Totaan de oever van de rivier, totaan de waterval! Haar parasol wapperde in de wind. Haar gezicht spatte nat. De forellen dansten in de klaterende golfjes op het nat. Bomen wuifden vochtig in de zon. De stralen warmden de stenen in banen langs de boomstammen die damten, en waaraan eekhoorns zich vasthielden die de firsse wasse luch topsnuffelden. Hun oogjes plots verstard op iets, dat ze hoorden of zagen aan de overkant. Daar waren rovers, die houten kisten sleepten, met ijzeren randen. Een droeg een toorts en een baard, de anderen waren kaal en kibbelden.
Een bootje lag lags de oever, de mannen namen er onhandig in plaats, en zetten zich af van de oever. Onmiddelijk nam de stroom het scheepje en tolde het over de baren. De rovers klampten zich vast aan de randen en lieten zich ongemakkelijk stroomafwaarts afvoeren.
De zon ging door met schijnen en de lucht dampte lustig verder. De planten groeiden en vogeltjes zoefden er tussendoor. Het was een getwetter van jewelste. Plotseling stak een medicijnman de kop op, en zijn speer omhoog. Hoela! Riep hij, en het onweer barstte los.
De rivier werd grijs, de zon verdween, en de rotsen ketsten het water afwerend van zich af. Binnen de korste keren was de waterval verdwenen in een dampende mist.
Heet was het nog steeds.

No comments:
Post a Comment