Thursday, January 6, 2011
binnen de muren
Sterke Henkie dacht er het zijne van. Het zijne, niet het dijne of het mijne, nee, hetgeen toebehoorde aan Sterke Henkie zelve, en dat was zijn, hoe zullen we het noemen, zijn insteek. Zijn angle. Zijn snedige perspectief, op het geheel, het gebeurde, het alles, voor welks kritiek het in aanmerking kwam. Dus alzo zat Sterke Henkie in de tram en keek treurig naar buiten. Het driezelde, de motregen kezelde door het grauwelige atmosfeertje dat deze avond onze geliefde hoofdstad in zijn glibberige greepje hield, zoals zo vaak eigenlijk. Zonder dat we doorhebben hoe triestelig het eigenlijk allemaal is. Dit overpeinsde Sterke Henkie, want hij was niet een van die lieden. Die er zoveelen zijn, die zich in de luren laten leggen door de posters in de bushokjes en de advertenties van de Albert Heijn van sappige vleesballetjes en glinsterende asperges en worteltjessoep, voor in die gezellig dikke wintermaanden. Neen, Sterke Henkie was van een heel ander slag. Eens, in de bergen. Had hij zich thuisgevoeld, alleen, met de vogels en ratten, de wurmen en de griezelige onderkruipsels, dat was toen zijn paradijs geweest, zonder dat hij trouwens wist dat al die ellendelingen er ook in aanwezig waren. Live and let live, was het geweest, voor Henkie. Maar nu was hij terug in de wereld van de mens-taal, waar het in mootjes hakken van een boom niet toereikend was voor dagelijkse zingeving, en waar klaar kristal beekjeswater niet voorhanden was maar alleen klaar kristal duinwater, wat Henkie in bij lange na niet groot genoege kwantiteiten tot zich nam, en dus af en toe uitdrogingsverschijnselen vertoonde, alsmede dikschedeligheid en zware oogleden. Maar daar ging het niet om, want Sterk Henkie zat nog steeds in de tram en arriveerde nu bij het station, alwaar hij met de overige passagiers uitstapte en in de grote hal een koffie bestelde, en zich daarna begaf naar spoor 13a. De tram die hem naar het vliegveld zou brengen liet op zich wachten, zodoende had Sterke Henkie tijd voor een spelletje schaak op zijn zakcomputertje, een partijtje tegen de digitale opponent dat hij kansloos verloor binnen tien zetten. De ervaring maakte dat hij zich kosmisch insignificant voelde, een geestestoestand die wel enig verband hield met de kosmische werelijkheid, waarvan hij in zijn jongere, ijverigere dagen vaak had geplacht te vernemen van de paginas van dikke boeken met vurige prenten en grote woorden zoals ‘Jupiter’ en ‘Saturnus’. Nog steeds waren die woorden bij hem, en wapenden ze hem tegen het miezerige, dat zich elke dag aan hem opdrong, door de mazen van zijn deflectieschild. De trein arriveerde, en Sterke Henkie stapte moedeloos in. Het knersen van het ijzer onder zijn voet deed hem denken aan vroegere tijden. Alweer. Nooit was Sterke Henkie eens in het heden, in het reine met het zijn, nee altijd zat hij te dromen, als hij niet stond, en voor zich uitstaarde in de troebele verte, de wazige horizon voorbij. Altijd, altijd, altijd... mijmerde het lot, zich beklagend over de toch zo sterke Henkie die altijd weer een reden zocht, om zich te beklagen over het lot, dat hem toch zo goed gezind was en het toch niet voor elkaar kreeg, hem uit het slop en het slik te trekken. Nee, Sterke Henkie moest dat zelf doen, aan zijn baardharen. Maar zijn baard was bij lange na niet Patriarchaal genoeg, niet die van een kluizenaar of zeerover, maar die van een jonge man met een te bot scheermesje. Zo dus ging de geschiedenis die Sterke Henkie doorwandelde totaan het punt dat hij arriveerde in de Stad van de Oude Toekomst, waar hem het een en ander duidelijk werd, over wat zich binnen de muren van dat oude kasteel afspeelde, die burcht, dat slot dat zijn ziel was.
Subscribe to:
Post Comments (Atom)

No comments:
Post a Comment