Onmogelijk hoog waren de bergen, de berg dan, de berg van as en zwarte kool, groter dan God, groter dan het vliegtuig dat zich in 9/11 boorde, groter dan de linguistische achterstand van een Ezel op een Maanreiziger, groter dan het algehele BLA van de verenigde Staten, groter dan de Dollar, groter dan Afrika, China, Elezier Achmed vond zelfs zijn lul groter dan de woestijn. Maar hij had geen gelijk. De woestijn was groter, en dat wist hij zelf ook. De woesternij, die alles opvrat - ook zijn lul. Achmet was een beetje boos, maar hij vond het ook wel weer terecht. Anders konden er geen anderen zijn. En dat moest toch, anders kon hij er niet zijn, Dus zo was alles ook wel weer opgelost, maar de Woestijn was nog groot en Ledig, en God had nog niet het licht gescheiden van het duister, alhoewel dit spoedig te gebeuren stond wachtte Elezier bekommerd, de maan tegemoet ziend die hem op zijn pad door het niets zou verlichten tot een pad uit het niets, hoopte hij - er waren bizarre tijden op komst voor Elezier Achmed de Woestijndwaler.
Werkelijk, nachten vol lelies en oerzwammen die hem visioenen brachten, krakende bedden in gevangenissen en boze negers, scherpe tanden en klauwen van een vrouwelijk superwezen dat hem tegen de grond probeert te werken met haar ijselijke gemiauw - de gelaatsuitdrukkingen van de maanloze nacht. Zo onschuldig was Achmed dus ook niet, hij had eens op een boot gestaan, nadat hij gemoord had. Er op los in een moeras, hij had zijn verleden daar verwerkt. Zijn verleden in dat rotte dorp, waar hij geboren was als rotte appel, en daarom de macht in handen moest nemen in zijn wereld. Slechtheid moet vergeld worden door de slechte zeif. Dat had hij geleerd - en hij had bewezen, dat wat hij geleerd had de waarheid was door een succesvol zakenman in Ethiopie te worden, en bevriend te raken met de generaals aldaar. Het had hem een paleis opgeleverd vol dienaren en dienaressen, en hier had hij het leven geproefd, dat Guatama zo overvol maakte dat hij Zarathustra's berg af rolde en tegen een boom tot stilstand kwam.
Elezier was echter wat dubbelzinnigers van zins geweest. Eindeloze perikelen in zijn kleutertijd hadden hem ervan overtuigd dat zijn adolescentie nog niet had mogen plaatsvinden. Hier door projecteerde hij voor zichuit een trajectorium van idealen die hem uiteindelijk onsterfelijkheid zouden brengen in de stof. Hij wist al dat hij onsterfelijk was in de ziel, daar hoefde hij niets voor te doen - dat is dus niet interessant, dacht Elezier. Wat raarder is, hier voor mijn voeten, dit vreemd-wezende - dit alles-vertegenwoordige, dit totaal-onintellectuele geheelwezen van het hout, het steen en het dierenrijk, waar wij vanuit overgeschuimd zijn, over de randen van het zijnde zijn wij het vernietigende geworden...
- dit zei Achmed tot zichzelf terwijl hij tegen de berg van as opklom en zich voornam deze as uit te spreiden over de woestijn, en het te laten regenen als de Genadige Zelve. Wij moeten ons een grotere kop vinden. En zo ging Achmed Elezier op zoek naar een kelk, een drager voor de zeeen van geluk en ongehoorzaamheid.

No comments:
Post a Comment