grootse geest van goud gemaakt
geweren in de maneschijn
greppels door het sappig veld
noordewind, verstrooi mijn wil
mijn donderbliksem puur en pril
verzadig me met je sterke kruid
verlam me met je ijzeren vuist
te rotskam aan vogel vlieg
spat uiteen op boeg en beeld
geen sprake van een woord of kus
gericht aan mijn verlangen
Nee slechts de plicht die roept en krijst
als noodlotswinden beuken
sleuren rammen breken dreunen
in mijn borst waar ik verdwaal.

No comments:
Post a Comment