Het grauwe wapengekletter ging maar door de afgrond en klonk door de darmwanden van de Heere. Hij had Maagzuur. Het Maagzuur was een wezen, dat hij in zich gekreeerd had - en dit wezen noemde zichzelf: mens.
En de mens was, en hij bestond, en hij leefde in het Oerwoud.
En het Oerwoud was de Heere en de Slang was de Mens,
en de Aap was de Mens, en de Mens was de Aap. En het oerwoud gaapte,
en het dier werd geboren. De mens scheidde het af als een belastingvoordeel, en het kwam neer
op vrij voedsel, en welbespraakt gevolgelte.
En de mens was in orde, en er bestond zo iets als: de kosmos. En het Maagzuur van de Heere
had zich laten afscheiden met de ergernissen van de vorige dag en legde zich neer bij de feiten: de taak tot verteren.
En zo kwam het, dat het Maagzuur tot Overmens werd, en de Heere diende als de Bovenmens.

No comments:
Post a Comment