Saturday, July 5, 2008

In het gloeiende Zand

Dit is het einde. Het moet afgelopen zijn. Nu. Het kan niet anders zijn. Wat moet er nog gebeuren? Wat kan ik nog ervaren dat niet in het niet valt bij dit? Geen toekomst, zodra het heden is afgelopen. Brandend, als de kop van een toorts. heet als ontvlammend zwavel. Een hagedis met vleugels. Een kameleon die uit zijn ei kruipt temidden van een regenboog. Een scarabee die uit het niets ontstaat in de kern van een een diamant en de steen uiteen doet spatten in miljoenen fonkelende sterren.
Hij sprong en viel. Hij zweefde omlaag met duizelende vaart. De wind suisde langs hem, probeerde zijn gezicht te doorboren met verlammende kracht.

Een vogel krijst, onzichtbaar vanuit het verblindende licht, dat verzengend neerdaalt op de witte zoutvlakte en weerkaatst in zijn gezicht. Geratel. Een slang? Gealarmeerd draait hij zijn hoofd, het vergt teveel kracht. Hij zinkt ineen op zijn knieen, zakt voorover, leunt op zijn handen, maar kan zijn eigen gewicht niet torsen en bezwijkt.

Liggend in het gloeiende zand dacht ik terug aan de weg die ik aflegde om hier te komen, de weg die nietsvermoedend leidde tot het onvermijdelijke eindpunt, het onverbiddelijke stootblok, dat zonder waarschuwing, zonder signaal, zomaar midden op de rails stond te wachten, alsof het er altijd was geweest.

Hij sloot zijn ogen en zag vloeistoffen, vloeiend door slangen, buizen, aderen, lekkend, druppelend in rijke druppels die gul en rijkelijk vallen op zijn gezicht, zijn wangen, zijn lippen.
Hij probeert zijn lippen af te likken maar heeft geen vat meer op zijn schuddende lichaam. hij glimlacht zonder zijn mondhoeken te bewegen. Herkenning, als een deja-vu in een droom in bed, thuis in de winter onder warme dekens, morgen vrij, uitslapen, opstaan om twee uur, thee zetten en een ei bakken, zonder hitte. Zonder zout. Tomaten. Vochtige, sappige, rode tomaten. Tomaten als watermeloenen. Watermeloenen als waterbalonnen gevuld met ranja. Kleverige siroop. Mieren, een kruistocht van mieren dwars door rotsachtige stoeptegels voor de deur in de lente. Koele warmte in de scherige avond. Voetballen tot de bal onzichtbaar wordt.

Verder. Voort moet ik. Nog zoveel verder, nog zoveel zien, horen, aanraken. Zachte, koele huid van een dochter in een verboden tuin met lelies en doornstruiken achter prikkeldraad. Rode striemen, leren riemen, knallen, echoend door de binnenplaatsen. Gezucht op de patio, in de schaduw, verscholen achter de rij van marmeren zuilen.
Tranen. Warm, verleidelijk vocht, stroomt uit bloeddoorlopen ogen over zachte wangen. Een zweepslag, wang en gehemelte scheuren, gebid verbrijzeld.

Met een verschrikte blik keek de hagedis hem in zijn uitgedroogde ogen. Wat zag het dier? Dacht het? Dacht hij, of werd hij gedacht? Droomde hij of was hij een droom? Hij voelde zich een circel, een oneidig fragment van een volmaakte bol zonder dimensies, glinsterend vanbinnen met zeven keer zeven keer zeven keer zeven tongen, tornado's, alles verzwelgend, zwelgend in alles.

Binnenin zijn hoofd, aan de linkerkant, ging een telefoon. Een vage stem nam op, moeizaam. Spreek. Vlug. Voer me, laat me voelen.
Een heldere melodieuze stem in een taal als de kruin van een waterval sprak, kalm, kalmerend als een witte, zachte, koele zalf.
"Steek. Eenmaal, genadeloos."

Zwalkend langs een houten podium. Meisjes dansen en werpen me valse, warme blikken toe met hun lippen en wimpers.
Welkom afscheid. Transparante, hechte leugens, vakkundig gevlochten in zalige onwetendheid.

[1998, Kfar Giladi]

met een zucht, haperend, volmaakt, verlaat ik U.

No comments:

Teller

HTML hit counter - Quick-counter.net