En toen Harrie aangekomen was bij de stekelige brug, zat hij even neer om de door hem afgelegde weg te overpeinzen. Hij kon immers wel direct doorsteken, maar om nu in de afgrond te tuimelen zonder bij de ontberingen die hij getrotseerd had, om bij diezelfde afgrond aan te landen te bespiegelen, en zichzelf erom nog even te prijzen voordat het noodlot hem in de verstikkend earmen sloot, dat leek hem toch een dwaasheid. En dwaasheden, daarvan had Harrie er al zoveel begaan in zijn leven, dat de lol er nu wel een beetje af was.
Maar wat viel er te overpeinzen? Harrie had met draken gevochten - draken die later, toen ze opengereten aan Harries voeten lagen, zijn vrienden bleken te zijn. Harrie had tunnels gegraven, onder brandende velden, en onder de grond had hij dieren ontmoet, die hem geheimen ingefluisterd hadden, die Harrie ter harte had genomen, maar die later leugens bleken te zijn geweest. Harrie hard kortom vriend voor vijand aangezien, en had volhardt in deze fout, en daarmee was hij bij deze brug aangeland. Geen wonder dus, dat hij zich even beraadde, voor hij de stap naar de overkant durfde te wagen.
Zo bezorgd en vertwijfeld was Harrie, dat hij aan de rand van de afgrond kamp opsloeg, een vuurtje maakte en zijn gangen nog eens naging, maar nu bij het licht van de knetterende vonkjes, en de fonkelende sterren boven hem. Dat de sterren nog boven hem stonden, dat was een geruststelling - hij, Harrie, mocht nog zoveel fouten hebben begaan - de Hemel was erdoor onveranderd. Dit besef stemde Harrie enigszins tot rust, en hij begon onwillekeurig een wijsje te fluiten, waarmee hij een klein diertje naar zich toe lokte - een diertje dat hem eens in een ver verleden terzijde had gestaan, bij het einde van een wereld, die Harrie al lang vergeten was.
Maar Harri eherkende het diertje wel degelijk, en hij was geroerd door het weerzien. En samen zaten Harrie en het diertje bij de vlammen, en dachten even aan niets, want het leek alsof de tijd niet bestond, en zij elkaars gezelschap tot in de eeuweigheid zouden genieten. Maar Harrie dommelde in, en toen hij wakker werd, was het diertje verdwenen, en het vuur gedoofd. Het smeulde niet eens meer, en evenmin brandden de sterren nog aan het firmament. Het enige dat nog hetzelfde was was de brug, de stekelige brug, die voor Harries ogen een pad trok naar de toekomst, onbekend, onbezongen en onvoorgesteld. De toekomst was duister, zelfs duisterder, dan de afgrond. Maar Harrie besefte dat hij verder moest - want teruggaan, daar zag hij niets in. Dus hij stond op, en zette voet op de brug.
Tot Harries verbazing stortte de brug niet onmiddelijk in. Voetje voor voetje schuifelde hij zich een pad over de afgrond, de stekels voorzichtig ontwijkend, en na verloop van tijd begon in de duisternis aan de overtoom een vaag schijsel de flakkeren. Een zucht wind trok door Harries hart en blies iets van het stof, waarmee het bedekt was, weg van zijn ziel. Voor een moment - toen was het lichtje weer weg, en de toekomst weer duister. Maar het was genoeg geweest - harrie besefte, dat hij zich een weg ploeterde door een donkere nacht, en dat als hij maar doorging, het licht weer door de duisternis verwekt zou worden - verwekt van duisternis en wanhoop - moeder en vader van de toekomst - zo mijmerde Harrie, zoekend naar een houvast voor zijn geest op deze penibele brug.
En nog een vonk verscheen, voor een moment, aan de overzijde. Wellicht was het een zwaard in de hand van ee rover, dacht Harrie. Wellicht het schijnsel in een boosaardig oog - maar er was licht. Er was iets. Harrie versnelde zijn pas, hij werd roekelozer, maar behendig dansde hij nu tussen de stekels door. En uiteindelijk begon nu echt de overkant te gloren, een paars-roze licht, en ook een geur drong door tot Harries brein, voor het eerst sinds het vuur van de afgelopen nacht. Een zoete geur was het, van een soort bloemen die we hier niet kennen - een geur als het gezang van meerminnen wellicht - en hoe Harrie het licht aanzag voor duister, hoe zijn hersens zich wreekten voor jarenlange teloorgang - dit alles deed niets af aan het feit dat de afgrond bijna overbrugd was, en dat Harrie zich voelde als een vreemde in zijn eigen ziel. Hij had zijn bestaan verlaten, de grens overschreden, en was nu niet langer een mens. Hij kwam aan op de oever, stapte op het vaste land, waar gras bleek te groeien, en geen rover hem opwachtte. Teleurgesteld dat er geen gevaar was, om mee te kampen, maar slechts een nieuwe ruimte om te doorkruisen, sprong Harrie alsnog in de afgrond. Hij viel en hij viel en hij viel, en het werd nog donkerder dan het al was geweest, en uiteindelijk sleog hij te pletter op de rotsen in de diepte. Bloed kroop waar het niet gaan kon, en voedde de bodem, die kreunde en openspleet, en Harries lijk nog verder deed zakken, tot hij aankwam in de Hel, diep onder de aarde, en aan Satans voeten kwam te liggen.
Zo werd hij wakker, in ketens, herboren doch dood, starend in fonkelend vuur, maar doof voor de pijn die hij zou moeten voelen. "Wat doe ik hier?"" vroeg hij aan niemand in het bijzonder. Het antwoord kwam van Satan: Je bent hier om te leren leven.
U ziet beste lezer, dat het verdomd lastig is voor een Harrie, om daadwerkelijk ten onder te gaan, en vergeten te worden. U heeft het hiermee te stellen.
Friday, May 28, 2010
Subscribe to:
Post Comments (Atom)
Blog Archive
-
▼
2010
(46)
-
▼
May
(10)
- STOMMELINGEN!POTSIERLIJKE HANSWORSTEN!RADIKALE PEE...
- 2 3
- Kanarie Met Gesloten Vizier
- Mais je reve tout a coup, au soudain par hasard, c...
- En toen Harrie aangekomen was bij de stekelige bru...
- And in the temple, where -one sits or stands, no m...
- the crooked and narrow road
- De dwarsbedoeling van mijn bedoeling was niet de b...
- Zo jongens! Zei de leraar gemaakt - opgewekt, zijn...
- lutter
-
▼
May
(10)

No comments:
Post a Comment