Sunday, June 19, 2011

3:1

En de Heere vergat wie ik was, en liet me onbedoeld achter op de bergtop, waar ik stierf van de kou. Mijn geest verliet mijn lichaam, en dwaalde door de bergen en de wolken, die er hetzelfde uitzagen. Ik zag niet, wat waarheid was en wat leugen, ze deden er niet, toe, alles was een mist. En de Heere bestond nog, ergens, en er was muziek, die klonk door kastelen en in sferen waar engelen en satyren ronddansten, maar ik was uitgesloten van dit alles, en van eten en drinken en ademen, aanraken en proeven, ruiken en alles, dat ik me nog wel vaag herinnerde, als een spijt, onder de naam Heere. Ik bad, en ik knielde voor zover mijn lichaamsloze gestalte dit toeliet, en ik herhaalde de naam van mijn spijt keer op keer, en er veranderde niets. Naar verloop van tijd begon ik patronen te zien, en dacht dat ik mezelf begon te kennen. Vierkanten, driehoeken en cirkels, en ik dacht dat ik mijn ziel zag, gemaakt van objecten, die eeuwig bestonden, overal in het universum. En toen ik dit geloofde werd ik ook een verzameling algemeenheden, en verloor ik zelfs de bergen en wolken uit het oog, en bevond me nu in een zwarte ledigte, met alleen vaag opflakkerende schijnsels van figuren om me heen. En toen ik zelfs voor deze vormen mijn interesse verloor, en niet meer dacht dat ik ze was, toen verdween ik zelf voor mezelf, en was er alleen nog pijn. En toen wist ik plots weer, wie ik was, en verschenen eerst weer de bergen, die ik afbrak, en de wolken, die ik tot regenen bracht, en de brokstukken en tranen regenden neer op de Aarde en vormden kraters vol water en modder. Ik liet mij neervallen in een zo'n modderpoel, en woelde en wemelde en schreeuwde, en de naam van de Heere was mij vreemd. Al wat ik wist uit te brengen was een schreeuw van haat tegen het eeuwige, dat niet bestond maar zich toch opdrong aan mij, als een vliegenplaag, terwijl ik me vastgreep in de blubberige substantie van mijn smart.

No comments:

Teller

HTML hit counter - Quick-counter.net