de pracht en praal, de slangen
goud, linanen, vochtig mals
miljard verborgen gangen
Alles stoomt, het zonnezweet
de parelmist vangt stralen
vurig sap dat kokend heet
kolkt door dikke aderen
Blikken schieten door de nevels
schampen langs het stomend loof
dat rilt van koorts in teder weefsel
maar binnen zijn de bomen doof
En blind het hout, de wortels graven
dieper dan het licht kan zien
de nacht vertrouwt, vermorzelt er aarde
op dat ze niet beter verdient.

No comments:
Post a Comment