Het woord is een grensgebied
de spreker is een reiziger
soms is er controle
nooit een plaatsbewijs
Klimmende slak op nat asfalt
nat krakend hout in een schuur
Vlak meer, heet, muggen en damp
een pad die een vlinder bespiedt
De dichter langs hekken dijken
strijkt strelend langs hun strakke lijn
plots richt hij zijn blik op:
de geslagen bres grijnst hem toe.
het eeuwige sterven de vleugels
ter afwending van het niets
de schuwe kern ontvouwt zich
verscholen in zichzelf
Verheven tot de laatste graad breekt
de maarschalk met zijn wrede blik
maar vingers teder als dauwlicht
dit zandkorreltje in twee
Geweien tegen toornig rood
Hoorns verzamelen in zwart
Ineens, als een striemende zweepslag
tekent de horizon af

No comments:
Post a Comment