
van de dode koe
de melk die verzuurde
wij stervend aan ranken
in de zon die lijdt
onder zijn eigen wreedheid
de onafwendbaarheid van zijn licht
Balder verlicht me
met een toornige stoot
stook vuren op, hoog
boven de huizen van geluk
licht de luchten
en regen diepe weerzin
tegen alles
dat niet dit is.
Stilte, maanlicht
verraadt een goedheid
hier in de kloostertuin.
Sunday, May 15, 2011
duister thuis
Geven de daken licht in het donker
Staan de sterren geschreven in het kozijn
Draken de wapens in gedrapeerde schedels
of raken de knarsende banden des tijds
het oppervlak?
De brug gaat omlaag
het donker komt
over de zee gelopen
totaan de hiervandane
eeuwige horizon
staat dit nachtblazoen
te schijnen aan weerszijden
van de schaduw.
De schaduw teelt
maar leeft na
aan mijn wetten
spreek wijsheid
zo komt het
dat Gods wegen ondoorgrondelijk zijn.
De Duisternis
is het struikgewas
langs de paden van het niets.
Staan de sterren geschreven in het kozijn
Draken de wapens in gedrapeerde schedels
of raken de knarsende banden des tijds
het oppervlak?
De brug gaat omlaag
het donker komt
over de zee gelopen
totaan de hiervandane
eeuwige horizon
staat dit nachtblazoen
te schijnen aan weerszijden
van de schaduw.
De schaduw teelt
maar leeft na
aan mijn wetten
spreek wijsheid
zo komt het
dat Gods wegen ondoorgrondelijk zijn.
De Duisternis
is het struikgewas
langs de paden van het niets.
Saturday, May 14, 2011
drienachtendwaling
nooit meer dwalen
op dit pad
nooit meer raken
aan dit blad
altijd zijn
in niets dan stof
dat is voor
dat ik ontplof.
ik wacht niet, Goden
tot U vertelt
ik zal nu sterven
als uw held.
ik ben een mens
en vrees dat ik
slechts met geweld
de vrees verstik.
op dit pad
nooit meer raken
aan dit blad
altijd zijn
in niets dan stof
dat is voor
dat ik ontplof.
ik wacht niet, Goden
tot U vertelt
ik zal nu sterven
als uw held.
ik ben een mens
en vrees dat ik
slechts met geweld
de vrees verstik.
Friday, May 13, 2011
slangenkuil
Tegenstand verzamelt zich
in het neusje van de zalm
galoppeert over de vlakte
esthetisch tegen de vlammen
de maan speelt poker
met haar eigen verschijning
en wint, pot na pot
de buit is ondraaglijk
verderf stort ineen
rookt, smeult, tot as
daar, ogen, blauw
glurend door het sleutelgat
in het neusje van de zalm
galoppeert over de vlakte
esthetisch tegen de vlammen
de maan speelt poker
met haar eigen verschijning
en wint, pot na pot
de buit is ondraaglijk
verderf stort ineen
rookt, smeult, tot as
daar, ogen, blauw
glurend door het sleutelgat
sterreschreeuw
Een grijs verleden
diep in mijn botten
baart alle kleur
van het bloed
Kevers kruipen
in de nacht
vormen een leger
van kruisvaarders
Ik zag de zon
hij was bleek en mooi
en de weg was lang en recht
met golvende bochten
Rammend en beukend
op mijn gestel
zijn de daden
van een leeg verleden
Bij binnenkomst
moet u betalen
met u leven
en uw kroon
geen eeuwigheid is hier
grijze gezalfde
getekende gelovige
brekende speer
U wacht een moeras
dat leven heet
en aan de overkant
baart het leven
de torens in as
ooit, smeulend, ooit brandend
ooit in vole glorie
tot men stal de vlag
Dit vaandel verloren
leeft voort in het onweer
de oorlog, de smart
en de sterreschreeuw
diep in mijn botten
baart alle kleur
van het bloed
Kevers kruipen
in de nacht
vormen een leger
van kruisvaarders
Ik zag de zon
hij was bleek en mooi
en de weg was lang en recht
met golvende bochten
Rammend en beukend
op mijn gestel
zijn de daden
van een leeg verleden
Bij binnenkomst
moet u betalen
met u leven
en uw kroon
geen eeuwigheid is hier
grijze gezalfde
getekende gelovige
brekende speer
U wacht een moeras
dat leven heet
en aan de overkant
baart het leven
de torens in as
ooit, smeulend, ooit brandend
ooit in vole glorie
tot men stal de vlag
Dit vaandel verloren
leeft voort in het onweer
de oorlog, de smart
en de sterreschreeuw
Thursday, April 28, 2011
Strip
Zonder eerbied meer
voor de grijze goden
open mond, open hart
onschuldig rollenspel
onschuld want ik ben het
en geen dode geest
geen beklemmend rotsblok
waarin vrezen staan gebeiteld
in het hier en nu
bevindt zich heel iets anders
zelfs heel iemand anders
dan in mijn geheugen
Ik hou meer van kleuren
flitsende lichten en geld
spellen tot de horizon
dan van de woestijn
Al is het aleen om de mensen
die dit met mij delen
die de catwalk lopen
en niet om een steen.
Vergeef mij voor mijn zonden
mijn geloof aan zonden
mijn geloof dat domheid
raakt aan het rechte pad
ach vergeet het, ik
vergeef mij zelf
Sushi, fonkelende Hummer
ze draait hem in een ruk
vreemd genoeg, ze vlucht niet
voor wie ik lijk te zijn
voor wie ik blijkbaar ben
ondanks mijn inspanningen
zeg de woorden nu
van dingen die bestaan
raak de dingen aan
en kruip uit je verleden
voor de grijze goden
open mond, open hart
onschuldig rollenspel
onschuld want ik ben het
en geen dode geest
geen beklemmend rotsblok
waarin vrezen staan gebeiteld
in het hier en nu
bevindt zich heel iets anders
zelfs heel iemand anders
dan in mijn geheugen
Ik hou meer van kleuren
flitsende lichten en geld
spellen tot de horizon
dan van de woestijn
Al is het aleen om de mensen
die dit met mij delen
die de catwalk lopen
en niet om een steen.
Vergeef mij voor mijn zonden
mijn geloof aan zonden
mijn geloof dat domheid
raakt aan het rechte pad
ach vergeet het, ik
vergeef mij zelf
Sushi, fonkelende Hummer
ze draait hem in een ruk
vreemd genoeg, ze vlucht niet
voor wie ik lijk te zijn
voor wie ik blijkbaar ben
ondanks mijn inspanningen
zeg de woorden nu
van dingen die bestaan
raak de dingen aan
en kruip uit je verleden
Friday, April 15, 2011
tiger striped timbre
In the morning light
they say things are different
but I find, differently,
that there are no things
in the morning, just light
Come with me and fly
I tell to my little song
it has been enclosed in my heart
where it terrorized and hid
from the terror outside
The song now grows a yelping
strangely I no longer hear
any melody or rhythm
except in the breathing between
that sometimes sounds hoarse
As a side comment
I should like to note
that the sky is blue
that the leaves are green
and the reservoir is replenished
they say things are different
but I find, differently,
that there are no things
in the morning, just light
Come with me and fly
I tell to my little song
it has been enclosed in my heart
where it terrorized and hid
from the terror outside
The song now grows a yelping
strangely I no longer hear
any melody or rhythm
except in the breathing between
that sometimes sounds hoarse
As a side comment
I should like to note
that the sky is blue
that the leaves are green
and the reservoir is replenished
Thursday, April 14, 2011
down to the river
As the moon cheers and winks
at me as I stride
the hollow sound of my footsteps
becomes fuller and fuller
At once I leave behind
the future and the past
there is here, increasingly
legal custody
Lex! proclaims a figurine
being used as a fountain
she hears me approach
and touches my face
A river flows through
gently, in the deep
I walk down the long staircase
in the ancient wall
There once was a story
told to butterflies
its moral was empty
except for a beating heart.
at me as I stride
the hollow sound of my footsteps
becomes fuller and fuller
At once I leave behind
the future and the past
there is here, increasingly
legal custody
Lex! proclaims a figurine
being used as a fountain
she hears me approach
and touches my face
A river flows through
gently, in the deep
I walk down the long staircase
in the ancient wall
There once was a story
told to butterflies
its moral was empty
except for a beating heart.
Saturday, April 9, 2011
roast beef
Hyperborean, bald headed birds squawk
for vain recognition
In the Desert, a rainworm shrivels
in blistering regret
at least, that is how he calls the Sun.
In a forest, a Tomahawk cuts through the foliage
and makes a delightful noise
before a loud Clunk
delivers its part with verve
The lonely wolf prepares
to howl on his chosen hill
looks with bloodshot eyes
around him seeing
things unknown to thought
As sheep gather in flocks
all throughout their lives
a warmth spreads through their veins
it is all they know
The stray cat curves her back
and spits an evil sound
her tail swells, thick and fierce
what is coming next
is in the blink of an eye
for vain recognition
In the Desert, a rainworm shrivels
in blistering regret
at least, that is how he calls the Sun.
In a forest, a Tomahawk cuts through the foliage
and makes a delightful noise
before a loud Clunk
delivers its part with verve
The lonely wolf prepares
to howl on his chosen hill
looks with bloodshot eyes
around him seeing
things unknown to thought
As sheep gather in flocks
all throughout their lives
a warmth spreads through their veins
it is all they know
The stray cat curves her back
and spits an evil sound
her tail swells, thick and fierce
what is coming next
is in the blink of an eye
Sunday, March 27, 2011
Deel 1
Een significante
Paardentent
Langs de weg van een héél, hééél lange reis. Echt Heul lang.
Er stonden drie paarden, van wie de ene nog eens in een bed zou belanden, en de andere geruild werd voor een ring. Het derde paard was wit, en men vermoedde, er zo naar te kijken, dat het vleugels zou kunnen hebben, in de nacht.
Alzoo geschiedde het, op een dag, dat dit derde paard gekocht werd door een grote rijke boer uit Kirchizie, die toevallig op bezoek was in Moskou (waar de paardentent natuurlijk stond - Moskou is het midden van alle reizen door ons land.). En het paard groeide heel gelukkig op tot een moeder van twee kinderen en werd toen ook nog eens vader - geestlijk, weliswaar, van een geboorte die niemand had kunnen voorzien - zelfs niet zij die het paard - dat Idawervee werd genoemd, hadden zien vliegen door hun hemelse wanen. Het geen er hier op wordt gedoeld is een historie. Dit verhaal is mij ooit verteld, door een arme boer uit Kazakhstan, die op de vlucht was voor zijn opa.
Paardentent
Langs de weg van een héél, hééél lange reis. Echt Heul lang.
Er stonden drie paarden, van wie de ene nog eens in een bed zou belanden, en de andere geruild werd voor een ring. Het derde paard was wit, en men vermoedde, er zo naar te kijken, dat het vleugels zou kunnen hebben, in de nacht.
Alzoo geschiedde het, op een dag, dat dit derde paard gekocht werd door een grote rijke boer uit Kirchizie, die toevallig op bezoek was in Moskou (waar de paardentent natuurlijk stond - Moskou is het midden van alle reizen door ons land.). En het paard groeide heel gelukkig op tot een moeder van twee kinderen en werd toen ook nog eens vader - geestlijk, weliswaar, van een geboorte die niemand had kunnen voorzien - zelfs niet zij die het paard - dat Idawervee werd genoemd, hadden zien vliegen door hun hemelse wanen. Het geen er hier op wordt gedoeld is een historie. Dit verhaal is mij ooit verteld, door een arme boer uit Kazakhstan, die op de vlucht was voor zijn opa.
Wednesday, March 23, 2011
morning nap
In truth there is no such thing as truth
there is such a thing as lies, many of them
and then there is the heart
I creep under the pillow of sorrow and weep
I shiver at the thought of my solitary way
And meanwhile I see stars, I think I am dizzy
At streetlevel, downstairs work is going on
noise, delicious, noise
the humming of the world as it turns in oblivion
there is such a thing as lies, many of them
and then there is the heart
I creep under the pillow of sorrow and weep
I shiver at the thought of my solitary way
And meanwhile I see stars, I think I am dizzy
At streetlevel, downstairs work is going on
noise, delicious, noise
the humming of the world as it turns in oblivion
Monday, March 21, 2011
De die
Brug van vuur en goud
tussen kracht en koning
Ik deed een belofte
en verwacht een kroning
In Pometheus lijden
daar ligt Cheirons buit
aan de berg geketend
spant de Hemel uit.
Drie broers komen samen
in een diep gewelf
eentje neemt het woord
en verbergt zichzelf
Diepgeworteld, wereld
wouden van welleer
toekomst in de sterren
aan het blanke meer
tussen kracht en koning
Ik deed een belofte
en verwacht een kroning
In Pometheus lijden
daar ligt Cheirons buit
aan de berg geketend
spant de Hemel uit.
Drie broers komen samen
in een diep gewelf
eentje neemt het woord
en verbergt zichzelf
Diepgeworteld, wereld
wouden van welleer
toekomst in de sterren
aan het blanke meer
Tuesday, March 15, 2011
Vaandelgrond
Een tocht langs vaandels
rood in de natte grond
langs het karrespoor
Trompettengeluid
ergens ver in de leegte
De hemel is dicht
Voor mijn gaan schimmen
zij trekken zware lasten
kreunen stijgen op
Dan staat er een man
zijn vuist om een vaandelstok
hij grijnst en knipoogt
Ik kijk naar de lucht
een rode gloed is zichtbaar
de man plant zijn vlag
Een zacht gerommel
uit de maag van de hemel
klinkt diep in mijn hart.
De weg voert me voort
mijn voetstappen zinken weg
in de gele drek
Ik vloek binnensmonds
mijn ogen tranen woedend
vurig wens ik vuur
De hemel wordt blauw
de zon laaft zich aan zichzelf
het pad wordt harder
Ik kan niet denken
ik weet slechts wat ik voelde
bij de beslissing
Ooit was ik een ster
Colosseum juichte toe
ik waste met kracht
Nu vertrekt de lucht
die ik adem in mijn nood
uit andermans borst
De lucht is duister
de avond is gevallen
nog ben ik niet moe.
rood in de natte grond
langs het karrespoor
Trompettengeluid
ergens ver in de leegte
De hemel is dicht
Voor mijn gaan schimmen
zij trekken zware lasten
kreunen stijgen op
Dan staat er een man
zijn vuist om een vaandelstok
hij grijnst en knipoogt
Ik kijk naar de lucht
een rode gloed is zichtbaar
de man plant zijn vlag
Een zacht gerommel
uit de maag van de hemel
klinkt diep in mijn hart.
De weg voert me voort
mijn voetstappen zinken weg
in de gele drek
Ik vloek binnensmonds
mijn ogen tranen woedend
vurig wens ik vuur
De hemel wordt blauw
de zon laaft zich aan zichzelf
het pad wordt harder
Ik kan niet denken
ik weet slechts wat ik voelde
bij de beslissing
Ooit was ik een ster
Colosseum juichte toe
ik waste met kracht
Nu vertrekt de lucht
die ik adem in mijn nood
uit andermans borst
De lucht is duister
de avond is gevallen
nog ben ik niet moe.
Saturday, March 12, 2011
Thursday, March 10, 2011
Bosfee
Een zwaard wacht in sneeuw
Een kraai zingt zijn laatste lied
de brug is van steen
wolken drijven zwaar
het grasveld is ledig hier
op de brug rot hout
de graven zijn groen
de bergenzee strekt zicht uit
de kraai zingt niet meer
mijn knapzak rust zacht
om mijn heup hangt een gordel
bij het meer rust ik
Een kraai zingt zijn laatste lied
de brug is van steen
wolken drijven zwaar
het grasveld is ledig hier
op de brug rot hout
de graven zijn groen
de bergenzee strekt zicht uit
de kraai zingt niet meer
mijn knapzak rust zacht
om mijn heup hangt een gordel
bij het meer rust ik
podverdikkie
Wanneer woorden verhullen
doen ze het niet hier
in tweeen gespleten
verdeelde gewetens
en toch staat de koffie klaar
draaft het schoffie door
als Gosse van der Maessen met Pasen.
doen ze het niet hier
in tweeen gespleten
verdeelde gewetens
en toch staat de koffie klaar
draaft het schoffie door
als Gosse van der Maessen met Pasen.
veld
Grassige velden en een stenen hut
half verborgen in een greppel
binnenin straalt de zon staat een troon
liggen berenhuiden klaar voor de daad
de wolken hierboven zijn grijs
zwanger van regen
als de eerste druppels vallen hef ik
mijn gezicht naar ze toe en ontvang ze
half verborgen in een greppel
binnenin straalt de zon staat een troon
liggen berenhuiden klaar voor de daad
de wolken hierboven zijn grijs
zwanger van regen
als de eerste druppels vallen hef ik
mijn gezicht naar ze toe en ontvang ze
Wednesday, March 9, 2011
windstreken
Te spreken de daden
te plegen die merkwaardig
in de zaken der dingen steken
Die heimelijke weerstand
Furiewoest draadgangers
afdalers, bidders
groothoektelelenzen
graafmachines van de zieleweide
opstellingen der gezwalktheid
vast omlijnd door boete
hangmat, vuurstoel
evenbeeld treed nader...
Vertel mij kom verder
in die hele halve
hondertallige wolfsroede
van je knipperlichte ziel
randen van de afgrond voeren
af van de daken
waarop ik schreeuw
in de nacht als de wortels slapen.
Toren, waanzinsmens
barst uit je voegen terdege
wetend dat de eeuwen
slepen met hun tekenen
Hier ooit nu nog in mij maar toen
het zich schreef, alas,
toen liep de helling naar beneden.
te plegen die merkwaardig
in de zaken der dingen steken
Die heimelijke weerstand
Furiewoest draadgangers
afdalers, bidders
groothoektelelenzen
graafmachines van de zieleweide
opstellingen der gezwalktheid
vast omlijnd door boete
hangmat, vuurstoel
evenbeeld treed nader...
Vertel mij kom verder
in die hele halve
hondertallige wolfsroede
van je knipperlichte ziel
randen van de afgrond voeren
af van de daken
waarop ik schreeuw
in de nacht als de wortels slapen.
Toren, waanzinsmens
barst uit je voegen terdege
wetend dat de eeuwen
slepen met hun tekenen
Hier ooit nu nog in mij maar toen
het zich schreef, alas,
toen liep de helling naar beneden.
waar, wat, hoe, waarom
Kusten van bewustzijn
met stranden aan parelmoeren azuur
tempels, zacht wit marmer Dorisch grijs
kijk uit over daar, waar de meeuwen
weten wat in hun kraaloogjes geschreven staat
Wie hier ruw nu
aanklopt in het magazijn
in het met koeieletters besmeurde
wat zich op de brug afspeelt in
het ranke duister
In de tijgerogen
onderaan de berg
in een hangmat ligt zij
met haar harmonica aan haar lippen
te wachten op limonade
Vergeten zegen wacht verzonken
in onwrikbare weerstand op mij
ik kan niet helpen te weten
wat goed is
met stranden aan parelmoeren azuur
tempels, zacht wit marmer Dorisch grijs
kijk uit over daar, waar de meeuwen
weten wat in hun kraaloogjes geschreven staat
Wie hier ruw nu
aanklopt in het magazijn
in het met koeieletters besmeurde
wat zich op de brug afspeelt in
het ranke duister
In de tijgerogen
onderaan de berg
in een hangmat ligt zij
met haar harmonica aan haar lippen
te wachten op limonade
Vergeten zegen wacht verzonken
in onwrikbare weerstand op mij
ik kan niet helpen te weten
wat goed is
gratis warmte
Hier in mijn stad
mijn kookpot boven het gouden vuur
de slang om de cape van de mantel
van de man in de maan
het hoofd zit in mij
In de grot zit slechts een gier.
mijn kookpot boven het gouden vuur
de slang om de cape van de mantel
van de man in de maan
het hoofd zit in mij
In de grot zit slechts een gier.
donker pad
De Ster rijst in het oosten
En ziet mij van boven
tussen de bomen door
Veel weet ik niet van zijn licht
en toch genoeg
om mijn pad te vervolgen.
En ziet mij van boven
tussen de bomen door
Veel weet ik niet van zijn licht
en toch genoeg
om mijn pad te vervolgen.
Sunday, March 6, 2011
totaan de jungle
Toen ook die gedachten ineens plaatsvonden
Op de zolder, van de kamer in mijn hoofd
hier, daar overal eigenlijk zoals altijd
en soms
en nooit
maar niet nu
nu niet nooit
maar nu, altijd
het is weer
zover
Een boom vertelt
een grap aan zijn vader
het onweer barst
uit zijn voegen in de lobby
waar dames wandelen eigenlijk
geen dames...
De winkel verkoopt sieraden
zo mooie je weet wel van die
hele, hele mooie
die je nooit ziet
als je niet weet waarnaar je zoekt
Tot hier en niet verder zei ooit een Kabouter
een man van middelbare leeftijd
aan een gracht in de diepte
hij was het die zei
ik zei het niet maar jij
jij deed ertoe niet
niet ik
Ik was de heer
hier in de drek
Jamaar zei toen de olifant
ik ben er ook nog en je weet wat ik doe
Op de zolder, van de kamer in mijn hoofd
hier, daar overal eigenlijk zoals altijd
en soms
en nooit
maar niet nu
nu niet nooit
maar nu, altijd
het is weer
zover
Een boom vertelt
een grap aan zijn vader
het onweer barst
uit zijn voegen in de lobby
waar dames wandelen eigenlijk
geen dames...
De winkel verkoopt sieraden
zo mooie je weet wel van die
hele, hele mooie
die je nooit ziet
als je niet weet waarnaar je zoekt
Tot hier en niet verder zei ooit een Kabouter
een man van middelbare leeftijd
aan een gracht in de diepte
hij was het die zei
ik zei het niet maar jij
jij deed ertoe niet
niet ik
Ik was de heer
hier in de drek
Jamaar zei toen de olifant
ik ben er ook nog en je weet wat ik doe
Saturday, February 26, 2011
nederig kneden
Ja toch die dan dat
dorstige zangerigheid
geloof in de diepte
geweld
zenuwslopend aan zich wordt kwaadheid
GEEST
en de derde zakt neer en rent weg
dorstige zangerigheid
geloof in de diepte
geweld
zenuwslopend aan zich wordt kwaadheid
GEEST
en de derde zakt neer en rent weg
Gladiator
Gretigheid
Eenarmig
Inhalig
de ander salueert.
Nee man
zo is het anders
klotekut
in je aars.
Ransdebiel
godlosts
Kleurrijk
Wandeling door de gootsteen die een ecosysteem is.
Ik ben hier om te proeven
te durven te dalen
totdat ik een grens weet
en die begrijp
ik ben hier in de wereld
geenszins om te werken
aan dit of dat
maar aan het
wat hier staat
geschreven halleluja okee.
De deur is dus dicht
voor gezeur en de plicht
die roept uit de hemel
boven die man op zijn kemel
ik ben hier de lucht
de vrees en de wind
ik ben hier het kind
dat speelt met zijn staart
ik ben de wervelwind
die de hemel verbind
met heel de wereld en
jou en mij
Eenarmig
Inhalig
de ander salueert.
Nee man
zo is het anders
klotekut
in je aars.
Ransdebiel
godlosts
Kleurrijk
Wandeling door de gootsteen die een ecosysteem is.
Ik ben hier om te proeven
te durven te dalen
totdat ik een grens weet
en die begrijp
ik ben hier in de wereld
geenszins om te werken
aan dit of dat
maar aan het
wat hier staat
geschreven halleluja okee.
De deur is dus dicht
voor gezeur en de plicht
die roept uit de hemel
boven die man op zijn kemel
ik ben hier de lucht
de vrees en de wind
ik ben hier het kind
dat speelt met zijn staart
ik ben de wervelwind
die de hemel verbind
met heel de wereld en
jou en mij
Oom Dagobert
Ik kijk neer op mijn blote voeten
lopend door de modder en
zie gouden staven, hard en zwaar
onder me, en achter me een spoor
Half verzonken in de drek
maar blinkend toch en schoon
en onweerstaanbaar eigenlijk
waarom liet ik ze liggen?
Ik tracht te torsen, ééntje slechts
is al zo zwaar dat ik kraak
ik moet hem smelten denk ik dan
en drinken, tot me nemen.
Zo sta ik daar te denken hoe
ik hitte uit me pers
die genoeg zal gloeien om het goud
in een teug te verslinden
Laat het nu juist het denken zijn
dat zo'n oven blijkt....
het goud wordt nu een gloeiend pad
terug tot de oorsprong in mij.
lopend door de modder en
zie gouden staven, hard en zwaar
onder me, en achter me een spoor
Half verzonken in de drek
maar blinkend toch en schoon
en onweerstaanbaar eigenlijk
waarom liet ik ze liggen?
Ik tracht te torsen, ééntje slechts
is al zo zwaar dat ik kraak
ik moet hem smelten denk ik dan
en drinken, tot me nemen.
Zo sta ik daar te denken hoe
ik hitte uit me pers
die genoeg zal gloeien om het goud
in een teug te verslinden
Laat het nu juist het denken zijn
dat zo'n oven blijkt....
het goud wordt nu een gloeiend pad
terug tot de oorsprong in mij.
Thursday, February 24, 2011
no things
The truth as such a thing
exists in the face of itself
reveals to me its absence
counterpart to me
I roll on, down the hill
entrapped in motions ways
reveal my secret, contemplate
the knight in shining armor
ambushed on the catwalk
I laugh the world is going
on and speeding up
I turn and face the wall
My shadow stirs, reluctantly
congregates with me
something lives between us
Somewhere, deep in sadness
unjust plans were made
and truth died in its sleep.
exists in the face of itself
reveals to me its absence
counterpart to me
I roll on, down the hill
entrapped in motions ways
reveal my secret, contemplate
the knight in shining armor
ambushed on the catwalk
I laugh the world is going
on and speeding up
I turn and face the wall
My shadow stirs, reluctantly
congregates with me
something lives between us
Somewhere, deep in sadness
unjust plans were made
and truth died in its sleep.
IJsdroom
Dit bevroren licht moet smelten
want de koffie dampt en ruikt
en lokt net als de dag van morgen
als een berghut in de sneeuw
dit versteende vuur weerklonk
te lang in dode zalen
schreeuwde pijnlijk en geknepen
bevelen van een wrede god
nu warmt het brood in onze oven
kraakt het bed, de lakens wit
en bloemen op het raam vannacht
ontsnapt uit de greep van mijn droom
want de koffie dampt en ruikt
en lokt net als de dag van morgen
als een berghut in de sneeuw
dit versteende vuur weerklonk
te lang in dode zalen
schreeuwde pijnlijk en geknepen
bevelen van een wrede god
nu warmt het brood in onze oven
kraakt het bed, de lakens wit
en bloemen op het raam vannacht
ontsnapt uit de greep van mijn droom
ramshoorn
Mijn liefde brandt in ogen
ver van hier
De zee splijt tot Rome
verderf loert
In tweedracht schiepen zon en maan
de ramshoorn
ver van hier
De zee splijt tot Rome
verderf loert
In tweedracht schiepen zon en maan
de ramshoorn
Wednesday, February 23, 2011
Maanverlichte vlakte
Dorstige vuren
ontbranden in deze kamer
zuurstof zuigt en kolkt
Faraoische zeeën van goud
spiegelpaleizen verrammen
deze stierenhoorns te gronde
Toen langs de weg door mijn land
mij een dood symbool vond
wist ik nog geen vertaling
Dit raadsel kwam mij levend voor
ik vervolgde mijn weg
en sleep mijn mes
Bloed zweet en tranen
wijn brood en vlees
spijt voedt mijn oven
ontbranden in deze kamer
zuurstof zuigt en kolkt
Faraoische zeeën van goud
spiegelpaleizen verrammen
deze stierenhoorns te gronde
Toen langs de weg door mijn land
mij een dood symbool vond
wist ik nog geen vertaling
Dit raadsel kwam mij levend voor
ik vervolgde mijn weg
en sleep mijn mes
Bloed zweet en tranen
wijn brood en vlees
spijt voedt mijn oven
"XVI"
Bar koud, brandnetelsoep
zolang de voorraad strekken zal
zolang hier een kar in de modder klemvast zit
met bestemming "over-yonder".
Op de bok zit een vreemdeling
met vlas-geel haar
die het paard een wortel geeft
die de zweep uitéén pulkt.
Achter de wolken buldert
een keel - een stem - een toren
Weerlicht
Een hoef schraapt.
Dan - komt de kar in beweging
onder luid protest
van wielen, assen, drijver
gekraak en een schorre stem.
De modder spat uiteen
eronder verschijnt een weg
gelegd met marmeren tegels
onbekrast van Aard.
zolang de voorraad strekken zal
zolang hier een kar in de modder klemvast zit
met bestemming "over-yonder".
Op de bok zit een vreemdeling
met vlas-geel haar
die het paard een wortel geeft
die de zweep uitéén pulkt.
Achter de wolken buldert
een keel - een stem - een toren
Weerlicht
Een hoef schraapt.
Dan - komt de kar in beweging
onder luid protest
van wielen, assen, drijver
gekraak en een schorre stem.
De modder spat uiteen
eronder verschijnt een weg
gelegd met marmeren tegels
onbekrast van Aard.
6:00
Oh god een tentenkamp
Daar ben ik nog nooit geweest
Ookal stond ik vroeg op
Om de oorlog te horen rommelen.
Ver ver weg in mijn verre neef
Die regeert over machten
Die staat aan de baardgroei
Van het eeuwige akkerland.
Zijn schip is vergeven
Zout groeit aan de planken
Een kruisraket siert als een boog
Een zwarte regenboog.
Daar ben ik nog nooit geweest
Ookal stond ik vroeg op
Om de oorlog te horen rommelen.
Ver ver weg in mijn verre neef
Die regeert over machten
Die staat aan de baardgroei
Van het eeuwige akkerland.
Zijn schip is vergeven
Zout groeit aan de planken
Een kruisraket siert als een boog
Een zwarte regenboog.
Balder
Als de woeste Balder aanleunt, die boom, die noeste eik, die ooit in het vuur zal verdwijnen, dan zijn zijn botten stram, en zijn blik rookt vervaarlijk - wat zal daarachter schuilgaan?
Het huis op de heuvel, het strooien dak schittert. Het zilveren licht van de sikkel temidden de blinde geluiden van
van de nacht
Ja hier wil ik wonen, van hier spreek ik tot u, en zeg u, u mag blijven
wat u bent.
Het huis op de heuvel, het strooien dak schittert. Het zilveren licht van de sikkel temidden de blinde geluiden van
van de nacht
Ja hier wil ik wonen, van hier spreek ik tot u, en zeg u, u mag blijven
wat u bent.
Recht
Kracht in scheuten van pijn
sijpelt door de verwoeste pijplijn.
Krakende weerstand breekt en buigt
om tot aanwezigheid.
sijpelt door de verwoeste pijplijn.
Krakende weerstand breekt en buigt
om tot aanwezigheid.
middaguur
In dit koffiehuis
zing ik rond
trilt dit vacuum
aan gruzelementen.
Stemmen heffen
niet onhebbelijk
naar het woordje
dat even staat
De lucht is blauw
vast wel ergens,
Een plas op de stoep
glinstert perfide.
Een voorbijganger
ik zie nog net - een tas! -
dat het niemand was
die ik ken.
zing ik rond
trilt dit vacuum
aan gruzelementen.
Stemmen heffen
niet onhebbelijk
naar het woordje
dat even staat
De lucht is blauw
vast wel ergens,
Een plas op de stoep
glinstert perfide.
Een voorbijganger
ik zie nog net - een tas! -
dat het niemand was
die ik ken.
Monday, February 21, 2011
dit pad
Grenspost
Woestijn in vlammen achter mij
De stap die ik zet
Mijn hoofd is een hoogoven
de raderen gesmolten
gedachten één massa
Geweren gaan af
geratel geknetter
ik pluk een bloem
Ik kan niets meer zien
dat mij zo gemaakt heeft
een pikzwarte zon
Vuurwapenstilstand
back to the future
Mount Everest knielt
Woestijn in vlammen achter mij
De stap die ik zet
Mijn hoofd is een hoogoven
de raderen gesmolten
gedachten één massa
Geweren gaan af
geratel geknetter
ik pluk een bloem
Ik kan niets meer zien
dat mij zo gemaakt heeft
een pikzwarte zon
Vuurwapenstilstand
back to the future
Mount Everest knielt
waar het gebeurt
Gebedsdienst zonder kerk
Zo ziet mijn leven eruit
De open hemel is mijn tempel
Het woud mijn geloof
Keerzijde van het keerpunt
Eerwraak van het lot
Uit grotten ontsnapt nu
Het avondgebed
De krachten ontmoeten
Naakt op de vlakte
Staren in ogen
Bijten het stof
Grote geesten laven
Zich aan mijn twijfel
Het krakende breken
De spattende vonken
Zo groeien de bloemen
In glashelder water
En onder de zon
Ontbindt het kadaver
Zo moet het zijn maar
Tussendoor grijpt het leven
Om zich heen met zijn klauwen
En streelt de dood
Zo ziet mijn leven eruit
De open hemel is mijn tempel
Het woud mijn geloof
Keerzijde van het keerpunt
Eerwraak van het lot
Uit grotten ontsnapt nu
Het avondgebed
De krachten ontmoeten
Naakt op de vlakte
Staren in ogen
Bijten het stof
Grote geesten laven
Zich aan mijn twijfel
Het krakende breken
De spattende vonken
Zo groeien de bloemen
In glashelder water
En onder de zon
Ontbindt het kadaver
Zo moet het zijn maar
Tussendoor grijpt het leven
Om zich heen met zijn klauwen
En streelt de dood
Tijdsbeeld
Eens groeiden hier bomen
Weet u nog?
Het was
Zomer.
Nu, Winter,
De bladeren
Heb ik verzameld en
Verbrand in mijn oven
Nog altijd rijzen
Brede stammen
Vol zelfvergiffenis
Boven de daken
Ze leefden hier
Toen ik nog dood was
Als oude helden
Op papier
Zo zie ik ze aan
Met triest gezicht
De wind hoor ik suizen
Ergens ver weg
Hier is een stilte
In een cirkel gesloten
Mijn hart danst wild
En beukt op de randen
Ik weet iemand hoort het
En die iemand die ken ik
Wel eens zien lopen
Tegen de wind
Weet u nog?
Het was
Zomer.
Nu, Winter,
De bladeren
Heb ik verzameld en
Verbrand in mijn oven
Nog altijd rijzen
Brede stammen
Vol zelfvergiffenis
Boven de daken
Ze leefden hier
Toen ik nog dood was
Als oude helden
Op papier
Zo zie ik ze aan
Met triest gezicht
De wind hoor ik suizen
Ergens ver weg
Hier is een stilte
In een cirkel gesloten
Mijn hart danst wild
En beukt op de randen
Ik weet iemand hoort het
En die iemand die ken ik
Wel eens zien lopen
Tegen de wind
Sunday, February 20, 2011
anima 3
Je gezicht toen je jong was
het morgenrood
hoe je toen al mijn geest las
verdrinkingsdood
Het licht van je lach
een straal scheen
zonder dat je me zag
door mijn ziel heen
De zee in je ogen
kan ik horen
in de diepte gezogen
verloren
het morgenrood
hoe je toen al mijn geest las
verdrinkingsdood
Het licht van je lach
een straal scheen
zonder dat je me zag
door mijn ziel heen
De zee in je ogen
kan ik horen
in de diepte gezogen
verloren
Belangrijke Papieren
Radicale moslims
groeven
daarentegen door kamers vol wouden
Gravelings dragen
de zijnen terzijde
het lijk
en schreeuwen
om aandacht.
Ja het zij zo
dat de Keizer
zich het liefst
in vervoering ziet
radikale
nevensdalen
kanalen
vol weerzin
diert het onge
zonde ronde stomme
Ding
in mijn ziel.
Rot op.
Schepsel
Draag alles af
Aan de koerier
Hier
Papier
Stank
Dank
en allerhande zachte randen en botte messen
rotte rode bessen en geteisem
Geteisem, geteisem
Geteisem van de ziel.
groeven
daarentegen door kamers vol wouden
Gravelings dragen
de zijnen terzijde
het lijk
en schreeuwen
om aandacht.
Ja het zij zo
dat de Keizer
zich het liefst
in vervoering ziet
radikale
nevensdalen
kanalen
vol weerzin
diert het onge
zonde ronde stomme
Ding
in mijn ziel.
Rot op.
Schepsel
Draag alles af
Aan de koerier
Hier
Papier
Stank
Dank
en allerhande zachte randen en botte messen
rotte rode bessen en geteisem
Geteisem, geteisem
Geteisem van de ziel.
Verveeld door Vergilius
Onwetendheid heerst
In duistere dalen
Van zwarte grotten
Vergeven
Donkere wolken
Komen boven de huizen
Waar kinderen slapen
Gedreven
De rust wordt verstoord
Als druppels regen
De daken wekken
Voor Even
Dan dendert de donder
Neer uit de hemel
Die alles in furie
Doet beven
Razende storm en
Ontketende bliksem
Samen verwoesten
Het leven
De wolken verdwijnen
Licht valt op de dalen
Slechts as
is overgebleven.
In duistere dalen
Van zwarte grotten
Vergeven
Donkere wolken
Komen boven de huizen
Waar kinderen slapen
Gedreven
De rust wordt verstoord
Als druppels regen
De daken wekken
Voor Even
Dan dendert de donder
Neer uit de hemel
Die alles in furie
Doet beven
Razende storm en
Ontketende bliksem
Samen verwoesten
Het leven
De wolken verdwijnen
Licht valt op de dalen
Slechts as
is overgebleven.
flauw
Die dagboeken staan vol met registraties van stonede gesprekjes en grappen:
"Parijs:
Rozen zijn rood
Cola is blauw
McNuggets zijn leer
Ik hou van jou."
"-Gooi dat restje niet in de prullenbak, dat moet nog naar Ethiopie!
-Maak je geen zorgen, die hele bak gaat naar Ethiopie."
"-Het zou racistisch zijn als de vanille milkshakes duurder zouden zijn dan de chokolademilkshakes.
-Sterker nog, ze hebben hier volgens mij geen vanillemilkshakes"
"Ik had een febofobie"
"Hema en Hotero"
"Smoesje voor nekrofiele verkrachter: Dat lijk daagde me uit!"
"Ik heb je verlaten
Het leek me goed maar
Het chloor in het water
is plotseling proefbaar"
Enzovoorts.
Lol.
"Parijs:
Rozen zijn rood
Cola is blauw
McNuggets zijn leer
Ik hou van jou."
"-Gooi dat restje niet in de prullenbak, dat moet nog naar Ethiopie!
-Maak je geen zorgen, die hele bak gaat naar Ethiopie."
"-Het zou racistisch zijn als de vanille milkshakes duurder zouden zijn dan de chokolademilkshakes.
-Sterker nog, ze hebben hier volgens mij geen vanillemilkshakes"
"Ik had een febofobie"
"Hema en Hotero"
"Smoesje voor nekrofiele verkrachter: Dat lijk daagde me uit!"
"Ik heb je verlaten
Het leek me goed maar
Het chloor in het water
is plotseling proefbaar"
Enzovoorts.
Lol.
Anima 2
Nog een gedicht uit het dagboek lente 1996. Dit schreef ik in de kantine van de filmacademie, toen nog in de Ite Boeremastraat, terwijl ik wachtte tot ik werd geroepen voor mijn toelatingsgesprek. Het gesprek ging slecht, en ik werd niet toegelaten, dat jaar. In het gedicht volgde ik de vorm van een song door een goede vriend van me geschreven voor het meisje vaar hij verliefd op was. Ik herinner me de eerste twee regels: "O shipwrecked Sailor on the ocean depths / Your secret memories will forever be kept."
O plane-crashed pilot on the desert sands
Just then in the air you had it all your hands
Now you must find a road leading out of this place
Or don't you see that vulture with its bloodthirsty gaze?
O unlucky soul on the roads of passion
You took a wrong turn and a priceless lesson
But wisdom drowns in this loveless pool
A cold wet death, a desolate fool.
Omineus...
O plane-crashed pilot on the desert sands
Just then in the air you had it all your hands
Now you must find a road leading out of this place
Or don't you see that vulture with its bloodthirsty gaze?
O unlucky soul on the roads of passion
You took a wrong turn and a priceless lesson
But wisdom drowns in this loveless pool
A cold wet death, a desolate fool.
Omineus...
Anima 1
Ik las het volgende gedicht op de binnenkant van de achterkaft van mijn dagboek, een van de vele uit 1996, het jaar dat ik begon te schrijven. Het is wonderlijk te zien wat voor duistere zaken blijkbaar in mijn geest leefden, zonder dat ik daar in het dagelijks leven ook maar iets mee te maken had. De dagboeken zelf zijn van een onbegrijpelijke onschuld, onbegrijpelijk in de zin dat ik me er niet meer in kan verplaatsen. Maar de gedichten zijn steevast duister, en lijken te verwijzen naar gebeurtenissen die later in mijn leven zouden plaatsvinden.
Somebody's knocking on my door
Seems like no one I've met before
He whispers that if I will be his friend
My life as I know it will come to an end.
When I ask him to tell me his name
He gets angry and says this is no game.
I turn around to take a look at my room
Stand face to face with invisible doom.
I try to turn myself back to the door
But my feet seem to be glued to the floor.
I look for comfort but can't find a doubt
Then panic strikes me, I have to get out.
I cry for the help of the mystery man
I wrestle for freedom as hard as I can
And when I finally know that can't fight on
It strikes me that the stranger is gone.
Somebody's knocking on my door
Seems like no one I've met before
He whispers that if I will be his friend
My life as I know it will come to an end.
When I ask him to tell me his name
He gets angry and says this is no game.
I turn around to take a look at my room
Stand face to face with invisible doom.
I try to turn myself back to the door
But my feet seem to be glued to the floor.
I look for comfort but can't find a doubt
Then panic strikes me, I have to get out.
I cry for the help of the mystery man
I wrestle for freedom as hard as I can
And when I finally know that can't fight on
It strikes me that the stranger is gone.
Tuesday, February 15, 2011
de zee die geeft, de zee die neemt
Deze stranden waren ongenaakbaar
De zon brandde op zandkristallen
wit licht omzoomde het land
nu schijten hier honden
Maar eens zijn die honden dood
Daar ga ik hoopvol vanuit
eens brandt het strand zich schoon
en richt zich weer op de zee.
Die ruist voort, zo dichtbij
dat alles innig luistert
en pijn voelt steken in het hart
van spijt niet ook te zien
De blikken smelten samen die
de schepen zijn vergeten
die speuren naar de bronnen van
het dom en kwaad gegrom
De zee die spreekt twee woorden
steeds weer, ze fluistert ze
en ademt en verkondigt
de wet die altijd leeft.
De zon brandde op zandkristallen
wit licht omzoomde het land
nu schijten hier honden
Maar eens zijn die honden dood
Daar ga ik hoopvol vanuit
eens brandt het strand zich schoon
en richt zich weer op de zee.
Die ruist voort, zo dichtbij
dat alles innig luistert
en pijn voelt steken in het hart
van spijt niet ook te zien
De blikken smelten samen die
de schepen zijn vergeten
die speuren naar de bronnen van
het dom en kwaad gegrom
De zee die spreekt twee woorden
steeds weer, ze fluistert ze
en ademt en verkondigt
de wet die altijd leeft.
Monday, February 14, 2011
croissantje
Ergens voor ons ligt de zee
en achter ons ook, trouwens.
In het midden, hier en nu
daar praten wij met elkaar
een sigaret die dooft
en uit het niets weer de vonk
ze monden uit in een stilte
die de storm omspant
De zon komt op ik voel het
hij heeft het zelf gezien
terstond breekt ook de nevel
en gaat de wekker
Op de stoep wandel ik
eens in de zoveel tijd
en is het altijd weer
ver van erbarmelijk
en achter ons ook, trouwens.
In het midden, hier en nu
daar praten wij met elkaar
een sigaret die dooft
en uit het niets weer de vonk
ze monden uit in een stilte
die de storm omspant
De zon komt op ik voel het
hij heeft het zelf gezien
terstond breekt ook de nevel
en gaat de wekker
Op de stoep wandel ik
eens in de zoveel tijd
en is het altijd weer
ver van erbarmelijk
pijl in mijn koker
Nog steeds dienen de mijlen als het koord van mijn boog
gespannen tussen haar en mij
Het en Dit
Alles en Iets.
Waar wij zijn heet geen keus
deze is de sleutel in de pot
halverwege de regenboog
tot slot doet alles er toe
alles en waar ook alles is
het daar dat hier is
En gouden bergen
omspannen de horizon
als rubber natte keien zoet maakt
en de muur van het imperium aan me voorbijschuift
gespannen tussen haar en mij
Het en Dit
Alles en Iets.
Waar wij zijn heet geen keus
deze is de sleutel in de pot
halverwege de regenboog
tot slot doet alles er toe
alles en waar ook alles is
het daar dat hier is
En gouden bergen
omspannen de horizon
als rubber natte keien zoet maakt
en de muur van het imperium aan me voorbijschuift
Saturday, February 12, 2011
kerfsteen
Ergens in een grot vol botten
een lot vol bouten en moeren
een levensloop als een schroefdraad
schuilend voor de straffe wind
Zij slaapt, de adem vormt een nevel
daardoorheen schijnt vuur
ergens aangelegd - door iemand?
Hoop slaat toe als een roversbende.
een lot vol bouten en moeren
een levensloop als een schroefdraad
schuilend voor de straffe wind
Zij slaapt, de adem vormt een nevel
daardoorheen schijnt vuur
ergens aangelegd - door iemand?
Hoop slaat toe als een roversbende.
Grootheidswaanzin waait als een woestijnwind
door de legertenten, zeil dat wappert
fundamenten, dunne palen, blinken ongewild
in de koude zon
Eens groeit ergens een cactus, en dat steeds weer
en kevers wonen daar, levens lang
culturen gaan aan het niets voorbij
in de koude zon
fervente tegenwerkers, schouders strak omhoog
nek vol kramp en geknepen billen
radicale afzwaaiers, als het maar schrijnt
in de koude zon
Totalitair regime, glinsterende paleizen
Dat stoeltje bij de haard
waar de leider zich toont met zijn vrienden
in het warme licht
door de legertenten, zeil dat wappert
fundamenten, dunne palen, blinken ongewild
in de koude zon
Eens groeit ergens een cactus, en dat steeds weer
en kevers wonen daar, levens lang
culturen gaan aan het niets voorbij
in de koude zon
fervente tegenwerkers, schouders strak omhoog
nek vol kramp en geknepen billen
radicale afzwaaiers, als het maar schrijnt
in de koude zon
Totalitair regime, glinsterende paleizen
Dat stoeltje bij de haard
waar de leider zich toont met zijn vrienden
in het warme licht
Friday, February 11, 2011
overlev(er)ing
Die dichter die ik ben
die, daar op die hoek
een peuk in zijn mik
die ben ik niet
Ik ben die dichter die hem slaat
gade en lacht en weent
van het lachen en soms
lacht van het wenen
Om jou om mij
om dat wat is
als jij daar vooruit staart
achter je het leven
Die dichter die ik was
die net de hoek om sloeg
en mij de weg op zond
verhalend, overgeleverd.
die, daar op die hoek
een peuk in zijn mik
die ben ik niet
Ik ben die dichter die hem slaat
gade en lacht en weent
van het lachen en soms
lacht van het wenen
Om jou om mij
om dat wat is
als jij daar vooruit staart
achter je het leven
Die dichter die ik was
die net de hoek om sloeg
en mij de weg op zond
verhalend, overgeleverd.
Tuesday, February 1, 2011
Bootsman zonder crew
aangemeld.
Nu: tranendal.
Waterval.
Gapen, al.
Gaten vallen.
Gaan en allen
zwalken
naar de einder.
Zienderogen slonk de derrie door de voordeur geperst door Bertje, en het was alsof de zon ophing en er een klik klonk, en alles werd zwart.
Het is de evenzovele in de diendermachine
de granieten keurslager
de baute klauwhamer, verstoorder van de stoorzender, vervooroordeeld voor wagenrennen.
en trotse kiem, bezworen door zijn moeder in het oerwoud
natuurlijk in de open plek, waar rubber uit de bomen stroomt
dat zijn boot niet zou omslaan.
Varen deed de neger, hohop hop over de wijnrode zee.
Nu: tranendal.
Waterval.
Gapen, al.
Gaten vallen.
Gaan en allen
zwalken
naar de einder.
Zienderogen slonk de derrie door de voordeur geperst door Bertje, en het was alsof de zon ophing en er een klik klonk, en alles werd zwart.
Het is de evenzovele in de diendermachine
de granieten keurslager
de baute klauwhamer, verstoorder van de stoorzender, vervooroordeeld voor wagenrennen.
en trotse kiem, bezworen door zijn moeder in het oerwoud
natuurlijk in de open plek, waar rubber uit de bomen stroomt
dat zijn boot niet zou omslaan.
Varen deed de neger, hohop hop over de wijnrode zee.
Thursday, January 6, 2011
Tjezus
Pjotr de zeeotter liep door de gebouwenstraat en kwam aan bij een huizenhoog torentje. Hij vond het maar niks, en toch... en toch had het wat. Hij betrad het. Toen kwam hij op een trap, die wentelde, omhoog en omhoog, totdat hij steeg, en steeg, totdat hij de hemel in ascendeerde, en zo in contact kwam met het luchtruim, alwaar de hemelen zich afspeelden en openbaarden. Pjotr de zeeotter had dit zulks nog nooit niet nimmer meegemaakt en hij verwonderde zich er dan ook gans en zeer over, zichzelve in zo’n ontiegelijke situatie te vinden. Dat had je niet dagelijks, als je zo iemand was als Pjotr de zeeotter, die dagelijks namelijk doorgaans helemaal niks beleefde, en daar ook geen zin in had. Helemaal niet. Hij liep liever naar de sigarenboer op de hoek, kocht daar een pakje kouwgum of een andere snuisternij of lekkernij en smakte daar vrolijk van op het bankje nabij, in het plantsoen, of waar ook, daar deed Pjotr dan ook niet moeilijk over. Soms at hij een rookworst, een halve dan, bij de Hema op de hoek, en als het vroor liep hij wel eens over het ijs. Maar daar was het dan ook wel mee gezegd en gedaan, behalve als hij vuurwerk afstak, maar dan was het natuurlijk nieuwjaar en ja, dat is dan nou eenmaal zo daar kan je niets aan doen of je Pjotr heet of niet. Maar nu was er dus die hemel, waartoe hij geascendeerd was, en dat vond Pjotr helemaal niet leuk want nu ontmoette hij God, waar hij helemaal niet in geloofde en die hij voordien bovendien immens gehaat had. Nu kwam hij erachter dat de baardige baas best een goed hart had en met zijn scepter zwaaide over vele volkeren die Pjotr ook best aardig vond en dat leek hem allemaal allerbelachelijkst, want hij had er nooit in geloofd of iets van moeten hebben dus nu, he nu ja dan wat moet je dan, als je dan zo met je mond vol tanden staat te geloven aan iets waar je niet aan gelooft en te twijfelen ook, want dat deed Pjotr. Immense twijfel overkwam hem, als een waterval op zijn bolle hoofdje, dat het ratelde en rinkelde tot hij er tureluurs van werd. Wat kon hij nu nog denken? Was x kwadraat plus y kwadraat nog steeds z kwadraat, of hoe ging dat Griekse raadsel ook al weer? En Homerus, deed die er nog toe? De stier met de snuivende inborst, nu God hier voor hem stond, en hem vriendelijk schouderklopjes gaf en vertelde dat alles wel goed kwam? Neen, daar had Pjotr niet van terug. Zijn hele wereld stortte in, daar beneden, aan het andere eind van die ascenderende wenteltrap. En daar was hij dan dus ook mooi klaar mee, want nu kon hij dus ook niet meer naar benden. He verdorrie. Hij vroeg God om raad. Die stond er nou toch, en hij had wel gehoord, dat God een heel beste raadgever was. Dus ging het over en weer: - God, wat doe ik nu? Ik dacht dat je (u vind het toch niet erg als ik tutoyeer?) niet bestond, en nu besta je toch! – Ja Pjotr, dat is jouw fout geweest. Daar moet je nu dus mee dielen, weet je wel. – Maar wat wil dat zeggen? – Dat wil zeggen dat je gewoon moet doen wat je doet alleen niet meer zo stoer doen tegen mij want dat vind ik niet leuk. – En wat zou dat? – Nou, dat zou dit! En hierop gooide God zo’n enorme bliksemstraal in Pjotrs mik dat die er even helemaal dizzy van was. Maar Pjotr was voor geen klein eitje vervaard dus hij pleurde God zo de naar die verkieloverdwarsneergehaalde kuthemel ascenderende trap af en sprong hem achterna. Zo kwamen ze terecht in een gevecht in het hellevuur dat daar benenden ontstoken was door één of andere onverlaat, en God won natuurlijk eerst, ronde een en twee tot en met acht, maar Pjotr vond lang in zijn geslacht verborgen gehouden krachten en schopte Gods aars zo ongenadig hard de pan in dat God huilend naar boven vloog en zich in de hemel opsloot in de kelder aldaar, waar alle stoute kinderen in moeten als ze iets kwalijks hebben uitgehaald. God kreeg met de zweep van aartsengel Michael en die had er toch een genoegen in, dat kon je aan hem zien. Ja werkelijk, dat was een lollig gezicht man! Dope. Ondertussen was Pjotr van zijn overwinningsroes bekomen, bevroor met zijn ijzige humor het hellevuur en prikte nog even zijn voetzolen aan de scherpe vlampegeltjes op de grond maar dat deed er niet toe, want geest is geest die in geest snijdt of zo en Pjotr was heel geestig, vond hij zelf, dus hij zat er niet mee. En dus ja, dat was wel een beetje zo’n dagje van dat je zeg, morgen blijf ik gewoon even hangen bij de sigarenboer en ga ik weer naar huis om een kopje thee te brouwen en wat onzin te verkondigen tegen de televisie die staat te blèren en mij vertelt wat er allemaal nog meer van dit soort ongein uitgehaald wordt op deze donderwolk, die Planeet heet. Tsjezus. Ik bedoel Lenin. Ik heb geen zin in tegenzin, dus pjok man.
binnen de muren
Sterke Henkie dacht er het zijne van. Het zijne, niet het dijne of het mijne, nee, hetgeen toebehoorde aan Sterke Henkie zelve, en dat was zijn, hoe zullen we het noemen, zijn insteek. Zijn angle. Zijn snedige perspectief, op het geheel, het gebeurde, het alles, voor welks kritiek het in aanmerking kwam. Dus alzo zat Sterke Henkie in de tram en keek treurig naar buiten. Het driezelde, de motregen kezelde door het grauwelige atmosfeertje dat deze avond onze geliefde hoofdstad in zijn glibberige greepje hield, zoals zo vaak eigenlijk. Zonder dat we doorhebben hoe triestelig het eigenlijk allemaal is. Dit overpeinsde Sterke Henkie, want hij was niet een van die lieden. Die er zoveelen zijn, die zich in de luren laten leggen door de posters in de bushokjes en de advertenties van de Albert Heijn van sappige vleesballetjes en glinsterende asperges en worteltjessoep, voor in die gezellig dikke wintermaanden. Neen, Sterke Henkie was van een heel ander slag. Eens, in de bergen. Had hij zich thuisgevoeld, alleen, met de vogels en ratten, de wurmen en de griezelige onderkruipsels, dat was toen zijn paradijs geweest, zonder dat hij trouwens wist dat al die ellendelingen er ook in aanwezig waren. Live and let live, was het geweest, voor Henkie. Maar nu was hij terug in de wereld van de mens-taal, waar het in mootjes hakken van een boom niet toereikend was voor dagelijkse zingeving, en waar klaar kristal beekjeswater niet voorhanden was maar alleen klaar kristal duinwater, wat Henkie in bij lange na niet groot genoege kwantiteiten tot zich nam, en dus af en toe uitdrogingsverschijnselen vertoonde, alsmede dikschedeligheid en zware oogleden. Maar daar ging het niet om, want Sterk Henkie zat nog steeds in de tram en arriveerde nu bij het station, alwaar hij met de overige passagiers uitstapte en in de grote hal een koffie bestelde, en zich daarna begaf naar spoor 13a. De tram die hem naar het vliegveld zou brengen liet op zich wachten, zodoende had Sterke Henkie tijd voor een spelletje schaak op zijn zakcomputertje, een partijtje tegen de digitale opponent dat hij kansloos verloor binnen tien zetten. De ervaring maakte dat hij zich kosmisch insignificant voelde, een geestestoestand die wel enig verband hield met de kosmische werelijkheid, waarvan hij in zijn jongere, ijverigere dagen vaak had geplacht te vernemen van de paginas van dikke boeken met vurige prenten en grote woorden zoals ‘Jupiter’ en ‘Saturnus’. Nog steeds waren die woorden bij hem, en wapenden ze hem tegen het miezerige, dat zich elke dag aan hem opdrong, door de mazen van zijn deflectieschild. De trein arriveerde, en Sterke Henkie stapte moedeloos in. Het knersen van het ijzer onder zijn voet deed hem denken aan vroegere tijden. Alweer. Nooit was Sterke Henkie eens in het heden, in het reine met het zijn, nee altijd zat hij te dromen, als hij niet stond, en voor zich uitstaarde in de troebele verte, de wazige horizon voorbij. Altijd, altijd, altijd... mijmerde het lot, zich beklagend over de toch zo sterke Henkie die altijd weer een reden zocht, om zich te beklagen over het lot, dat hem toch zo goed gezind was en het toch niet voor elkaar kreeg, hem uit het slop en het slik te trekken. Nee, Sterke Henkie moest dat zelf doen, aan zijn baardharen. Maar zijn baard was bij lange na niet Patriarchaal genoeg, niet die van een kluizenaar of zeerover, maar die van een jonge man met een te bot scheermesje. Zo dus ging de geschiedenis die Sterke Henkie doorwandelde totaan het punt dat hij arriveerde in de Stad van de Oude Toekomst, waar hem het een en ander duidelijk werd, over wat zich binnen de muren van dat oude kasteel afspeelde, die burcht, dat slot dat zijn ziel was.
Subscribe to:
Posts (Atom)
Blog Archive
-
▼
2011
(127)
-
►
June
(32)
- 3:12
- 4:14
- He stadje
- the holy handshake
- Nederland
- 1:4
- 1:3
- 2:8
- 3:1
- 1:2
- 1:7
- 2:2
- 2.1
- 1:14
- 1:13
- illogical algorythm
- recept van de dag
- stoffer en blik op stof
- Een geschiedenis van niets
- Arnold Van Akkeren
- Kever over de Regenboog
- naar A. Adler
- (Martin) Heidegger
- Traum B
- beek en huis
- breeduit goud stiers gegeeld
- onmogelijke openingszin
- len is
- strak trek de ochtend
- Tandenborstel des Tijds
- spekvet gistmolen
- conversations with rip van wilke
-
►
March
(16)
- Deel 1
- morning nap
- In de wilde koukraken voetstappen door sneeuwen sc...
- De die
- Vaandelgrond
- Iedereen mag dit lezenwant het staat geschrevenin ...
- ik sta in de regenver van het wild in het woudonde...
- Bosfee
- de draak is in mijverborgen in het grasveldtoch st...
- podverdikkie
- veld
- windstreken
- waar, wat, hoe, waarom
- gratis warmte
- donker pad
- totaan de jungle
-
►
February
(32)
- nederig kneden
- Gladiator
- Oom Dagobert
- no things
- IJsdroom
- ramshoorn
- Maanverlichte vlakte
- "XVI"
- 6:00
- Balder
- Recht
- middaguur
- dit pad
- waar het gebeurt
- Tijdsbeeld
- Killer demon
- anima 3
- Belangrijke Papieren
- Verveeld door Vergilius
- Tsja
- flauw
- Anima 2
- Een tekening in hetzelfde dagboek uit de lente van...
- Anima 1
- Zodiak-zoon
- de zee die geeft, de zee die neemt
- croissantje
- pijl in mijn koker
- kerfsteen
- Grootheidswaanzin waait als een woestijnwinddoor d...
- overlev(er)ing
- Bootsman zonder crew
-
►
June
(32)

