Friday, July 18, 2008

Dagboek uit Damascus

Het gezang begint en vermengt zich met het geronk en getoeter vanuit de straten en het plein onder me. Het is niet duidelijk of het nou bewolkt of helder is. Een permanente waas van uitlaatgassen verhindert direct zonlicht de stad te beschijnen.
Ik moest hard lachen toen in in Beirut op tv de inwijding van Saddam Hussein voor nog zeven jaar aan het hoofd van het land zag. Dit gebeurde symbolisch door het overhandigen van twee voorwerpen. 1) ter symbool van kracht: Het Zwaard, dat Saddam heel stoehaspelig na vier pogingen in de schede wist te wurmen. 2) ter symbool van intelligentie: The Giant Pencil, wat werkelijk een podloot van een halve meter lang bleek te zijn.
Net als in New York zijn hier de helft van de auto's taxi's, en net als in New York zijn ze allemaal geel Met z'n allen rijden ze rondjes om het plein.
Achter me - ik zal niet omkijken - is het Syrische ministerie van veiligheid en geheime zaken - Wesam schrok toen hij hoorde dat ik vannacht van mijn balkon had gefilmd. Hij verdacht meteen de twee mannen die hier de namen van de gasten waren komen opvragen ervan dat ze op zoek waren naar mij. Misschien had hij nog gelijk ook.
Hier beneden hebben ze een aantal smoezelige bioscoopjs waar ze B, C en D-films draaien, van Van Damme en When Dinosaurs Ruled the Earth tot lokale soft pornofilms. Een daarvan ga ik zeker een dezer dagen bezoeken.

Ik heb een hamburgertent gevonden. Laf, maar mijn darmen zijn al de hele week van slag. Het heten - vooral in Libanon - smaakt zeker niet slecht, maar het is blijkbaar op een manier klaargemaakt die niet past bij mijn lijf.
Ik heb besloten door de stad te gaan lopen en dat ben ik ook gaan doe - maar het is hier zo stoffig en benauwd en ik kan zo moeilijk communiceren dat ik me afvraag of het me wat oplevert. Ik hou ervan alleen te zijn, maar in Arabië verdwaalt een eenzame westerling toch snel. Denk ik.
Hamburgers.
Bweurrr - was dat nou lekker? Nee. Hetzelfde lijzige smaakje dat veel eten hier heeft. Ik denk terug ana de maaltijd die Mariël me vooschotelde de dag voordat ik hierheen vloog - in de zeven kleuren van de regenboog.
Een man wil m'n blikje cola wehalen - maar dat heb ik nog hard nodig om m'n maag te kalmeren.

Ik had een droom dat ik plotseling een prachtig appartement aan de Dam had, op de plaats waar Krasnapolsky staat. Arie vroeg zich af hoe het zat, dat ik toch net bij hem was komen wonen - ja inderdaad, ik had nu twee huizen, en ik had al mijn vrienden op bezoek.

Pfoh, die hamburger valt niet goed.

Wat doe ik hier? is nog steeds de vraag. Jim Morrison zong 'there are only four ways to get unravelled, one is to sleep, the other two travel'. Deels is het zo dat ik te weten ben gekomen wat ik niet wil: politiek-maatschappelijk filmen. De lauter esthetische beelden die ik gisteren van meelf het het groene licht van mijn hotelkamer maakte deden me meer dan alle interviews met de Libanezen in de voormalig bezette gebieden. Ik verwonderde me daar toen ook al over. Ik wist dat het bijzonder was wat ik voor de lens kreeg, maar het boeide me niet. Behale het gezinnetje in de olijfboom en op de eerste dag het gezin van Wesam's schoonfamilie, op die open pario met moeder de vrouw in het midden en al die kinderne die over de gallerlijen in het rond renden. En dat meisje dat me door die balon met haar grote ogen aanstaarde. Jammer dat ik daar niet mocht filmen.

De muziek gaat aan.
Ik kijk uit over de grote bergrug die Damascus omringt en waarop zich de arme wijken bevinden.
Twee jongedames zonder hoofddoek lopen langs. Die zijn hier meestal minder mooi dan de vrouwen mét.
De hamburger begint een beetje te zakkeb. Ik stap straks maar weer eens op. Een militair loopt binnen en vlak langs me, en kijkt me in het voorbijgaan erg gevaarlijk aan.
Ik heb de Israelische geheime dienst al achter me aan, nu ook nog die Syrische - goed, ze vechten het samen maar uit.

Het military museum. Een rustiek, vredig parkje met stelletjes die elkaar zacht toefluisteren op de bankjes, onder de koele schaduw van de vleugels van een bommenwerper. De logica van de arabische wereld ontgaat me soms toch echt. En dat dat niet zo vreemd is ontdekt ik toen ik, in een Shi-itisch informatiecentrum, er na drie pogingen in slaagde een boek open te slaan, en merkte hoe fundamenteel anders het voelt om van rechts naar links te lezen.

Die droom die ik had over dat huis aan de Dam - nadar alle vrienden weg waren kwam de huisbaas binnen voor een inspectie - een vlotte joongeman - en die vertelde mij dat het duidelijk was dat ik homo was. Ik ontkende dit, maar hij hield stellig vol - hij had al zijn argumenten klaar - ik kan me niet herinneren dat ik overtuigd was.
Volgens ene Osho, een sprituele gast die volgens Muhab, een vriend van Wesam in Beirut, voremoord is door de CIA, is homosexualiteit een symptoom van het verliezen van de wil tot leven. Hij had ook zijn ergumenten klaar. Ik heb toch een zekere zus die het tegendeel aantoont.

Een man op een bankje neemt een slokje thee. Ik word al wee als ik er naar kijk. Ik heb véél teveel van dat spul gedronken hier. Brrrrr. Geef mij maar het koude, regenachtige Nederland.

Krekels tsjilpen. Twee jongensstemmen galmen. 's Nachts is de sfeer die door de open balkondeuren naar binnen komt meer die van een dorp dan van de oudste stad ter wereld met zes miljone inwoners.
Ik heb net in de 'common room', die grenst aan mijn kamer, met twee Arabieren Mars Attacks gekeken. Zij zaten hem te kijken toen ik terug kwam van een late tocht op zoek naar voedsel. Na een stuk door de stille volle maanverlichte stad te hebben gelopen kwam ik bij een zaak waar ik zowaar croissants in de vitrine zag liggen. Daarbij hem ik voor moregen ook nog een tonijn-sandwichen een stuk chocoladecake gekocht. de man achter de toonbank was ontroerend lief - op het lachwekkende af - zo blij als hij was iemand uit Nederland e bedienen. Je hebt mensen met die instelling hier, net als het tegenoergestelde. De jongen bij de kassa lachte een beetje plichtmatig, en dacht er het zijne van.
Op een terrasje bij een sap-zaak waar ik een groot glas verse jus kocht, dronk ik en at ik de twee croissants. Onderwijl kwam 'Civil War' in mijn hoofd (en daarna nog wat liedjes) en zingend liep ik terug naar het hotel, waar Mars Attacks aanstond. Onderweg kreeg ik een moeilijke blik van een kauwende soldaat bij een van de wachthokjes hier in de straat, toen ik hem aan bleef kijken in het voorbijgaan. Een reuze-spannende dga was het weer. De tas fruit en de croissants hebben mijn darmen overigens goed gedaan - mijn poep is niet meer vloeibaar.

Maar dat was tijdelijk, helaas. De lucht is nu echt blauw - dat kan dus ook, maar ik heb alle behoefte verloren om naar buiten te gaan. Ik moet hier nu bekend staan als de man die in zijn eentje de grootste kamer heeft en die er alleen uit komt om te poepen. De hotelbaas voor dit etmaal vroeg me of ik voortaan het WC papier in het vuilnisemmertje wilde doen in plaats van het door te spoelen. Hoe laat zou het zijn? Pas een uur of twaalf, denk ik - nog 40 uur te gaan, totdat een taxi me komt ophalen een naar het vliegveld brengt. 'T is twenty years till then...
In Beirut, de laatste avond, ging ik op zoek naar een bar, en kwam twee Noordamerikanen tegen - her schiet me nu te binnen dat had ik hun niet aangesproken en met ze mee naar de Smugglers Inn gegaan, ik op de kade bij de zee zou zijn aangeland, wat de hele koers der dingen had kunnen veranderen - dan had ik géén kater gehad en misschien besloten om wél de hoge Hezbollah figuur te interviewen - hoewel, nee, Wesa durfde dat interview soweieso niet meer aan met mijn camera.
Hoe kom ik de dag door? Misschien toch maar het Wainamoinen boekje lezen. Ik heb ook nog steeds wel zin in een slecht B-film.

Ik droomde vannacht dat ik met nieuwe kung fu broeders, net ontmoet, naar de wing tjun dojo ging op hen een proefles te laten nemen, toen één van mijn ming tjun broeders zijn hoofd door de deur stak en net wist uit te brengen: De Dai Shing... Daishing Benno bleek dood te zijn gegaan! Net als alle anderen die daar al waren barstte ik in huilen uitm en steeds was er het beeld van de meester, aardige, intelligente en soepele Friese geweldenaar.

Shuddaj. You cannot put an elephant on an airplane.
Dat was heftig. Een man met een baard bij het stalletje waar ik noten kocht - ik groette hem, en toen gierde hij het uit in een volsrekt maniakale lach, en zei dat ik bang voor hem was.
Ik had eerder op de dag besloten toch de tocht te wagen naar de huizen op de bergwand, die je van overal in de stad ziet, waarvoor Saleem, de vrolijke vriend van Wesam, me had gewaarschuwd als 'popular' wijken. Natuurlijk bleek dat daar, zodra de straten begonnen te stijgen, de glitterwinkels die overal in de stad hetzelfde zijn, uit het beeld verdwenen en de stad een kakakter kreeg. De straat die ik besloot tot het eind te volgen liep stijl omhoog, met al stoep een trap. Met alle glitterwinkels had ook de Kalverstraat-drukte plaatsgemaakt voor een rust - her en der een mens of een auto. Toen ik op een gegeven moment omkeek zag ik wat ik had willen zien: de stad van bovenaf. Enorm. Tot zover ik kon zien strekte hij zich uit, tegen de roodblauwe lucht van de vallende avond.
Ik kwam bij een muur, de straat liep dood. Ik klom via een trapje op de muur en ging zitten. Voorbij de muur begon een soort steeg-erf dat ik maar als privéterrein beschouwde, en uit discretie niet betrad. Ik zat hier ook mooi genoeg van het uitzicht te genieten en mijn hart tot rust te laten komen, toen een vuurpijl van een dak nar beneden in het straatje vloog. Vanachter een dakrand, een meter of twee hoger dan ik staken drie jongenshoofden omhoog, die tegen me begonnen te roepen, en met hun duim en wijsvinger tegen elkaar begonnen te wrijven. "Heey! Excuuuuuuse me! Ho! Heeey! Buisiness!!!" riepen ze ze, onderwijl Michael Jackson-achtige gebaren makend. Ik maakte een gebaar van 'ja, het is goed met je', en ze verdwenen weer achter de dakrand. Ik rochtte mijn blik weer op de gloedvolle lucht waartegen het zeer esthetische silhouet van tientallens chotelantennes zich aftekende, toen ik vanachter de dakrand onder gegiechel een salvo water tevoorschijn zag komen. Ik had geen tijd om het te ontwijken, het was niet echt veel, maar ik rook aan m'n kleren of het niet iets anders dan water was. Op dat moment volgde er nog een salvo, waarop ik opstond. Naast me stond ineens een klein jongetje dat dezelfde gebaren als zijn vrienden op het dak aan het maken was, en ook "Money" en "buisiness" en "excuuuuuuse me! hallo!" en zelfs iets dat leek op "tha dough" herhaalde, als een plaat met eenkras erop.
Ik was niet van zin mijn portomonee tevoorschijn te halen en bankbiljetten te gaan uitdelen, dus ik ging er niet op in, maar toen maakte hij een mooi gebaar: hij riep nog eens 'buisiness' en speelde dat hij met duim en wijsvinger een muntje in de lucht schoot, zoals je wel eens in Amerikaanse films ziet. Ik volgde zijn voorbeeld, met een echte munt, die in plaats vanin zijn hand beneden ons muurtje op de straat terecht kwam. Hij snelde de trap af, opgewonden roepend tegen zijn vrienden op het dak, en ik volgde hem naar beneden, waar ik hem mijn overige munten gaf en hem op zijn kortgeschoren bol klopte. Ik vond het een goed moment om te vertrekken, voor ik straks de hele buurt aan mijn broek had. Ik begon naar beneden te lopen toen ik een schavend geluid en een schreeuw hoorde, het jongetje was in zijn opwinding op de stenen gevallen. Moeilijk stond hij op en roepend verdween hij een steeg in.

Weer in de iets lagere wereld met wel al winkels, maar bepaald geen van het glittersoort, kocht ik een pen - deze - bij een zaakje waar ik wel iets moest kopen - de etalage viel me op omdat er wel objecten in stonden maar allemaal zo schimmig en onsamenhangend dat het niet lukte om er ook maar op één de aandacht te verstigen. Ik twijfelde, en gluurde tussen de objecten door naar binnen, en toen ik achter de toonbank ook pennen zag, betrad ik het piepkleine winkeltje, Tegen de muur naast me stonden een aantal dozen met speelgoed dat weliswaar westers was, maar van een archaisch slag, dat nooit tot Nederland is doorgedrongen.
Ik wees een pen aan, testte hem en betaalde, Toen liep ik verder naar beneden. Daar kwam ik, in een al kapitaaldragende zone, bij het voornoemde notenstalletje.
De man die daarnaast op een krukje zat had een grijze lange baard en groen gewaad, en heel vreemde, glasharde groen-bruine ogen met ovale pupillen. Hij sprak wat duits, en richtte ich tot me met een gierende lach, die hij bleek te hebben geslaakt in de observatie dat ik bang voor hem was. Ik was zelf nog niet tot die conclusie gekomen, maar kwam er al snel, door een ziekelijk gevoel in mijn buik, achter dat hij gelijk had.
Na een onbeduidend stuk gesprek dat ik me niet meer herinner zei hij uitdagend: Weisst du Osama Bin Laden Er ist eine Gute Muslim! A Good Man! En hij gierde het weer uit van het lachen.
Ik was hierheen gekomen in de veronderstelling dat vrij veel mensen hier die mening zouden zijn toegedaan, maar tot nu toe had ik alleen maar mensen gesproken die de aanslagen veel sterker dan ikzelf veroordeelden als van slechte moslims, of dachten dat de Zionisten ervoor vrantwoordelijk waren. Maar nu was er deze man, die zijn naam voor mee vertaalde als Mohammed Glücklich, hier in zijn eentje in het 21ste eeuwste straatbeeld precies de engel des doods stond te zijn die je in Bin Laden ziet. Die ogen waren écht eng. Niet menselijk, eerder van een hagedis of een slang.
Zolang hij me niet aanraakte - daar was ik voornamelijk bang voor - was het uitdagend om met hem te praten. Ik vroeg hem of hij dan niet dacht dat de aanslagen gepleegd warne door de Amerikanen zelf, om een excuus te hebben voor het voeren van oorlog. Deze mening bleek niet nieuw voor hem, maar hij schudde zijn hoofd, en zei: "America, Pflllrrrr" terwijl hij met zijn duim omlaag wees. Amerika down the drain, so to speak.
Ik kon hem niet volkomen ongelijk geven, het gaat niet helemaal goed met dat land, als ik de uitspraken van de politici daar hoor. Maar of deze man iets beters vertegenwoordigde? Hmm. Wel iets sterks, iets glas-hards. Zo aan die ogen en lach te beoordelen. Hij en zijn soortgenoten tegen de harde kern van het wapenkapitaal, die gaan veel verderf naar het oppervlak halen voordat ze elkaar kapot hebben gemaakt.
Ik heb nog steeds dat gevoel in mijn buik.
De maan is vol.
Op weg terug bevond ik me ineens temidden van mismaakten en gehandicapten, terwijl ik zelf voortdurend 'You cannot put an elephant on an airplane" bleef herhalen. Ik zal blij zijn als ik veilig op Schiphol land. En hier kom ik voorlopig niet meer terug.

De volgende ochtend.
Nu ik naast diaree ook nog keelpijn heb begin ik toch een pesthekel aan dit land te krijgen. Alleen Polen is lelijker. Ik droomde net dat ik met Vincent en Sander L in het vliegtuig zat en dat we landden in een tunnel - en ineens hoor ik Vincent zeggen: "Dit overleven we nooit." En inderdaad, de piloot stuurt zodanig dat de vleugel hard tegen de muur schampt, maar het toestel ontploft niet. De volgende paar haarspeldbochten (erg handig in een landingsbaan) neemt hij op het nippertje zonder schade.

[Damascus, 2002]

No comments:

Teller

HTML hit counter - Quick-counter.net